Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.7.6:5.7.6 Nieuwe invulling van het begrip rechtsgrond
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.7.6
5.7.6 Nieuwe invulling van het begrip rechtsgrond
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS492736:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 5.5 heb ik onderzocht wat een wenselijke invulling is van het vereiste ‘zonder rechtsgrond’ die aansluit bij de hierboven uitgewerkte ruimere invulling van het begrip betaling. Ik meen dat het wenselijk is dat een andere invulling wordt gegeven aan het begrip rechtsgrond die dergelijke beschermingsconstructies overbodig maakt. Daarvoor is naar mijn mening nodig dat wordt gelet op zowel (i) het perspectief van de presterende partij als (ii) het perspectief van de ontvangende partij.
De reden waarom moet worden gelet op het perspectief van de presterende partij, is dat als een rechtvaardiging voor het verrichten van de prestatie bestaat, de presterende partij geen belang heeft bij de vordering uit onverschuldigde betaling. In veel gevallen zal de presterende partij het ook niet op prijs stellen om betrokken te raken in de afwikkeling van een gebrekkige rechtsverhouding waarbij hij geen partij is. Daarentegen dient de presterende partij wel een vordering uit onverschuldigde betaling te hebben als hij zonder geldige reden een prestatie heeft verricht.
Ook op het perspectief van de ontvanger moet worden gelet. De ontvanger van een prestatie heeft in veel meerpartijenverhoudingen geen inzicht in de al dan niet bestaande rechtsverhouding die voor de presterende partij aanleiding is om een prestatie te verrichten. De ontvanger kan echter vaak wijzen op een goede reden waarom hij de prestatie zou mogen behouden. Stel bijvoorbeeld dat A ten onrechte meent een schuld te hebben aan B en dat B een schuld heeft aan C. In opdracht van B verricht A een prestatie aan C. C is op grond van artikel 6:58 verplicht de prestatie te aanvaarden die A als (klaarblijkelijke) hulppersoon van B verricht. Als A achter zijn vergissing komt, dient C daarom niet verplicht te zijn de prestatie terug te geven aan A (of B).1
Ik meen dat de vraag of een rechtvaardiging voor een prestatie bestaat, moet worden opgesplitst in twee deelvragen zodat beide perspectieven worden meegenomen. De eerste deelvraag moet volgens mij luiden: bestaat een rechtvaardiging voor het verrichten van de prestatie? De tweede deelvraag moet mijns inziens luiden: bestaat een rechtvaardiging voor het behouden van de prestatie?
Voor de invulling van het begrip ‘rechtvaardiging’ in deze twee vragen kan worden aangesloten bij de heersende leer.2 Een rechtvaardiging voor het verrichten van de prestatie bestaat als daarvoor een geldige reden aanwezig is. Het gaat daarbij niet per se om een verplichting om te presteren. Bijvoorbeeld, B en C spreken af dat als B een prestatie verricht, C een tegenprestatie moet verrichten. B is niet verplicht om te presteren. Als hij desondanks ervoor kiest om door middel van A te presteren aan C, bestaat daarvoor een rechtvaardiging.
Ook het enkele feit dat de overeenkomst bestaat die voor de betaler reden is geweest om te presteren, is niet maatgevend. In gevallen waarin een opdracht is gegeven, dient zowel de opdracht als de onderliggende rechtsverhouding geldig te zijn. Stel dat schuldenaar A per vergissing meent een opdracht te hebben ontvangen van B, die wederpartij is bij het contract AB. De opdracht luidt dat A aan C dient te presteren. A verricht de prestatie omdat hij de overeenkomst AB wil nakomen, maar aangezien de opdracht ontbreekt, vormt deze overeenkomst geen rechtvaardiging voor het verrichten van A’s prestatie aan C.
Evenzo bestaat een rechtvaardiging voor het behouden als er een feit is dat verklaart waarom de ontvanger de prestatie mag behouden. Bijvoorbeeld, B en C spreken opnieuw af dat als B een prestatie verricht, C een tegenprestatie moet verrichten. C heeft geen vorderingsrecht tot nakoming jegens B. Echter, als B presteert door middel van A, bestaat een rechtvaardiging voor het behouden van de prestatie, zelfs als de overeenkomst AB achteraf gebrekkig blijkt.
In tweepartijenverhoudingen is het antwoord op de twee deelvragen gelijk. Als een rechtvaardiging bestaat (of ontbreekt) voor het verrichten van de prestatie, bestaat (of ontbreekt) ook een rechtvaardiging voor het behouden van de prestatie.
In meerpartijenverhoudingen is dat echter niet altijd het geval. Als een rechtvaardiging ontbreekt voor het verrichten van de prestatie, kan de presterende partij terugvorderen. Als hij een van de betrokken ontvangers aanspreekt, en het antwoord op de tweede deelvraag luidt dat een rechtvaardiging bestaat voor het behouden van de prestatie die deze ontvanger heeft gekregen, dan kan de prestatie niet worden teruggevorderd van déze ontvangende partij. In dat geval is er een andere ontvangende partij die niet kan wijzen op een rechtvaardiging voor het behouden van de prestatie die hij heeft ontvangen. Díe ontvangende partij moet dan de prestatie afstaan.