Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/X.3.1
X.3.1 Jaarrekeningprocedure
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178702:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitvoerig Assink/Slagter 2013 (Deel 2), § 142.4, p. 2704.
Zie Assink/Slagter 2013 (Deel 2), § 142.4, p. 2704, Beckman 2014, p. 1050, Asser/Maeijer & Kroeze (Beckman) 2-I* 2015/589 en Hezer & De Vries 2019, p. 88.
Zie ook Storm 2018, p. 707-708.
OK 14 april 1977, NJ 1978/441 (Sekisui), OK 14 april 1977, NJ 1978/442, m. nt. Maeijer (Homburg), OK 29 november 1979, NJ 1980/632 (Sijthoff) en HR 26 maart 1980, NJ 1980/630, m.nt. Maeijer onder 631 (Pakhoed I), rov. 7.1.
HR 22 februari 1989, NJ 1991/183, m.nt. Maeijer (Nijhuis), rov. 3.1-3.2, HR 10 februari 2006, NJ 2006/241, m.nt. Maeijer, JOR 2006/94, m.nt. Van der Zanden (KPN), rov. 6.3 en OK 3 juni 2009, ARO 2009/147 (Currency), rov. 3.7.
Zie OK 17 december 2008, ARO 2009/12 (Raadhuis Advies), rov. 3.5.
Zie § 2.1 en vgl. HR 24 april 2009, NJ 2009/345, m.nt. Van Schilfgaarde (Spyker), rov. 3.4.2, waar de Hoge Raad de discretie van de Ondernemingskamer bij het geven van een bevel onderstreept.
HR 22 februari 1989, NJ 1991/183, m.nt. Maeijer (Nijhuis), rov. 3.1-3.2.
Ingevolge art. 2:447 lid 2 BW strekt de jaarrekeningprocedure ertoe de jaarrekening en de bijbehorende stukken in overeenstemming te brengen met de jaarrekeningtitel van Boek 2 BW, de IFRS-verordening en, indien van toepassing, de Wet op het financieel toezicht.1 In twee opzichten beperkt dit de door de Ondernemingskamer aan te leggen toets.
In de eerste plaats kan de Ondernemingskamer niet toetsen aan elders opgenomen normen. Buiten beeld moeten bijvoorbeeld blijven het ten onrechte niet toepassen of ontwijken van het structuurregime (art. 2:153/263 BW) en het nietondertekenen van de jaarrekening (art. 2:101/210 lid 2 BW).2 In de tweede plaats moet de Ondernemingskamer zich beperken tot de inrichting van de stukken, oftewel tot de materiële jaarrekeningvoorschriften.3 Het gaat erom dat de stukken een getrouw beeld schetsen van de toestand van de rechtspersoon en aldus het vereiste inzicht verschaffen (art. 2:362 BW). Zo blijft het verzuimen van openbaarmaking (art. 2:394 BW) buiten beschouwing.4 De Ondernemingskamer moet zich onthouden van een oordeel over de werkelijkheid achter de jaarrekening5 en heeft de beoordelingsvrijheid van de ondernemingsleiding vergaand te respecteren.6 Dat de Ondernemingskamer zich weleens bereid heeft getoond om – waar dat ‘onmiskenbaar’ is – een jaarrekeningpost op zijn juridische merites te beoordelen,7 staat hiermee op gespannen voet. Juist nu de Ondernemingskamer binnen de jaarrekeningprocedure veel beoordelingsvrijheid toekomt,8 moeten de buitengrenzen van die procedure strak worden getrokken. Oneigenlijke jaarrekeningprocedures passen niet in het wettelijke systeem.
De aandeelhouder wiens gedroomde dividend vervliegt als gevolg van een extravangante post reserveringen op de jaarrekening, vangt dus bot bij de Ondernemingskamer. De omvang van een post ligt in de jaarrekeningprocedure niet ter toetsing voor.9 Achteraf kan hij een aansprakelijkheids- of mogelijk een enquêteprocedure entameren. In welke gevallen kan de aandeelhouder het besluit van tafel krijgen via art. 2:14 of 2:15 BW?