Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/7.4:7.4 Conclusie
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/7.4
7.4 Conclusie
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS459445:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is het object van vertrouwen als dimensie van het vertrouwensbeginsel besproken. Het vertrouwen kan zich richten op gedragingen, beweringen en de naleving van verplichtingen. Doorgaans vertonen deze raakvlakken of zelfs overlap. In het inleidende hoofdstuk van dit boek is het doel van de interstatelijke samenwerking in strafzaken geformuleerd als het vergemakkelijken, vervolledigen, eerlijker maken dan wel mogelijk maken van een afgeronde strafrechtelijke procedure in de ene staat door het verlenen van bijstand door de andere staat op een of meer van de hoofdonderdelen van de strafprocedure, te weten de opsporing, de vervolging, de berechting of de tenuitvoerlegging van een sanctie. Deze bijstand op een of meer hoofdonderdelen van de strafprocedure is veelal, maar niet altijd, een gedraging waar het vertrouwen zich op richt. Dit maakt dat zonder dit aspect van het object van het vertrouwen de kern van de aan samenwerking ten grondslag liggende taakverdeling komt te vervallen.
In die zin kan worden gezegd dat gedragingen als object van het vertrouwen zien op die taakverdeling. Het vertrouwen dat zich richt op beweringen ziet in veel gevallen op het verzoek en hetgeen daarin is opgenomen. Het rechtshulpverzoek is te zien als de katalysator van de samenwerking. Met het verzoek vangt de samenwerking aan en komt deze tot stand. Ook deze vorm van vertrouwen is dus noodzakelijk voor een succesvolle samenwerking, maar minder als intrinsiek noodzakelijk gegeven, en eerder als condicio sine qua non.
De derde categorie objecten van vertrouwen, de naleving van verplichtingen, ziet in het bijzonder op het kader van de interstatelijke samenwerking. In veel gevallen is dat vertrouwen niet zozeer noodzakelijk om het doel van samenwerking te bereiken, maar wel om te voldoen aan de daaraan gestelde randvoorwaarde, namelijk van een behoorlijke strafrechtspleging. Deze randvoorwaarde werkt als algemene voorwaarde voor de strafrechtelijke procedure door in de samenwerking.
Het belang van het hier gemaakte onderscheid, dat – als gezegd – in de praktijk doorgaans niet haarscherp is te maken, maar als archetype wel kan worden aangehouden, schuilt vooral in het volgende. Ook als de hier geschetste objecten van vertrouwen – gedragingen, beweringen en de naleving van verplichtingen – samenvallen of overlappen, kan aan de hand van deze indeling aan elk van deze drie objecten van het vertrouwen nadere invulling worden gegeven. Degene die het vertrouwen heeft te hanteren, of dat nu de wetgever in abstracto is dan wel de rechter, het bestuur of de verdediging in concreto, kan nagaan op welke gedraging precies wordt vertrouwd, welke beweringen daarbij exact een rol spelen en welke verplichtingen daarbij in het geding zijn. De combinatie van die drie stelt de partij die eventueel uit heeft te gaan van vertrouwen in staat om te bepalen wie op welke wijze waarvoor verantwoordelijk is of kan worden gehouden. Draait het allemaal om de rechter of speelt het Openbaar Ministerie, de politie of het bestuur ook een rol bij de verdere afhandeling van een strafzaak? Welke beweringen spelen een rol en van wij zijn die afkomstig? Zijn die beweringen de uitkomst van een eerdere gedraging, bijvoorbeeld een berechting, en zo ja, welke functionaris was daarbij betrokken? Aan welke verplichtingen was of is die functionaris gebonden, heeft hij het in zijn macht om die verplichting na te leven en acht hij zich daartoe ook gehouden? Deze vragen kunnen zowel in abstracte als in concrete gevallen tegen de achtergrond van een bepaald feitencomplex worden opgeworpen en beantwoord.
Ter afsluiting illustreer ik dit met een concreet voorbeeld dat het belang van deze materie kan verduidelijken en daarvoor kies ik de casus van uitlevering ter fine van executie, terwijl de verdachte bij verstek is veroordeeld. De uitleveringsrechter in de aangezochte staat zal zich geconfronteerd zien met een verweer aangaande die verstekveroordeling: de verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte in absentia is veroordeeld en dat dit tot weigering van de verzochte uitlevering moet leiden. De in dit hoofdstuk geboden inzichten kunnen de uitleveringsrechter helpen een antwoord te vinden op dit probleem.
Hij kan allereerst nagaan of het verdrag een bepaling kent aangaande verstekveroordelingen en als dat zo is, wat die precies behelst. Kan een toezegging worden verlangd dat de verdachte een rechtsmiddel kan aanwenden, en zo ja, wie verlangt en verleent die toezegging? Of biedt het verdrag zelf al de garantie dat een rechtsmiddel openstaat door te bepalen dat onder bepaalde omstandigheden de opgeëiste persoon simpelweg een rechtsmiddel kan aanwenden? In beide gevallen kan de vervolgvraag worden gesteld wie verantwoordelijk is voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het rechtsmiddel. Dat zal bijvoorbeeld de rechter in hoger beroep zijn. Als die zich in de praktijk niet gebonden acht aan een toezegging, of die toezegging zo interpreteert dat daarin impliciet als voorwaarde is gesteld dat de casus aan nationaalrechtelijke vereisten voor verstekbehandeling voldoet, dan kan de uitleveringsrechter dat bij zijn oordeel betrekken en tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering besluiten of, bijvoorbeeld via de minister, aanvullende garanties of verduidelijking vragen. Bij een verdragsrechtelijk gegarandeerd rechtsmiddel kan ook bij de afweging worden betrokken hoe in de verzoekende staat volkenrechtelijke verplichtingen doorwerken en hoe de rechter in die staat met dergelijke verplichtingen omspringt.
Al met al kan de uitleveringsrechter in dit voorbeeld tot een eindoordeel komen over in wezen de waarschijnlijkheid dat de opgeëiste persoon werkelijk in verzet of hoger beroep kan gaan. En hoewel dit voorbeeld redeneert vanuit de (uitleverings)rechter kan het eenvoudig worden vertaald naar de rol die de verdediging of het bestuur in dezen hebben, maar ook naar de vragen die de wetgever of verdragsluiter in abstracto onder ogen moet zijn bij het formuleren van verdragsbepalingen en het vertalen van verdragsbepalingen in nationale wetgeving.