De acting in concert-regeling inzake het verplicht bod op effecten
Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/15.2.6.3:15.2.6.3 Reikwijdte
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/15.2.6.3
15.2.6.3 Reikwijdte
Documentgegevens:
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS368849:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ik bepleitte eerder dat ook natuurlijke personen een dochtermaatschappij kunnen hebben, zie § 11.3.4.3 sub I. In deze benadering komt de vrijstelling van art. 2 lid 2 Vrijstellingsbesluit ook toe aan natuurlijke personen. Vgl. Josephus Jitta 2013 (T&C Ondernemingsrecht Effectenrecht), art. 5:71 Wft, aant. 2h, die langs een andere weg tot dezelfde conclusie komt.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 2 lid 2 Vrijstellingsbesluit bepaalt dat zijn vrijgesteld van de biedplicht degenen die overwegende zeggenschap verkrijgen gelijktijdig met het verkrijgen van hetzelfde aantal stemrechten door: a. rechtspersonen of vennootschappen die met hen deel uitmaken van een groep als bedoeld in art. 2:24b BW; of b. rechtspersonen of vennootschappen die een dochtermaatschappij zijn van hen of waarvan zij dochtermaatschappij zijn1.
Opvallend is dat het toepassingsbereik van de vrijstelling afwijkt van dat van de vermoedens uit de acting in concert-definitie in 1:1 Wft. De vrijstelling kent niet de daarin opgenomen figuur van de gecontroleerde onderneming, zijnde een dochtermaatschappij of een onderneming waarover een persoon overheersende zeggenschap heeft (§ 11.3.4-11.3.5). Nu zal doorgaans een dochtermaatschappij wel kwalificeren als een gecontroleerde onderneming (§ 11.3.5.3 sub III), maar omgekeerd is dat niet zo. Ik neem aan dat hier sprake is van een vergissing.