Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/4.3.3
4.3.3 Aan het onmiddellijkheidsbeginsel ten grondslag liggende aannamen
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie Garé 1994, p. 40.
Vgl. Garé & Nijboer 1999, p. 879.
Naast effectuering van procesrechten voor de verdediging speelt ook het publieke belang bij een goede, effectieve en herkenbare strafrechtspleging een rol (Garé & Nijboer 1999, p. 879).
Het is dan ook niet toevallig dat het formele onmiddellijkheidsbeginsel in Nederland ook wel wordt opgevat als het confrontatiebeginsel. Zie Mols 1989, p. 8.
Zie ook Damaška 1973, p. 517.
Deze vraag heeft ook Rozemond zich in zijn proefschrift gesteld (Rozemond 1998, p. 276). Voor Nederland wordt hier in § 9.7 nader bij stilgestaan.
Aan het onmiddellijkheidsbeginsel in al zijn variëteiten liggen verschillende doelstellingen en veronderstellingen ten grondslag.Ommet de doelstellingen te beginnen. Het beginsel is ontstaan als reactie op de geheime en schriftelijke procesvoering en is in oorsprong primair bedoeld om de rechter een meer deugdelijke feitelijke basis te verschaffen voor zijn oordeelsvorming en daarmee de kwaliteit van de beslissingen te verhogen.1 Dat geschiedt op tweeërlei manieren: enerzijds door de rechter meer rechtstreekse toegang te bieden tot de bewijsbronnen (formeel) en aan te moedigen daar bij zijn bewijsbeslissing ook gebruik van te maken (materieel). Anderzijds door tegelijkertijd het bewijs te presenteren in bijzijn van procespartijen opdat die de inhoud daarvan kunnen betwisten.
Door het benadrukken van de bijdrage van de verdediging bij de waardering van het bewijsmateriaal heeft het onmiddellijkheidsbeginsel ook een functie gekregen in het waarborgen van een tegensprekelijke procedure. Het onmiddellijkheidsbeginsel in meer formele zin hoeft dan ook niet louter als instrument voor de waarheidsvinding te worden bezien.2 Met het vasthouden aan het onmiddellijkheidsbeginsel kunnen ook andere doelen worden gediend, zoals de confrontatie van de verdachte met de getuige.3 Uit het verlichtingsdenken vloeit ook voort dat de verdachte de persoon die hem aanklaagt in de ogen moet kunnen kijken en dat de aanklacht of getuigenis niet in het geheim geschiedt, zoals het geval was ten tijde van de inquisitie.4 Het onmiddellijkheidsbeginsel valt hiertoe echter niet te reduceren: het gaat bij het onmiddellijkheidsbeginsel immers primair om de waarheidsvindende taak van de rechter. Hij moet beslissen en dat doen op basis van het originele bewijs dat de toets der onmiddellijkheid ter terechtzitting heeft weten te doorstaan.
Het onmiddellijkheidsbeginsel berust op de aanname dat bewijsmateriaal het best kan worden getoetst als de originele informant op de terechtzitting kan worden ondervraagd (of het ‘fysieke’ bewijs op de terechtzitting kan worden aanschouwd) en als de procespartijen en de rechter de kans hebben gehad om informanten met bepaalde informatie te confronteren. De redenen die hiervoor in de literatuur worden aangevoerd zijn divers. Ten eerste dat de rechter en de procespartijen de gelegenheid krijgen om de getuige in persoon te zien en onder meer aan de hand van (non-verbaal) gedrag kunnen beoordelen wat voor vlees zij in de kuip hebben. Ten tweede dat zij in de gelegenheid zijn om vragen aan de getuige te stellen om op die manier een beter beeld te krijgen van de inhoud van de verklaring. Ten derde dat de openbare setting van het onderzoek ter terechtzitting wellicht een stimulans biedt om de waarheid te vertellen omdat de kans bestaat te worden ontmaskerd als een leugenaar. Dit laatste argument komt men overigens in de hedendaagse literatuur niet meer veel tegen, maar speelde wel in de negentiende eeuw waarbij men zich afzette tegen de geheime procedure waarin een ieder een ander naar willekeur kon belasten zonder daarvan zelf consequenties te ondervinden. Van al deze drie mechanismen wordt aangenomen dat zij accuratesse van het rechterlijk oordeel omtrent de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaring bevorderen.
In het verlengde van de aanname dat het bewijs het best kan worden getoetst ter terechtzitting ligt de veronderstelling dat het meest originele bewijsmateriaal ook het beste is. Vandaar dat het materiële onmiddellijkheidsbeginsel in de literatuur ook wel wordt aangeduid als het best evidence-beginsel, maar dan voor alle soorten bewijsmateriaal.5 Schriftelijk opgetekende verklaringen uit het vooronderzoek worden vanuit dat perspectief aangeduid als bewijssurrogaten. In deze term ligt al besloten dat niet-origineel bewijsmateriaal – dus bewijsmateriaal dat op middellijke wijze wordt overgebracht (bijvoorbeeld in de vorm van een proces-verbaal) – wordt gezien als inferieur ten opzichte van bewijsmateriaal dat wel rechtstreeks door de informant zelf is overgebracht. Er zijn evenwel genoeg situaties denkbaar waarin de in een proces-verbaal opgetekende verklaring een meer waarheidsgetrouwe lezing geeft van het gebeurde dan de ter terechtzitting afgelegde verklaring. De vraag kan worden opgeworpen of de voornoemde aannamen kloppen, in de zin dat het meest originele bewijsmateriaal ook het beste bewijs is en rechtstreekse kennisname inderdaad de accuratesse van de beslissing van de oordelende rechter (of jury) ten goede komt.6