Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/6.3.1
6.3.1 Algemeen
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491086:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 581, 583; Asser/Perrick 3-V 2019/14; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/415; Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht (SBR 2) 2017/218.
Anders: Vonck 2016, p. 82-83. Volgens hem zijn alleen de onverdeelde aandelen (breukdelen) in de gemeenschap bepalend. Hij motiveert dat niet.
Aangenomen dat de redelijkheid en billijkheid geen verandering brengen in de rechten en verplichtingen van de deelgenoten.
Aangenomen dat de redelijkheid en billijkheid geen verandering brengen in de rechten en verplichtingen van de deelgenoten.
Heyman, Bartels & Tweehuysen 2019/66; Asser/Perrick 3-V 2019/14, 31.
61. De wet geeft in bepaalde gevallen een bijzondere regeling voor de rechten en verplichtingen van de deelgenoten. Bijvoorbeeld bij de huwelijksgemeenschap (o.a. art. 1:90 en 1:97 BW), de splitsing in appartementsrechten (titel 5.9 BW) en bij mandelige zaken (titel 5.5 BW).
Bij een goed dat behoort tot een gemeenschap waarop titel 3.7 BW van toepassing is, kunnen de deelgenoten – binnen de grenzen die de wet stelt – bij overeenkomst afspraken maken omtrent het genot, gebruik en beheer van dat goed (art. 3:168 lid 1 BW), en over de betaling van schadevergoeding (art. 3:188 BW). Een dergelijke beheersregeling heeft goederenrechtelijke werking.1 Rechtsopvolgers van de deelgenoten zijn aan de regeling gebonden (art. 3:168 lid 4 BW). Perrick spreekt treffend van ‘statuten van de gemeenschap’.2
Dergelijke wettelijke regelingen en beheersregelingen zijn daarom van belang voor de vaststelling welke rechten en verplichtingen de deelgenoten hebben met betrekking tot een gemeenschappelijk goed. De regelingen kleuren hun rechten en verplichtingen in. Daarom zijn de regelingen van betekenis voor de vraag of een eigenaar een beperkt recht op zijn eigen zaak kan hebben.3
Enkele voorbeelden. A en B hebben ieder een onverdeeld aandeel van de helft in een recht van erfpacht op een zaak. Zij zijn ook ieder voor de helft gerechtigd tot de eigendom van die zaak. A en B zijn een beheersregeling overeengekomen voor de erfpacht; voor de eigendom is er geen beheersregeling. Op grond van de beheersregeling voor de erfpacht, is A exclusief gerechtigd de zaak te gebruiken. Vanwege de beheersregeling blijft de erfpacht voortbestaan. A heeft daar belang bij. Op grond van de beheersregeling voor de erfpacht, heeft hij meer rechten over de bezwaarde zaak dan op grond van zijn eigendomsrecht.4
Een tweede voorbeeld. A heeft een onverdeeld aandeel van een kwart in een recht van vruchtgebruik. B heeft een onverdeeld aandeel van driekwart. A en B zijn in een beheersregeling overeengekomen dat hun rechten en verplichtingen met betrekking tot het vruchtgebruik gelijk zijn (alsof zij ieder een onverdeeld aandeel van de helft hebben). Het vruchtgebruik gaat door vermenging teniet, als zij ook ieder voor de helft een onverdeeld aandeel in de blote eigendom verkrijgen, en voor de gemeenschap van de blote eigendom geen beheersregeling geldt.5 Dan hebben A of B geen belang bij het vruchtgebruik.
Een derde voorbeeld. A en B hebben ieder een onverdeeld aandeel van de helft in een recht van erfpacht. A is enig eigenaar van de bezwaarde zaak. A en B zijn in een beheersregeling overeengekomen dat A alle rechten en verplichtingen heeft ten aanzien van de erfpacht. De erfpacht gaat niet door vermenging teniet, ondanks dat A volgens de beheersregeling alle rechten en verplichtingen ten aanzien van de erfpacht heeft. Reden daarvoor is dat met een beheersregeling niet alle rechten en verplichtingen bij een deelgenoot kunnen worden neergelegd. De bevoegdheden van B die voortvloeien uit art. 3:170 lid 3 BW, kunnen niet in een beheersregeling worden toegekend aan A.6 B zal onder andere nog steeds moeten meewerken aan een vervreemding of bezwaring van de erfpacht.