De acting in concert-regeling inzake het verplicht bod op effecten
Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/15.2.6.1:15.2.6.1 Inleiding
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/15.2.6.1
15.2.6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS365146:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Preciezer gezegd: op grond van het vermoeden worden de stemrechten wederzijds toegerekend; dit leidt tot de fictie dat ieder onderdeel evenveel stemrechten houdt (§ 12.2.3.3).
Zie daarover Nieuwe Weme 2004, p. 147.
Ik laat in het midden of deze dubbele biedplicht nader geregeld zou moeten worden of dat een vrijstelling op zijn plaats is, zie in die richting bijvoorbeeld Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht 2000 – Advies dertiende richtlijn, p. 2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook indien een concern-onderdeel overwegende zeggenschap verkrijgt, is sprake van gelijktijdige verwerving van overwegende zeggenschap. Ieder onderdeel van de groep wordt immers onweerlegbaar geacht in onderling overleg met de overige groepsonderdelen te handelen (acting in concert-definitie art. 1:1 Wft), dus als een groepsonderdeel overwegende zeggenschap verkrijgt, verkrijgt de hele groep overwegende zeggenschap.1 Omdat toepassing van de vrijstelling van art. 5:71 lid 1 sub h Wft voor problemen zorgt (§ 15.2.6.2) is uiteindelijk een eigen vrijstelling gecreëerd in art. 2 lid 2 en 4 Vrijstellingsbesluit (§ 15.2.6.3).
Twee opmerkingen vooraf. Het in deze paragraaf geanalyseerde geval moet worden onderscheiden van de hierna te bespreken intra-groepsverwerving (§ 15.2.7), hetgeen verschuivingen binnen de groep betreft. In de onderhavige paragraaf gaat het om verwervingen door groepsmaatschappijen van derden. Verder moet bedacht worden dat er een dubbele biedplicht ontstaat indien overwegende zeggenschap wordt verworven in een beursvennootschap, die op haar beurt weer overwegende zeggenschap houdt in de doelvennootschap; de moeder dient een bod uit te brengen op haar beursgenoteerde dochter en daarnaast zijn moeder en dochter in beginsel samen biedplichtig op het niveau van de beursgenoteerde kleindochter (§ 12.4.1).2 De in deze paragraaf te bespreken vrijstelling van art. 2 lid 2 en 4 Vrijstellingsbesluit ziet enkel op laatstgenoemde biedplicht.3