HR, 18-10-2024, nr. 23/03444, nr. 23/03445, nr. 23/03793
23/03444, 23/03445, 23/03793
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-10-2024
- Zaaknummer
23/03444
23/03445
23/03793
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1471, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑10‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:787
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:768
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:1407
ECLI:NL:HR:2024:1473, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑10‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:778
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:787
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBROT:2023:7845
ECLI:NL:HR:2024:1354, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑10‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:776
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:1406
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:787
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑10‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:768, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑07‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1471
ECLI:NL:PHR:2024:778, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑07‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1473
ECLI:NL:PHR:2024:776, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑07‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1354
ECLI:NL:PHR:2024:787, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑07‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1471
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1354
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1473
- Vindplaatsen
NTFR 2024/1701
Viditax (FutD) 2024101802
FutD 2024-2188
NTFR 2024/1702
NLF 2024/2349 met annotatie van Peter van der Muur
Viditax (FutD) 2024101802
FutD 2024-2188
NDFR Nieuws 2024/1705
Sdu Nieuws Belastingzaken 2024/1203
NTFR 2024/1700 met annotatie van A. Oosters Bec
NLF 2024/2348 met annotatie van Peter van der Muur
V-N 2024/48.18 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD) 2024101802
FutD 2024-2188
FED 2024/126 met annotatie van R.H. Kastelein
Belastingblad 2025/7 met annotatie van G. GROENEWEGEN
BNB 2025/22 met annotatie van A.W. Schep
NDFR Nieuws 2024/1317
NLF 2024/1875
NTFR 2024/1360 met annotatie van A. Oosters Bec
Viditax (FutD) 2024080207
FutD 2024-1707
NLF 2024/1849 met annotatie van Peter van der Muur
NTFR 2024/1363
Viditax (FutD) 2024080207
FutD 2024-1707
NLF 2024/1850 met annotatie van Peter van der Muur
NTFR 2024/1362
V-N 2024/38.14 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD) 2024080207
FutD 2024-1707
NLF 2024/1848 met annotatie van Peter van der Muur
NTFR 2024/1361
Uitspraak 18‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Onroerendezaakbelastingen; artikel 220, aanhef en letter a, van de Gemeentewet; staan coronamaatregelen in de weg aan gebruik?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/03444
Datum 18 oktober 2024
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DEN HAAG
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 juli 2023, nr. BK-22/011551., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/5036) betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Den Haag voor het jaar 2021.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door Z.H. van Dorth tot Medler, advocaat te Den Haag, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak mondeling doen toelichten door Z.H. van Dorth tot Medler.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 19 juli 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.2.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van de klachten
De klachten falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 23/03445, ECLI:NL:HR:2024:1354.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, J. Wortel, M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑10‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:768, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2024:787.
Uitspraak 18‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Onroerendezaakbelastingen; artikel 220, aanhef en letter a, van de Gemeentewet; staan coronamaatregelen in de weg aan gebruik?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/03793
Datum 18 oktober 2024
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE REGIONALE BELASTING GROEP
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 24 augustus 2023, nr. ROT 22/55951., betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Schiedam voor het jaar 2022.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door K.A.G.M. Domen, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Regionale Belasting Groep, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 19 juli 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.2.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van de middelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).3.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, J. Wortel, M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑10‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:778, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2024:787.
Vgl. HR 18 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1354.
Uitspraak 18‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Onroerendezaakbelastingen; artikel 220, aanhef en letter a, van de Gemeentewet; staan coronamaatregelen in de weg aan gebruik?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/03445
Datum 18 oktober 2024
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DEN HAAG
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 juli 2023, nr. BK-22/011541., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/5032) betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Den Haag voor het jaar 2021.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door Z.H. van Dorth tot Medler, advocaat te Den Haag, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak mondeling doen toelichten door Z.H. van Dorth tot Medler.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 19 juli 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.2.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
De heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag (hierna: de heffingsambtenaar) heeft ten aanzien van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de onroerende zaak) voor het jaar 2021 een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor gebruikers opgelegd (hierna: de aanslag).
2.2
Belanghebbende huurt de onroerende zaak en exploiteert daarin een sportschool met aanverwante activiteiten (hierna: de sportschool).
2.3
Als gevolg van coronamaatregelen was de sportschool in de periode van 15 december 2020 tot en met 19 mei 2021 van overheidswege gesloten. Gedurende deze periode zijn in de sportschool minimale schoonmaakwerkzaamheden verricht.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende de onroerende zaak op 1 januari 2021 gebruikte in de zin van artikel 220, letter a, van de Gemeentewet.
3.2
Belanghebbende heeft zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat op 1 januari 2021 geen sprake was van gebruik van de onroerende zaak in de zin van die bepaling. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de sportschool als gevolg van coronamaatregelen in de periode van 15 december 2020 tot en met 19 mei 2021 gesloten was, waardoor het voor belanghebbende niet mogelijk was de onroerende zaak aan te wenden in overeenstemming met de beoogde bestemming, namelijk als sportschool. Reeds daardoor kan geen sprake zijn van gebruik in de zin van artikel 220, letter a, van de Gemeentewet, aldus belanghebbende.
3.3.1
Het Hof heeft dit betoog verworpen. Het achtte niet doorslaggevend dat het door coronamaatregelen gedurende een bepaalde periode niet mogelijk was om de onroerende zaak voor de beoogde commerciële activiteiten te gebruiken.
3.3.2
Het Hof heeft vervolgens in aanmerking genomen dat belanghebbende toegang had tot de onroerende zaak en dat de onroerende zaak in afwachting van de heropening steeds volledig bleef ingericht als sportschool. Daarnaast heeft het Hof in aanmerking genomen dat tijdens de verplichte sluiting minimale schoonmaakwerkzaamheden zijn uitgevoerd. Hieruit volgt naar het oordeel van het Hof dat belanghebbende de onroerende zaak steeds bewust voor zichzelf ter beschikking heeft gehouden met de intentie deze weer te exploiteren als sportschool zodra dit mogelijk is. Belanghebbende heeft de onroerende zaak dus, zij het beperkt, metterdaad gebezigd ter bevrediging van haar behoeften. Dat op 1 januari 2021 geen schoonmaakwerkzaamheden zijn uitgevoerd, maakt dit niet anders, aldus het Hof.
3.4
Volgens het Hof heeft de heffingsambtenaar belanghebbende daarom terecht aangemerkt als gebruiker op 1 januari 2021 in de zin van artikel 220, letter a, van de Gemeentewet en haar terecht de aanslag opgelegd.
4. Beoordeling van de klachten
4.1.1
De eerste klacht richt zich tegen de hiervoor in 3.3.1 en 3.4 weergegeven oordelen van het Hof. De klacht betoogt dat zich geen gebruik in de zin van artikel 220, letter a, van de Gemeentewet kan voordoen indien een onroerende zaak als gevolg van coronamaatregelen niet kan worden gebruikt voor de bestemming waarvoor de belanghebbende deze aanhoudt, in dit geval als sportschool.
4.1.2
De tweede klacht richt zich tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende de onroerende zaak op 1 januari 2021, gelet op de hiervoor in 3.3.2 vermelde omstandigheden, gebruikte in de zin van artikel 220, letter a, van de Gemeentewet.
4.2
Bij de beoordeling van deze klachten stelt de Hoge Raad het volgende voorop.
4.2.1
Op grond van artikel 220, aanhef en letter a, van de Gemeentewet kan een onroerendezaakbelasting worden geheven van degenen die bij het begin van het kalenderjaar onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen, gebruiken.
4.2.2
Onder gebruiken in de zin van deze wetsbepaling dient te worden verstaan: het metterdaad bezigen van de onroerende zaak ter bevrediging van eigen behoeften. Een verhindering de onroerende zaak overeenkomstig zijn aard en inrichting te gebruiken, brengt niet zonder meer mee dat niet langer sprake is van gebruik in de hierboven bedoelde betekenis.3.
4.2.3
Volgens artikel 220, letter a, van de Gemeentewet is de situatie aan het begin van het kalenderjaar (de peildatum) beslissend. Dat betekent echter niet dat kan worden volstaan met een momentopname. Bij beantwoording van de vraag of de onroerende zaak op de peildatum wordt gebruikt als hiervoor bedoeld in 4.2.2, geldt als maatstaf of sprake is van duurzaam gebruik. Dit brengt mee dat op de peildatum duurzaam gebruik redelijkerwijs te verwachten moet zijn. De omstandigheid dat het gebruik op de peildatum tijdelijk is onderbroken staat daarom niet eraan in de weg dat die zaak op dat moment wordt gebruikt in de zin van artikel 220, letter a, van de Gemeentewet.4.Zoals weergegeven in onderdeel 5.18 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal, is voor het vaststellen van gebruik op de peildatum dan ook niet noodzakelijk dat op die datum gebruikshandelingen plaatsvinden. Ook de omstandigheid dat de onroerende zaak door degene die haar ter beschikking heeft naar verwachting niet het gehele jaar zal worden gebruikt, staat niet in de weg aan de vaststelling van duurzaam gebruik op de peildatum. Dit geldt eveneens in geval van een tijdelijk verbod om de onroerende zaak te gebruiken.
4.3
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de omstandigheid dat een onroerende zaak niet kan worden gebruikt voor de bestemming waarvoor de belanghebbende deze aanhoudt, in dit geval als sportschool, niet in de weg staat aan het oordeel dat die zaak wordt gebruikt in de zin van artikel 220, letter a, van de Gemeentewet. De eerste klacht berust op de opvatting dat die omstandigheid zonder meer aan dergelijk gebruik in de weg staat, in ieder geval indien die omstandigheid het gevolg is van coronamaatregelen. Die opvatting is in haar algemeenheid onjuist. De klacht faalt daarom.
4.4
Voor zover de tweede klacht zich richt tegen de vaststelling door het Hof van de hiervoor in 3.3.2 vermelde omstandigheden, gaat het om feitelijke oordelen die in cassatie niet op hun juistheid kunnen worden getoetst en die naar behoren zijn gemotiveerd. In zoverre faalt de klacht. De klacht faalt eveneens voor zover deze zich richt tegen het oordeel van het Hof dat onder die omstandigheden sprake was van gebruik in de zin van artikel 220, letter a, van de Gemeentewet. Dat oordeel geeft, gelet op hetgeen hiervoor in 4.2 is vooropgesteld, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
5. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, J. Wortel, M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑10‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:776, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2024:787.
Vgl. HR 5 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2715.
Vgl. HR 29 april 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9568.
Beroepschrift 18‑10‑2024
Edelhoogachtbare Dames en Heren,
1.
In voornoemde cassatieprocedure gaat [X] als belanghebbende hierbij over tot aanvulling van haar eerder ingediende beroepschrift in cassatie met gronden. De gronden luiden als volgt.
Inleiding
2.
Onderhavige cassatie heeft betrekking op de onroerendezaakbelasting opgelegd aan gebruikers van onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot bewoning dienen, zoals geregeld in art. 220 aanhef en sub a) Gemeentewet alsmede in art. 1 en 2, lid 1 aanhef en onder a Verordening onroerendezaakbelastingen Den Haag 2021.
3.
De gebruikersbelasting is ingevolge art. 220 aanhef en sub a) Gemeentewet verschuldigd door de gebruiker die de onroerende zaak ‘bij het begin van het kalenderjaar’ in gebruik heeft. In onderhavige zaak waar het de onroerendezaakbelasting van 2021 betreft, is aldus de situatie per 1 januari 2021 bepalend.
4.
Relevant zijn de navolgende — in vorige instanties onweersproken — feiten. Belanghebbende is huurder van de onroerende zaak waarop de aanslag onroerendezaakbelasting betrekking heeft. Daarin exploiteert zij een sportschool. Per 1 januari 2021 was deze sportschool op last van de overheid — in het kader van de maatregelen rondom het coronavirus — gesloten. Die sluiting heeft van 14 december 2020 tot 19 mei 2021 voortgeduurd. Gedurende deze sluiting was het belanghebbende niet toegestaan om klanten en leden te ontvangen. Op de peildatum waarop de onroerendezaakbelasting verschuldigd was (1 januari 2021), was het voor belanghebbende aldus niet mogelijk de onroerende zaak te exploiteren.
5.
Volgens vaste rechtspraak1. dient onder het begrip ‘gebruik’ als genoemd in art. 220 aanhef en sub) Gemeentewet te worden verstaan: ‘het metterdaad bezigen van de onroerende zaak ter bevrediging van de eigen behoefte’ (HR 5 september 1979, ECLI:NL:HR: 1979:AX2715, BNB 1979/268). Dit betekent dat er sprake moet zijn van het beschikken over de onroerende zaak voor de eigen gebruiksdoeleinden. De enkele omstandigheid dat de onroerende zaak aan belanghebbende ter beschikking stond, is op zichzelf onvoldoende om haar als gebruiker in de zin van artikel 220, aanhef en letter a, Gemeentewet te kunnen aanmerken (HR 22 juli 1985, ECLI:NL:HR: 1985:BH 1705, BNB 1985/258 en HR 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0250, BNB 2012/60). De Gemeentewet vereist niet dat het gebruik van de onroerende zaak zonder beperking moet zijn (Gerechtshof Amsterdam 22 oktober 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4632).
6.
Ten aanzien van belanghebbende is in de bestreden uitspraak door het Gerechtshof Den Haag (hierna het ‘hof’) ten onrechte geoordeeld dat er op 1 januari 2021 sprake was van gebruik. Omdat geen sprake is van gebruik op voornoemde datum, is er geen sprake van een heffingsgrondslag voor de onroerendezaakbelasting en dient het besluit tot heffing gericht aan belanghebbende te worden vernietigd. Voornoemde ligt belanghebbende hieronder nader toe.
Eerste klacht: geen sprake van gebruik omdat beoogd gebruik niet was toegestaan
7.
Belanghebbende stelt voorop dat zij als huurder de onroerende zaak huurt voor het gebruik als sportschool. Met oog daarop heeft belanghebbende het in gebruik genomen — deze bestemming is ook als zodanig in de huurovereenkomst opgenomen — en met oog op dat gebruik wordt de onroerende zaak door belanghebbende aangehouden. Dat gebruik was gedurende de sluitingsmaatregel in het kader van het coronavirus niet toegestaan. Belanghebbende stelt dat aan de kwalificatie van gebruik in de zin van art. 220 aanhef en sub a) Gemeentewet in de weg staat dat de onroerende zaak niet kan worden gebruikt voor de bestemming waarvoor de gebruiker deze aanhoudt, zoals in het geval van ontbrekende toestemming vanuit de overheid. Deze opvatting vindt steun in het recht, waarvoor belanghebbende verwijst naar het onderstaande.
8.
Uit de rechtspraak volgt dat in het geval bouwpercelen worden aangehouden, geen onroerendezaakbelasting is verschuldigd zolang geen bouwvergunning aan de belanghebbende2. is verstrekt, oftewel de bouw als beoogt gebruik niet is toegestaan:
Zie HR 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0250, Belastingblad 1998, p. 878, m. nt. J.P.Kruimel, r.o. 3.3:
‘Het middel dat zich tegen dit oordeel richt, slaagt. Als gebruiker van een onroerende zaak in de zin van artikel 220, aanhef en letter a, van de Gemeentewet kan worden aangemerkt degene die de zaak metterdaad bezigt ter bevrediging van zijn behoeften (vgl. HR 7 oktober 1998, nr. 33767, UN AA2318, BNB 1999/5). Daarvan is geen sprake in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende sedert de verwerving van percelen bouwgrond op of aan de onroerende zaak zelf nog in het geheel geen werkzaamheden heeft verricht en deze slechts aanhoudt in afwachting van het definitief vaststaan van de voor de voorgenomen bouwactiviteiten vereiste vergunningen. De enkele omstandigheid dat de onroerende zaak intussen aan belanghebbende ter beschikking stond is op zichzelf onvoldoende om belanghebbende als gebruiker in voormelde zin te kunnen aanmerken (vgl. HR 22 juli 1985, nr. 22649, BNB 1985/258).’
Zie voorts de uitspraak van Rechtbank Breda 4 juli 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BX7596, Belastingblad 2012/561 waarin een belanghebbende voor de onroerendezaakbelasting geheven voor een bouwperceel, met verwijzing naar voornoemd arrest, is vrijgesteld van onroerendezaakbelasting omdat op de peildatum nog geen bouwvergunning voorhanden was.
9.
Voornoemde laat onverlet dat er andere situaties zijn waarin een belanghebbende niets doet met zijn onroerende zaak, maar waarbij het wel juist is dat de heffingsambtenaar gebruikersbelasting heft. Dit is bijvoorbeeld het geval bij bospercelen, waarbij aan de hand van de aard van het object heeft te gelden dat het feitelijk niets doen met de onroerende zaak wél als gebruik kan worden beschouwd:
Hof 's‑Hertogenbosch 31 augustus 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3700, Belastingblad 2019/29, m. nt. S. Kapoerchan r.o. 4.3:
‘Belanghebbende is eigenaar van de bospercelen. Zij heeft — binnen de geldende wet- en regelgeving — niet alleen de bevoegdheid om over de bospercelen te beschikken, maar zij heeft deze percelen naar het oordeel van het Hof ook daadwerkelijk metterdaad gebezigd ter bevrediging van haar behoeften (vergelijk Hoge Raad 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0250). Het Hof heeft bij dat oordeel in aanmerking genomen dat om vast te stellen of sprake is van gebruik in de zin artikel 220, aanhef en onder a) van de Gemeentewet — en daarmee in de zin van de Verordeningen — de aard van het object van belang is. Het metterdaad bezigen van een woonhuis of een perceel bouwterrein hoeft niet hetzelfde te zijn als het metterdaad bezigen van een bosperceel. De mogelijkheid van belanghebbende om het bosperceel te gebruiken naar ziin bestemming is voldoende om te worden aanoemerkt als gebruiker in de zin van artikel 220. aanhef en onder a, van de Gemeentewet. Dat van die mogelijkheid feitelijk geen gebruik wordt gemaakt, doet daaraan, evenals de onmogelijkheid om op die percelen bouwwerken op te richten, niet af.’
[onderstreping toevoeging gemachtigde belanghebbende]
10.
Voornoemde wordt niet anders doordat eerder is geoordeeld dat de Gemeentewet niet vereist dat het gebruik van de onroerende zaak zonder beperking moet zijn (Gerechtshof Amsterdam 22 oktober 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4632), welke uitspraak in de bestreden uitspraak is aangehaald (r.o. 5.4.1). In die uitspraak stond het niet beschikken van een milieuvergunning eraan in de weg dat de onroerende zaak zonder beperkingen werd gebruikt. In de zaak van belanghebbende is echter aan de orde dat de sluitingsmaatregel gebruik voor de beoogde bestemming (exploitatie van een sportschool) geheel onmogelijk maakte, oftewel is geen sprake van hoogstens een beperking in het beoogde gebruik. Uit hiervoor aangehaalde uitspraken met betrekking tot de bouwpercelen volgt dat indien het beoogde gebruik in haar geheel niet is toegestaan vanwege een ontbrekende overheidstoestemming, geen sprake is van gebruik in de zin van de art. 220 aanhef en sub a) Gemeentewet.
11.
Gelet op het voornoemde heeft het hof in het geval van belanghebbende in de bestreden uitspraak miskent dat vanwege het feit dat het vanwege de sluitingsmaatregel in het kader van het coronavirus, belanghebbende geenszins vrijstond om de onroerende zaak als sportschool te exploiteren, zijnde het beoogde gebruik en het daarmee ook niet kon bezigen voor eigen gebruik in het begin van 2021 (op de peildatum). Resumerend geldt het navolgende. Vooropgesteld wordt dat het enkel aanhouden van de onroerende zaak door belanghebbende op de peildatum op zichzelf onvoldoende is om te kunnen spreken van gebruik in de zin van artikel 220 aanhef en sub a) Gemeentewet.3. Belanghebbende houdt de onroerende zaak aan om daarin een sportschool te exploiteren. De aard van dat object veronderstelt daadwerkelijk feitelijk gebruik.4. Van dat feitelijk gebruik was begin 2021 (rondom de peildatum) geen sprake: de sportschool was gesloten voor leden en bezoekers, incasso van lidmaatschapsgelden werd gestaakt, er was geen personeel aanwezig en er werden geen werkzaamheden verricht. Aan dit feitelijke gebruik stond namelijk in de weg de sluitingsmaatregel van overheidswege, die de exploitatie niet toestond. Hier dringt zich de vergelijking op met hierboven aangehaalde uitspraken5. waarin een bouwperceel wordt aangehouden met oog op bebouwing, maar de ontbrekende overheidstoestemming (de bouwvergunning) eraan in de weg staat dat belanghebbende die onroerende zaak voor het gebruik in de zin van artikel 220 aanhef en sub a) Gemeentewet bezigt. Ten onrechte heeft het hof niet op dezelfde wijze als in die uitspraken geoordeeld dat er aan gebruik door belanghebbende nog niet wordt toegekomen zolang de daarvoor vereiste toestemming van de overheid ontbreekt. Afgaande op het voornoemde heeft het hof de bestreden uitspraak onvoldoende gemotiveerd, althans is in de bestreden uitspraak sprake van een onjuiste toepassing — en daarmee schending — van het recht.
Tweede klacht: de situatie aan de orde in de onroerende zaak rondom de peildatum kan niet worden beschouwd als gebruik als bedoeld in art. 220 aanhef en sub al Gemeentewet
12.
In de bestreden uitspraak heeft het hof ten onrechte overwogen dat belanghebbende de onroerende zaak gedurende de sluitingsperiode weliswaar niet kon gebruiken voor haar commerciële activiteiten, maar de onroerende zaak wel steeds bewust voor zichzelf ter beschikking heeft gehouden met de intentie haar weer te exploiteren als sportschool zodra dit mogelijk was (r.o. 5.5 van de bestreden uitspraak). Daarvoor verwijst het hof naar de toegang die belanghebbende tot de onroerende zaak had gedurende de sluitingsmaatregel en dat de onroerende zaak in afwachting van de heropening steeds volledig als sportschool — met de daartoe benodigde meubilair — ingericht bleef, alsmede dat tijdens de verplichte sluiting minimale schoonmaak werkzaamheden zijn uitgevoerd. Volgens het hof zou belanghebbende de onroerende zaak daarom ‘zij het beperkt, metterdaad gebezigd ter bevrediging van haar behoeften’ (r.o. 5.5.1 van de bestreden uitspraak).
13.
Voornoemd uitgangspunt van het hof miskent allereerst dat commerciële exploitatie van de sportschool het beoogde doel is waarvoor belanghebbende de onroerende zaak aanhoudt. Ander gebruik dan commerciële exploitatie dient niet dat beoogde doel en levert daarmee geen gebruik op als bedoeld in art. 220 aanhef en sub a) Gemeentewet.
14.
Verder miskent het hof dat de sluitingsmaatregel die inging op 14 december 2020, oftewel kort voor de peildatum van 1 januari 2021, voor belanghebbende onvoorzien was en voor haar redelijkerwijs niet mogelijk was daarop anders te reageren anders dan zij heeft gedaan, te weten het direct sluiten van het bedrijf, het ontzeggen van de leden en bezoekers van de toegang en het naar huis sturen van het personeel. De onroerende zaak heeft een aanzienlijk vloeroppervlak (te weten 5000 vierkante meter) waarin talrijke fitnesstoestellen zijn geplaatst, maar ook faciliteiten (zoals sauna's, stoombaden, balies, lockerkasten) die aard en nagelvast zijn geïnstalleerd. Op voornoemde datum, met de feestdagen in het vooruitzicht en de toen ook nog geldende vele andere beperkingen ter voorkoming van verspreiding van het coronavirus, waaronder het afstand houden van elkaar (anderhalve meter) en het bovengemiddelde ziekteverzuim, was het onmogelijk een verhuizing van de gehele inventaris in de onroerende zaak te organiseren zodanig dat deze rondom de peildatum (begin 2021) geheel leeg was. De situatie zoals in de onroerende zaak aan de orde begin 2021 was daarmee feitelijk een onvermijdelijke. Het hof spreekt in dat kader ten onrechte van het bewust voor zichzelf ter beschikking houden van de onroerende zaak door belanghebbende met de intentie om deze weer als sportschool te kunnen exploiteren zodra dat mogelijk was. Het woord ‘bewust’ veronderstelt dat belanghebbende een keuze had anders te handelen, welke keuze zij niet had.
15.
Daarnaast heeft het hof nagelaten te motiveren, waarom de situatie aan de orde begin 2021 gelijk te stellen zou zijn met het beoogde gebruik van de onroerende zaak, te weten exploitatie van de sportschool, zoals dat pas veel later in 2021 aan de orde was en op de peildatum begin 2021 nog geenszins voorzienbaar was. Vanwege de toen wereldwijd heersende onzekerheid over de ontwikkeling van het coronavirus was op de peildatum immers niet bekend of de sluitingsmaatregel (überhaupt) zou worden opgeheven en als die zou worden opgeheven, hoelang de sluitingsmaatregel zou voortduren. Het betrof hier immers de eerste zogenoemde ‘lockdown’, de overheidsmaatregelen werden steeds ingrijpender en ontbrak daarom een aanknopingspunt voor optimisme of relativering. Op deze heersende onzekerheid kon belanghebbende op de peildatum, hetgeen het hof — zo kan uit de bestreden uitspraak worden begrepen — ten onrechte wel als uitgangspunt neemt, met haar bedrijfsvoering niet anticiperen.
16.
Voorts veronderstelt het hof in haar overwegingen in de bestreden uitspraak ten onrechte dat belanghebbende begin 2021, gedurende de sluitingsperiode, minimale schoonmaakwerkzaamheden zou hebben verricht. Het hof gaat daarmee uit van een onjuiste feitelijke grondslag, waarvan belanghebbende in cassatie herstel verzoekt.6. Belanghebbende heeft immers ter zitting op 13 juni 2023, zoals volgt uit het procesverbaal van die zitting7., gesteld dat de schoonmaakwerkzaamheden pas vlak voor heropening in mei 2021 zijn aangevangen en dat deze intensief waren. Met deze onjuiste feitelijke vaststelling neemt het hof allereerst ten onrechte als uitgangspunt — zo kan uit de bestreden uitspraak worden begrepen — dat in het begin van 2021 de minimale schoonmaakwerkzaamheden werden verricht. In de periode van begin 2021 gebeurde in de onroerende zaak feitelijk niets. Daarnaast neemt het hof vanwege deze onjuiste feitelijke vaststelling — ook dat kan uit de bestreden uitspraak worden begrepen — als uitgangspunt dat belanghebbende haar bedrijfsvoering erop inrichtte dat in de onroerende zaak ieder moment, zodra de sluitingsmaatregel werd opgeheven, de commerciële exploitatie kon hervatten en de minimale schoonmaakwerkzaamheden daarvan een onderdeel vormden. Dit was nadrukkelijk niet het geval. Er moesten intensieve werkzaamheden (schoonmaak- en andere werkzaamheden8.) worden verricht om de onroerende zaak na maandenlange tijd van sluiting weer gereed te maken voor exploitatie, die belanghebbende niet eerder kon aanvangen9. dan toen duidelijk werd dat de sluitingsmaatregel weer werd opgeheven (op de persconferentie kort voor 19 mei 2021) en waren die schoonmaakwerkzaamheden juist intensief omdat in de maandenlange periode daarvoor geheel niet was schoongemaakt.10.
17.
Evenzeer betrekt het hof ten onrechte in haar overwegingen dat belanghebbende begin 2021 toegang had tot de onroerende zaak. Ook in de hiervoor aangehaalde uitspraken inzake de onroerendezaakbelasting bij bouwpercelen waarvoor nog geen bouwvergunning was verleend bestond toegang tot de onroerende zaak (evenals in de hierna te bespreken uitspraak van de boorlocatie). Het hebben van toegang op zichzelf vormt aldus geen grond dat er sprake is van gebruik.
18.
Hetzelfde geldt voor de aanwezigheid van zaken in de onroerende zaak. Zoals genoemd had belanghebbende na afkondiging van de sluitingsmaatregel per 14 december 2020 redelijkerwijs geen andere mogelijkheid dat de onroerende zaak, inclusief de aanwezigheid van alle daarin aanwezige losstaande inrichting (fitnesstoestellen) en vaste inrichting (zoals sauna's, stoombaden, balies en lockerkasten), in de toestand te laten waarin deze zich op dat moment bevond. De aanwezigheid van de zaken wordt daarmee niet verklaard door een bewust besluit van belanghebbende omdat zij de intentie had ieder moment weer de commerciële exploitatie van de sportschool weer te hervatten, oftewel zijn deze niet in de onroerende zaak aanwezig gelaten met oog op het metterdaad bezigen voor eigen gebruik zodra dat weer mogelijk is. In een dergelijk geval betekent de aanwezigheid van zaken aldus geen gebruik als bedoeld in art. 220 aanhef en sub a) Gemeentewet. Dit vindt steun in onderstaande uitspraak van Gerechtshof Den Haag, met betrekking tot een woning waarin de gebruiker op de peildatum nog spullen had staan, waarin wordt verwezen naar dezelfde passage uit de wetsgeschiedenis als waarnaar het hof in de bestreden uitspraak verwijst (zie r.o. 5.4.2 van de bestreden uitspraak).
Gerechtshof Den Haag 19 oktober 2001, ECLI:NL:GHSGR:2001:AS2372, Belastingblad 2003/516, r.o. 5 (gedeeltelijk) en 6:
- ‘5.
(…) De wijziging van de term ‘feitelijk gebruiken’ en ‘gebruiken’ betekent overigens niet, dat de gebruikersbelasting ook kan worden geheven ter zake van leegstaande objecten. Leegstaand object, dat wil zeggen een object dat echt leegstaand, en dat is geen meubilair en dergelijke bevat, wordt ook niet gebruikt in de zin van art. 219, onderdeel a. Dit is slechts anders indien een genot hebben de krachtens een zakelijk recht zijn objecten bewust leeg laat staan met de bedoeling het voor bepaalde doeleinden voor zichzelf ter beschikking te houden’ (Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3).
- 6.
Vaststaat dat de woning op 1 januari 2000 enig meubilair bevatte en dat de woning ten verkoop werd aangeboden. Voorts woonde belanghebbende op vorenvermelde datum op een adres in Y. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat belanghebbende het object bewust leeg liet staan met de bedoeling het voor bepaalde doeleinden voor haarzelf beschikking te houden. Dit lag ook niet in de rede nu belanghebbende onoverkomelijke problemen met haar buren had. Belanghebbende heeft voorts onbesproken gesteld dat het meubilair krakers ervan moest weerhouden het object te betrekken. Dit meubilair was derhalve niet bedoeld in bevrediging van de behoefte van belanghebbende om de woning te bewonen. Naar 's hofs oordeel moet mitsdien in dit geval worden gesproken van een leegstaand object zoals bedoeld in de onder 5 vermelde wetsgeschiedenis. Belanghebbende kan derhalve naar de omstandigheden beoordeeld bij het begin van het kalenderjaar 2000 niet als gebruiker in de zin van art. 1 aanhef en onderdeel a, van de verordening worden aangemerkt. De bestreden aanslag moet worden vernietigd.’
In voomoemde uitspraak had de gebruiker in het begin van het jaar niet de mogelijkheid om de woning te bewonen, dit vanwege onoverkomelijke problemen met haar buren. Het aanwezige meubilair was niet bedoeld ter bevrediging van de eigen behoeften van de gebruiker, maar had de gebruiker laten staan met het oog op voorkomen van kraken. De situatie van belanghebbende kan (en dient) op dezelfde wijze als in voornoemde situatie te worden beoordeeld. In het begin van het jaar had belanghebbende niet de mogelijkheid om in de onroerende zaak de sportschool te exploiteren. De zaken waren aanwezig omdat het voor belanghebbende feitelijk onmogelijk was deze elders onder te brengen. Zoals genoemd (zie alinea 14 hiervoor) lag er geen bewust besluit aan ten grondslag om de zaken met oog op toekomstige hervatting van de exploitatie van de sportschool aanwezig te laten zijn en kan de aanwezigheid van die zaken op de peildatum niet worden verklaard met het oog op metterdaad bezigen voor eigen gebruik op dat moment.
19.
Met oog op de hiervoor genoemde omstandigheden op de peildatum (alinea's 13 tot en met 18 hiervoor) is onbegrijpelijk waarom het hof overweegt dat er sprake zou zijn van ‘zij het beperkt, metterdaad gebezigd ter bevrediging van de eigen behoeften’. Feitelijk mocht en kon belanghebbende niets met de onroerende zaak op de peildatum, zodat ook van bevrediging van de eigen behoeften op dat moment geen sprake kan zijn. Op voornoemd onderdeel is de uitspraak van het hof ontoereikend gemotiveerd.
20.
Met betrekking tot de aanwezige zaken in de onroerende zaak op de peildatum (zie alinea 18 hirvoor) acht belanghebbende relevant aan te halen, dat ook in het geval een onroerende zaak op de peildatum bewust niet wordt gebruikt met oog op latere ingebruikname en in het kader daarvan zaken op dat moment aanwezig zijn, niet zonder meer sprake is van gebruik. Hier is relevant onderhavige uitspraak met betrekking tot een boorlocatie:
HR 30 juni 1993, nr. 28345 met conclusie A-G Moltmaker, BNB 1993/265:
‘3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is eigenaar van de boorlokatie a-straat 1 te Grootegast (hierna: de boorlokatie). De boorlokatie is in 1979 aangelegd. De oppervlakte is geasfalteerd, en bevat een systeem van goten ten behoeve van de afvoer van hemelwater. De boorlokatie is omringd door een hekwerk met een hoogte van 2.20 m. Op de boorlokatie is in 1979 een proefboring uitgevoerd, die de aanwezigheid van een beperkte hoeveelheid aardgas heeft aangetoond. Na het voltooien van de proefboring is de geslagen boorput gevuld met vloeistof en voorzien van een afsluiter met een verzegelde kraan. Afsluiter en kraan zijn ingesloten door een gesloten en verzegelde metalen kooi. Ten tijde van de peildatum en ook nog ten tijde van de mondelinge behandeling voor het Hof op 12 maart 1991 was na 1979 op de boorlokatie geen enkele feitelijke werkzaamheid verricht. Op de boorlokatie bevindt zich — afgezien van het hekwerk en de kooi — geen andere gebouwde onroerende zaak. Voordat tot winning van aardgas op de boorlokatie kan worden overgegaan dient — na het verkrijgen van de daartoe benodigde vergunningen — de boorput te worden voorzien van een gasproduktie-installatie en door middel van een gasafvoerleiding te worden aangesloten op het gasleidingnet.
3.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat aan de hierboven in 3.1 vermelde feiten niet de gevolgtrekking kan worden verbonden dat belanghebbende bij het begin van het belastingjaar 1988 de boorlokatie feitelijk gebruikte. Bij dit oordeel is het Hof kennelijk ervan uitgegaan dat, gelet op evenbedoelde feiten, niet kan worden gezegd dat belanghebbende op de peildatum de boorlokatie metterdaad bezigde. Aldus gelezen geeft dit oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan het voor het overige als van feitelijke aard in cassatie niet met vrucht worden bestreden. ’
21.
Met betrekking tot voornoemde uitspraak overweegt het hof in de bestreden uitspraak ten onrechte als volgt (r.o. 5.5.2):
‘Evenmin slagen belanghebbendes verwijzingen naar (…) het geval waarin een boorlocatie in het verleden was gebruikt voor een proefboring maar sedertdien op die plaats geen enkele werkzaamheid meer was verricht. Van beëindiging van een voorafgaand gebruik van de onroerende zaak is in het geval van belanghebbende immers geen sprake. ’
Net als in de zaak van de boorlocatie is er rondom de peildatum (begin 2021) in de onroerende zaak van belanghebbende geen sprake van exploitatie. Waar in de zaak van de boorlocatie de exploitatie op een later, maar toen nog onbekend moment zou worden hervat (de locatie werd immers ‘in voorraad’ gehouden), werd deze exploitatie in de zaak van belanghebbende eveneens op een later, op de peildatum nog onbekend moment hervat. Het verschil is hoogstens dat in de zaak van de boorlocatie gedurende de behandeling van de procedure nog geen duidelijkheid bestond over het moment van hervatten van de exploitatie, terwijl die in de zaak van belanghebbenden wel bestond (per 19 mei 2021). Onbegrijpelijk is waarom dit verschil, dat zich nog niet voordeed op (of rondom) de peildatum, ertoe leidt dat de situatie van het gebruik op de peildatum, in beide zaken verschillend zou moeten worden beoordeeld.
Daarnaast is onbegrijpelijk dat het hof bij de zaak van de boorlocatie uitgaat van een beëindiging van voorafgaand gebruik, terwijl het hof bij de zaak van belanghebbende ervan uitgaat dat het gebruik wordt voortgezet. Hiervoor is toegelicht dat ook in de situatie van belanghebbende, gedurende de sluitingsmaatregel en daarmee begin 2021 het beoogde gebruik (exploitatie als sportschool) op de peildatum volledig ontbrak. Het hof verzuimt te motiveren waarom de situatie van de boorlocatie zich op dit onderdeel niet laat vergelijken met de situatie van belanghebbende.
22.
Gelet op het voornoemde geldt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de toestand waarin de onroerende zaak verkeerde begin 2021, omdat belanghebbende met die situatie bewust beoogde exploitatie van de sportschool te hervatten zodra dat weer mogelijk was, zou moeten worden opgevat als gebruik in de zin van art. 220 aanhef en sub a) Gemeentewet en er sprake is van ‘zij het beperkt’ bezigen voor bevrediging van de eigen behoeften. Resumerend geldt met betrekking tot de nog aanwezige zaken, geen sprake was van een bewuste situatie om exploitatie te kunnen hervatten, simpelweg omdat het feitelijk onmogelijk was deze begin 2021 uit de onroerende zaak te verwijderen.11. Met betrekking tot de schoonmaakwerkzaamheden was evenmin sprake van een bewuste situatie om de exploitatie te kunnen hervatten, omdat deze niet aan de orde waren begin 2021 en die werkzaamheden pas aanvingen op het moment (veel later in 2021) dat bekend was dat de exploitatie kon worden hervat. Verder gebeurde er (en kon er) niets in de onroerende zaak. Onbegrijpelijk is de overweging van het hof dat voornoemde situatie in de onroerende zaak van belanghebbende op de peildatum gelijk wordt gesteld met het beoogde gebruik van de exploitatie van een sportschool, waarvan toen volstrekt onbekend was of en wanneer die opnieuw kon worden hervat (en welke naar later bleek pas veel later in 2021 kon worden hervat). Door voornoemde te miskennen heeft het hof de bestreden uitspraak onvoldoende gemotiveerd, althans is in de bestreden uitspraak sprake van een onjuiste toepassing — en daarmee schending — van het recht.
Conclusie
Op grond van voornoemde klachten verzoekt belanghebbende Uw Raad eerbiedig de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag gedaan op 11 juli 2023 in zaaknummer BK-22/01154 te vernietigen en opnieuw rechtdoende, in cassatie het besluit waarvan bezwaar en beroep alsnog te vernietigen en Gemeente Den Haag te gelasten tot terugbetaling van de door belanghebbende met betrekking tot de onroerendebelasting verschuldigd over het jaar 2021, kosten rechtens.
Gemachtigde,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 18‑10‑2024
HR 5 september 1979, nr. 19420, BNB 1979/268 (Uitgeest);
In het geval van de hier te bespreken uitspraken is de belanghebbende eigenaar (en geen huurder). Het bepaalde in art. 220 aanhef en sub a) Gemeentewet maakt echter geen onderscheid tussen eigenaren en huurders, zodat de uitspraken zich lenen voor toepassing op onderhavige situatie waarin belanghebbende gebruiker is;
Vgl. HR 22 juli 1985, nr. 22649, BNB 1985/258;
Hof 's‑Hertogenbosch 31 augustus 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3700, Belastingblad 2019/29, m. nt. S. Kapoerchan r.o. 4.3: a contrario toegepast;
HR 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0250, Belastingblad 1998, p. 878, m. nt. J.P.Kruimel, r.o. 3.3 en Rechtbank Breda 4 juli 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BX7596, Belastingblad 2012/561;
Zoals wordt toegelicht blijkt de onjuistheid van voornoemde feitelijke grondslag uit de gedingstukken en leent zij zich daarbij voor herstel in cassatie. Zie mr. P. Meyjes, 6%7899$ procesrecht, bestuursprocesrecht in belastingzaken bij de rechtbanken, de gerechtshoven in de Hoge Raad, vijfde druk, Kluwer — Deventer — 2014,pag. 267 en 268. Vgl. (onder andere) HR 15 oktober 2010, BNB 2011/35;
Zie in betreffen proces verbaal, pagina drie, de opmerkingen van ‘Ten Kate’ onder het eerste gedachtestreepje: ‘Op een vrijdagmiddag kregen we ineens te horen dat we de volgende dag open mochten. Toen hebben we direct personeel opgeroepen en zijn we de hele nacht doorgegaan om alles klaar te maken voor de volgende dag. Het gaat om 5000 m2.’ alsmede pagina vier onder de laatste opmerking van ‘de gemachtigde van belanghebbende’: ‘De schoonmaakwerkzaamheden vonden niet plaats rond de peildatum van 1 januari 2021 en ook niet in de week erna, maar pas vlak voor de heropening. De peildatum is een soort foute moment bij de bepaling of sprake is van gebruik.’;
Waaronder testen van werking van apparatuur, instructies aan personeel, opstellen van (les)roosters, communicatie aan leden en bezoekers over de heropening en opnieuw opstarten van de administratie (in verband met de gestaakte incasso van de lidmaatschapsgelden);
Deze werkzaamheden ter voorbereiding van hervatting van de exploitatie onder voetnoot 8 vermeld kunnen alleen plaatsvinden indien de exploitatie in de sportschool ook gelijk daarop kan aanvangen;
Zie hiervoor ook de opmerking van Ten Kate in het proces-verbaal van de zitting van 13 juni 2023 waarnaar is verwezen in voetnoot 7 hierboven;
Vergelijk Gerechtshof Den Haag 19 oktober 2001, ECLI:NL:GHSGR:2001:AS2372, Belastingblad 2003/516;
Conclusie 19‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Bijlage: ECLI:NL:PHR:2024:787Art. 220(a) Gemeentewet. Onroerendezaakbelasting voor gebruikers. Begrip ‘gebruik’. Criterium ‘metterdaad bezigen ter bevrediging van de eigen behoeften’. Is sprake van ‘gebruik’ door belanghebbende van een onroerende zaak hoewel het op de peildatum niet mogelijk is de onroerende zaak op de beoogde wijze te gebruiken als gevolg van corona-maatregelen? Aan belanghebbende is een aanslag onroerendezaakbelasting voor gebruikers voor het jaar 2021 opgelegd ter zake van een onroerende zaak waarin belanghebbende een sportschool exploiteert. Het Hof heeft geoordeeld dat hoewel belanghebbende de onroerende zaak niet kon gebruiken voor de beoogde commerciële activiteiten door de corona-maatregelen, belanghebbende op de peildatum 1 januari 2021 gebruiker was in de zin van art. 220(a) Gemeentewet, omdat zij de onroerende zaak steeds bewust voor zichzelf ter beschikking heeft gehouden met de intentie haar weer te exploiteren als sportschool zodra dit mogelijk was. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat belanghebbende toegang tot de onroerende zaak had, dat de onroerende zaak in afwachting van de heropening steeds volledig als sportschool bleef ingericht, dat minimale schoonmaakwerkzaamheden zijn uitgevoerd, en dat het zwembad op temperatuur is gehouden. A-G Pauwels betoogt, gebruikmakend van een analyse in de bijlage bij zijn conclusie, dat het oordeel van het Hof juist is. De omstandigheid dat op en rond de peildatum gebruik op de beoogde wijze niet mogelijk is, staat – anders dan belanghebbende betoogt – als zodanig nog niet eraan in de weg dat, naar de omstandigheden op de peildatum beoordeeld, de onroerende zaak metterdaad wordt gebezigd voor de eigen behoefte die gelegen is in de beoogde wijze van gebruik. Gelet op de door het Hof vastgestelde en in cassatie niet dan wel tevergeefs bestreden omstandigheden dat (i) voorafgaande aan de beperking wegens de corona-maatregelen de onroerende zaak als sportschool werd gebruikt, (ii) de onroerende zaak gedurende de periode van sluiting volledig als sportschool bleef ingericht, en (iii) op de peildatum kan worden aangenomen dat belanghebbende de onroerende zaak weer als sportschool zal gebruiken zodra dit mogelijk wordt, wordt de onroerende zaak op 1 januari 2021 door belanghebbende gebruikt in de zin van art. 220(a) Gemeentewet. Het cassatieberoep van belanghebbende is volgens de A-G ongegrond.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03444
Datum 19 juli 2024
Belastingkamer B
Onderwerp/tijdvak Onroerendezaakbelasting 2021
Nr. Gerechtshof 22/01155
CONCLUSIE
M.R.T. Pauwels
In de zaak van
[X] B.V. (belanghebbende)
tegen
het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Den Haag (het College)
1. Inleiding en overzicht
1.1
Deze zaak gaat over de onroerendezaakbelasting voor gebruikers (gebruikersbelasting) als bedoeld in art. 220(a) Gemeentewet. Aan belanghebbende is een aanslag gebruikersbelasting voor het jaar 2021 opgelegd ter zake van een onroerende zaak waarin belanghebbende een sportschool exploiteert. De vraag die zich hier voordoet is in de kern of belanghebbende als belastingplichtige kan worden aangemerkt voor de gebruikersbelasting, in aanmerking genomen dat belanghebbende de onroerende zaak op de peildatum 1 januari 2021 niet kon gebruiken op de door haar beoogde wijze als gevolg van de van toepassing zijnde corona-maatregelen.
1.2
Ik neem tegelijk conclusie in twee andere zaken waarin dezelfde vraag aan de orde is (zij het in een gedeeltelijk andere feitelijke context). Bij deze conclusie en de twee andere conclusies hoort een gemeenschappelijke bijlage (de Bijlage).
1.3
Een van de twee andere zaken betreft eveneens een zaak over een sportschool. Het feitencomplex in die andere sportschoolzaak is nagenoeg hetzelfde. Een verschil is dat in de onderhavige zaak ook nog is vastgesteld dat het zwembad op temperatuur is gehouden gedurende de periode waarin de sportschool gesloten was in verband met de corona-maatregelen. De stukken in cassatie luiden in beide zaken nagenoeg hetzelfde. Beide zaken zijn in cassatie tegelijk mondeling toegelicht door de gemachtigde van de belanghebbenden in die zaken, waarbij pleitaantekeningen zijn overgelegd die op beide zaken betrekking hebben.
1.4
Het Hof heeft geoordeeld dat hoewel belanghebbende de onroerende zaak gedurende een bepaalde periode niet kon gebruiken voor de beoogde commerciële activiteiten door de coronamaatregelen, belanghebbende op 1 januari 2021 gebruiker was in de zin van art. 220(a) Gemeentewet. Redengevend is dat belanghebbende de onroerende zaak steeds bewust voor zichzelf ter beschikking heeft gehouden met de intentie haar weer te exploiteren als sportschool zodra dit mogelijk was. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat belanghebbende toegang tot de onroerende zaak had, dat de onroerende zaak in afwachting van de heropening steeds volledig als sportschool bleef ingericht, dat (minimale) schoonmaakwerkzaamheden zijn uitgevoerd, en dat het zwembad op temperatuur is gehouden.
1.5
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie vermeldt twee klachten. De eerste klacht is in de kern gebaseerd op de opvatting dat “aan de kwalificatie van gebruik in de zin van art. 220 aanhef en sub a) Gemeentewet in de weg staat dat de onroerende zaak niet kan worden gebruikt voor de bestemming waarvoor de gebruiker deze aanhoudt, zoals in het geval van ontbrekende toestemming vanuit de overheid”. De tweede klacht keert zich met diverse deelklachten tegen de overwegingen die het Hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat belanghebbende als gebruiker is aan te merken.
1.6
Ik bespreek de klachten in onderdeel 4 van deze conclusie aan de hand van de analyse in de Bijlage. De eerste klacht faalt naar mijn mening omdat de klacht uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat op en rond peildatum gebruik op de beoogde wijze niet mogelijk is, staat als zodanig nog niet eraan in de weg dat, naar de omstandigheden op peildatum beoordeeld, de onroerende zaak metterdaad wordt gebezigd voor de eigen behoefte die gelegen is in de beoogde wijze van gebruik. De tweede klacht faalt eveneens. Uit de uitspraak van het Hof volgt (i) dat belanghebbende voorafgaande aan de beperking door de corona-maatregelen op 15 december 2020 de onroerende zaak op de beoogde wijze – namelijk als sportschool – gebruikte, (ii) dat de onroerende zaak gedurende de periode van sluiting volledig als sportschool bleef ingericht, en (iii) dat op de peildatum kan worden aangenomen dat belanghebbende de onroerende zaak weer als sportschool zal gebruiken zodra dat mogelijk wordt. Deze omstandigheden worden in cassatie niet dan wel tevergeefs bestreden. Gelet op die omstandigheden is het oordeel van het Hof juist dat belanghebbende op 1 januari 2021 de onroerende zaak gebruikt in de zin van art. 220(a) Gemeentewet.
1.7
Het cassatieberoep is naar mijn mening ongegrond.
2. De feiten en oordeel Hof
De feiten
2.1
Belanghebbende huurt een onroerende zaak (de onroerende zaak) en exploiteert daarin een sportschool met aanverwante activiteiten (de sportschool).
2.2
In verband met de corona-maatregelen was de sportschool van 15 december 2020 tot en met 19 mei 2021 van overheidswege gesloten (de periode van sluiting). Gedurende deze periode is het zwembad op temperatuur gehouden.1.
2.3
De heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag (de Heffingsambtenaar) heeft ter zake van de onroerende zaak onder meer een aanslag onroerendezaakbelasting voor gebruikers opgelegd voor het jaar 2021 (de aanslag). De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
2.4
De rechtbank Den Haag2.heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Gerechtshof Den Haag3.
2.5
Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.
2.6
Voor het Hof was – voor zover in cassatie nog van belang – in geschil of op 1 januari 2021 sprake was van gebruik door belanghebbende van de onroerende zaak in de zin van art. 220(a) Gemeentewet.
2.7
Na een schets van het juridische kader (rov. 5.4.1-5.4.2) oordeelt het Hof dat de Heffingsambtenaar belanghebbende terecht aanmerkt als gebruiker op 1 januari 2021. Het overweegt daartoe als volgt:
“5.5.1. Weliswaar was het door de coronabeperkingen gedurende een bepaalde periode niet mogelijk de onroerende zaak voor de beoogde commerciële activiteiten te gebruiken, maar belanghebbende had wel toegang tot de onroerende zaak en deze bleef in afwachting van de heropening steeds volledig als sportschool – met het daartoe benodigde meubilair – ingericht. Daarnaast zijn tijdens de verplichte sluiting minimale schoonmaakwerkzaamheden uitgevoerd en is het zwembad op temperatuur gehouden. Hieruit volgt dat belanghebbende de onroerende zaak steeds bewust voor zichzelf ter beschikking heeft gehouden met de intentie haar weer te exploiteren als sportschool zodra dit mogelijk was. Na opheffing van de coronabeperkingen is dit ook gebeurd. Belanghebbende heeft de onroerende zaak dus, zij het beperkt, metterdaad gebezigd ter bevrediging van haar behoeften. Dat er op 1 januari 2021 geen schoonmaakwerkzaamheden zijn uitgevoerd, maakt dit niet anders.”
2.8
Verder zet het Hof uiteen waarom hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, niet tot een ander oordeel leidt:
“5.5.2. (…) Anders dan belanghebbende betoogt, leidt het enkele aanhouden van de onroerende zaak in afwachting van de opheffing van de coronabeperkingen niet ertoe dat geen sprake is van “metterdaad bezigen”. Bovendien is haar situatie, anders dan zij betoogt, niet gelijk te stellen aan het geval waarin sprake is van leegstand en waarbij de genothebbende tevergeefs heeft geprobeerd de onroerende zaak te verhuren. Evenmin slagen belanghebbendes verwijzingen naar het geval van het onbewoond laten van een gemeubileerde woning na het overlijden van de gebruiker ervan, zonder dat die woning voor enig doel wordt aangewend, of naar het geval waarin een boorlocatie in het verleden was gebruikt voor een proefboring maar sedertdien op die plaats geen enkele feitelijke werkzaamheid meer was verricht. Van beëindiging van een voorafgaand gebruik van de onroerende zaak is in het geval van belanghebbende immers geen sprake.”
3. Het geding in cassatie
3.1
Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft de zaak mondeling doen toelichten door haar gemachtigde, in welk verband pleitaantekeningen zijn overgelegd.
Klachten
3.2
De eerste klacht houdt in dat geen sprake is van gebruik, omdat het beoogd gebruik niet was toegestaan. Belanghebbende huurt de onroerende zaak om daarin een sportschool te kunnen exploiteren. De exploitatie als sportschool was gedurende de periode van sluiting echter niet toegestaan. Aan de kwalificatie van gebruik in de zin van art. 220(a) Gemeentewet staat in de weg staat dat de onroerende zaak niet kan worden gebruikt voor de bestemming waarvoor deze wordt aangehouden. Dit vindt steun in het arrest HR BNB 2012/60.4.In dat arrest gaat het om een bouwperceel dat werd aangehouden in afwachting van een bouwvergunning. Ten onrechte heeft het Hof niet op dezelfde wijze geoordeeld dat er aan gebruik door belanghebbende niet wordt toegekomen zolang de vereiste toestemming vanuit de overheid ontbreekt. De uitspraak is onvoldoende gemotiveerd, althans er is sprake van een onjuiste toepassing – en daarmee schending – van het recht.
3.3
De tweede klacht keert zich met diverse deelklachten tegen vooral rov. 5.5.1 van het Hof. In de kern:
- Punt 13: Het Hof miskent dat ander gebruik dan het beoogde commercieel gebruik geen ‘gebruik’ oplevert als bedoeld in art. 220(a) Gemeentewet.
- Punt 14: Het Hof miskent dat de sluitingsmaatregel op 14 december 2020 voor belanghebbende onvoorzien was en dat zij daarom niet anders kon reageren dan zij heeft gedaan. Het Hof veronderstelt echter – door gebruik van het woord ‘bewust’ – alsof belanghebbende een keuze had anders te handelen.
- Punt 15: Het Hof heeft nagelaten te motiveren waarom de situatie begin 2021 gelijk te stellen zou zijn met het beoogde gebruik van de onroerende zaak.
- Punt 16: Het Hof veronderstelt ten onrechte dat belanghebbende begin 2021, gedurende de sluitingsperiode, minimale schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht. Onjuist is het daarop voortbouwende uitgangspunt dat belanghebbende haar bedrijfsvoering erop inrichtte dat zodra de sluitingsmaatregel werd opgeheven, de commerciële exploitatie kon worden hervat en dat de minimale schoonmaakwerkzaamheden daarvan een onderdeel vormden. Er moesten juist intensieve werkzaamheden worden verricht.
- Punt 17: Het Hof betrekt ten onrechte bij zijn overwegingen dat belanghebbende toegang tot de onroerende zaak had. Het hebben van toegang op zichzelf vormt geen grond voor gebruik.
- Punt 18: Ditzelfde geldt voor de aanwezigheid van zaken (meubilair en sportschoolinventaris) in de onroerende zaak. De aanwezigheid van zaken wordt niet verklaard door een bewust besluit van belanghebbende. De zaken zijn niet in de onroerende zaak gelaten met het oog op het metterdaad bezigen voor eigen gebruik zodra dat weer mogelijk is.
- Punt 19: Gelet op de omstandigheden, zoals toegelicht in punten 13-18, is onbegrijpelijk het oordeel van het Hof dat belanghebbende de onroerende zaak, zij het beperkt, metterdaad heeft gebezigd ter bevrediging van haar behoeften.
- Punt 20-21: Onbegrijpelijk is de afwijzing door het Hof in rov. 5.5.2 van het beroep van belanghebbende op het arrest HR BNB 1993/2655.over een boorlocatie waarop na een proefboring geen enkele werkzaamheid meer is verricht.
Verweerschrift
3.4
Het College stelt dat de klachten niet kunnen leiden tot een vernietiging van de uitspraak van het Hof, omdat de overwegingen in lijn zijn met de wetsgeschiedenis bij art. 220(a) Gemeentewet. Verder zijn de feiten in de door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie wezenlijk anders zijn dan de feiten in de onderhavige casus. Er is bovendien jurisprudentie over gevallen die beter vergelijkbaar zijn, zoals een uitspraak van rechtbank Oost-Brabant6.en een uitspraak van rechtbank Rotterdam7.over een restaurant respectievelijk een kledingwinkel die vanwege de coronamaatregelen op 1 januari 2021 gesloten waren voor publiek. In verband met de uitspraak van rechtbank Rotterdam is van belang dat in dit geval van een sportschool alternatief gebruik ook denkbaar is. Verder kan uit het aanwezig houden van inventaris en het verrichte onderhoud (waaronder het op temperatuur houden van water en de schoonmaakwerkzaamheden) wordt afgeleid dat belanghebbende het voornemen had om de onroerende zaak na afloop van de maatregelen weer in gebruik te nemen. Het was bovendien breed de verwachting dat de corona-maatregelen een tijdelijk karakter zouden hebben. Overigens is in feitelijke instantie niet aangevoerd dat belanghebbende is uitgegaan van mogelijke bedrijfsbeëindiging. Verder kan niet worden volgehouden dat de sluitingsmaatregel totaal onverwacht kwam gelet op de gedeeltelijke lock-down op 13 oktober 2020. De stelling dat het feitelijk onmogelijk was de aanwezige zaken elders onder te brengen, is voor het eerst in cassatie ingenomen en mist feitelijke grondslag.
Mondelinge toelichting (pleitaantekeningen)
3.5
De toelichting houdt naast een (nadere) juridische onderbouwing van de klachten een reactie in op feitelijke punten in het verweerschrift. Die reactie houdt in de kern in dat de sluitingsmaatregel redelijkerwijs niet voor belanghebbende was te voorzien (punt 9), dat de tijdelijke aard van de sluitingsmaatregel evenmin was te voorzien (punt 10), dat belanghebbende reeds in hoger beroep heeft gesteld geen andere keuze te hebben gehad dan zaken (meubilair en sportschoolinventaris) aanwezig te laten (punt 14), dat het College miskent dat bij de door hem genoemde alternatieve gebruiksmogelijkheden de onroerende zaak zelf geen rol speelt en dat die mogelijkheden bovendien geenszins eenvoudig zijn te realiseren (punt 15), dat het op temperatuur houden van het zwembad, anders dan het College stelt, niet duidt op metterdaad bezigen voor de eigen behoefte, omdat dit alleen geschiedde om scheuren in de zwembadbak te voorkomen (punt 16), en de schoonmaakactiviteiten vonden niet op of rondom peildatum plaats maar pas veel later toen de sluitingsmaatregel werd opgeheven (punt 17).
Nadere uitgangspunten in cassatie
3.6
In aanvulling op de in onderdeel 2 vermelde feiten, kunnen – zo nodig – als nadere uitgangspunten in cassatie gelden de volgende omstandigheden, gelet op enerzijds wat het Hof heeft overwogen (rov. 5.5.1) en anderzijds wat in cassatie niet is bestreden:
- Belanghebbende had gedurende de periode van sluiting toegang tot de onroerende zaak.
- De onroerende zaak bleef gedurende de periode van sluiting volledig als sportschool – met het daartoe benodigde meubilair – ingericht.8.
- Op 1 januari 2021 zijn geen schoonmaakwerkzaamheden uitgevoerd.
- De onroerende zaak bevat een zwembad, dat gedurende de periode van sluiting op temperatuur is gehouden.
- De sportschool is heropend zodra dit mogelijk was na opheffing van de corona-beperkingen.
4. Beoordeling van de klachten
Eerste klacht
4.1
De eerste klacht gaat uit van de opvatting dat “aan de kwalificatie van gebruik in de zin van art. 220 aanhef en sub a) Gemeentewet in de weg staat dat de onroerende zaak niet kan worden gebruikt voor de bestemming waarvoor de gebruiker deze aanhoudt, zoals in het geval van ontbrekende toestemming vanuit de overheid” (beroepschrift in cassatie, punt 7). In de context van deze zaak begrijp ik dat belanghebbende daarmee bedoelt dat het beoogde gebruik niet mogelijk is op en rond peildatum.
4.2
Deze opvatting is naar mijn mening onjuist. Ten eerste ook als de beoogde wijze van gebruik niet mogelijk is, kan nog steeds sprake zijn van ‘gebruik’ indien de onroerende zaak op een andere wijze wordt gebruikt (vgl. HR BNB 1979/268, aangehaald in Bijlage, punt 3.3).
4.3
Ten tweede, belangrijker in het kader van deze zaak, de omstandigheid dat op en rond peildatum gebruik op de beoogde wijze niet mogelijk is, staat als zodanig nog niet eraan in de weg dat, naar de omstandigheden op peildatum beoordeeld, de onroerende zaak metterdaad wordt gebezigd voor de eigen behoefte die gelegen is in de beoogde wijze van gebruik. Het is mijns inziens namelijk te beperkt om voor de beoordeling of sprake is van dergelijk gebruik op peildatum als bedoeld in art. 220(a) Gemeentewet slechts af te gaan op de toestand sec op peildatum. Bij de beoordeling ‘naar de omstandigheden’ op peildatum kan ook acht worden geslagen op andere omstandigheden dan die zich feitelijk voordoen op peildatum (Bijlage, punt 5.18). Steun voor dit een en ander vind ik (onder meer) in de arresten HR BNB 1981/162 en HR BNB 1982/30 inzake recreatiewoningen, waarin ook aan de orde is dat op en rond peildatum het beoogde gebruik niet was toegestaan (Bijlage, punt 5.19).
4.4
De klacht faalt derhalve. Opmerking verdient daarbij dat de kwestie óf in dit geval gebruik aanwezig is, aan de orde komt in het kader van de tweede klacht.
Tweede klacht
4.5
De tweede klacht bestaat uit diverse deelklachten, waarvan de kern is weergegeven in onderdeel 3.3 van deze conclusie met verwijzing naar de vindplaats in het cassatieberoepschrift. Ik zal hierna de deelklachten aanhalen met een nummer dat overeenkomt met die vindplaats.
4.6
Ik begin (echter) met een analyse of het Hof feiten en omstandigheden heeft vastgesteld die de gevolgtrekking rechtvaardigen dat sprake is van ‘gebruik’. Dat doe ik om twee redenen voordat ik op de deelklachten inga. De eerste reden is dat mocht het antwoord ontkennend luiden, reeds daarom de tweede klacht slaagt naar haar strekking. De tweede reden is dat, bij een bevestigend antwoord, de behandeling van de deelklachten kan worden toegespitst op de deelklachten die betrekking hebben op de dragende feiten en omstandigheden.
4.7
Ik meen dat deze benadering gerechtvaardigd is gegeven de jurisprudentie van de Hoge Raad over het begrip (feitelijk) gebruik. In die jurisprudentie zit de Hoge Raad namelijk rechtskundig dicht op de feiten in die zin dat de Hoge Raad geregeld zelf aan het vaststaande feitencomplex de juridische gevolgtrekking verbindt of al dan niet sprake is van (feitelijk) gebruik (Bijlage, punt 5.9). Daarmee strookt dat het niet zozeer van belang is welke van de vastgestelde omstandigheden het Hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, maar veeleer of vastgestelde omstandigheden aanwezig zijn die het oordeel rechtvaardigen.
4.8
In de Bijlage, punt 5.21, heb ik de opvatting verdedigd dat van ‘gebruik’ ook sprake is in het geval (i) de ondernemer de onroerende zaak voorafgaande aan de beperking door de corona-maatregelen op de beoogde wijze gebruikte, (ii) de onroerende zaak op peildatum is ingericht voor de beoogde wijze van gebruik, en (iii) op peildatum kan worden aangenomen dat de ondernemer de onroerende zaak weer op de beoogde wijze zal gebruiken zodra dat mogelijk wordt.
4.9
Uit de uitspraak van het Hof volgt dat deze omstandigheden in deze zaak aanwezig zijn:
- Ad i) In de in 2.1-2.2 (van deze conclusie) vermelde feiten ligt besloten dat belanghebbende voorafgaande aan de beperking door de corona-maatregelen op 15 december 2020 de onroerende zaak op de beoogde wijze – namelijk als sportschool – gebruikte.
- Ad ii) De onroerende zaak bleef gedurende de periode van sluiting volledig als sportschool – met het daartoe benodigde meubilair – ingericht (zie 3.6).
- Ad iii) Op peildatum kan worden aangenomen dat belanghebbende de onroerende zaak weer als sportschool zal gebruiken zodra dat mogelijk wordt. Dit ligt besloten in de overwegingen: “[de onroerende zaak] bleef in afwachting van de heropening steeds volledig als sportschool (…) ingericht” en “dat belanghebbende de onroerende zaak steeds bewust voor zichzelf ter beschikking heeft gehouden met de intentie haar weer te exploiteren als sportschool zodra dit mogelijk was”.
4.10
Dit betekent dat de behandeling van de deelklachten kan worden toegespitst op de deelklachten die betrekking hebben op deze omstandigheden.
4.11
De omstandigheden die zijn vermeld bij ad i) en ad ii) worden niet bestreden.
4.12
Afgevraagd kan worden of in enige van de deelklachten besloten ligt dat wél bestreden wordt wat bij ad iii) is vermeld. Het gaat dan vooral om deelklacht 14 en deelklacht 18. Deze klachten benadrukken – voor zover hier van belang – in de kern dat belanghebbende geen keuzemogelijkheid had om de onroerende zaken ingericht te houden en dat de aanwezigheid van de inrichting (daarom) niet kan worden verklaard door een bewust besluit van belanghebbende “omdat zij de intentie had ieder moment weer de commerciële exploitatie van de sportschool weer te hervatten, oftewel zijn deze niet in de onroerende zaak aanwezig gelaten met oog op het metterdaad bezigen voor eigen gebruik zodra dat weer mogelijk is”.
4.13
Zie echter goed dat deze klachten erop gericht zijn dat aan het ingericht blijven van de onroerende zaak als sportschool geen bewust besluit ten grondslag ligt, anders dan het Hof heeft geoordeeld. Met andere woorden: de klachten bestrijden het door het Hof gelegde verband tussen enerzijds het ingericht blijven als sportschool en anderzijds de intentie om de onroerende zaak weer als sportschool te exploiteren zodra dat mogelijk is. De klachten houden strikt genomen niet in dat belanghebbende niet de intentie had om de onroerende zaak weer als sportschool te gebruiken zodra dat mogelijk is. Dat laatste ligt prima facie ook niet voor de hand nu de exploitatie als sportschool is hervat zodra dat mogelijk was (zie 3.6).
4.14
Hoe dan ook, het uitgangspunt van het Hof dat belanghebbende de onroerende zaak weer als sportschool wilde exploiteren zodra dat mogelijk is, houdt naar mijn mening in cassatie stand. Het is naar mijn mening niet onbegrijpelijk en hoefde geen motivering. Wat betreft dit laatste merk ik op dat dit anders zou kunnen zijn indien belanghebbende in feitelijke instanties had betoogd dat op peildatum de intentie afwezig was om de exploitatie te hervatten. Het beroepschrift in cassatie vermeldt echter niet dat dit is betoogd. Het verweerschrift in cassatie (p. 3, bovenaan) wijst er expliciet op dat dit niet is aangevoerd. Dit is tijdens de mondelinge toelichting voor de Hoge Raad – ook blijkens de pleitaantekeningen – niet weersproken.
4.15
Dit betekent dat ook de omstandigheid die is vermeld bij ad iii), verder als uitgangspunt in cassatie kan gelden.
4.16
Gelet op wat in 4.8 is vermeld, betekent dit dat naar mijn mening het oordeel van het Hof juist is dat belanghebbende als gebruiker is aan te merken van de onroerende zaak op de peildatum.
4.17
De andere deelklachten kunnen niet tot een ander oordeel leiden, hetzij omdat ze uitgaan van een andere rechtsopvatting dan ik verdedig, hetzij omdat ze zijn gericht tegen andere omstandigheden dan die welke zijn vermeld in 4.9.
5. Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑07‑2024
Het Hof (rov. 2.2) heeft tevens als feit vastgesteld dat gedurende deze periode minimale schoonmaakwerkzaamheden zijn verricht. Belanghebbende bestrijdt dit evenwel in cassatie (beroepschrift in cassatie, punt 16).
Rechtbank Den Haag 15 september 2022, nr. SGR 21/5036. Deze uitspraak heb ik niet gevonden op rechtspraak.nl; de overwegingen van de rechtbank zijn voor derden kenbaar uit onderdeel 3 van de uitspraak van het Hof.
Gerechtshof Den Haag 11 juli 2023, nr. 22/01155, ECLI:NL:GHDHA:2023:1407, Fida 20234158, FutD 2023-2164, NLF 2023/1872.
HR 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0250, BNB 2012/60.
HR 30 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5394, BNB 1993/265.
Rechtbank Oost-Brabant 13 januari 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:184.
Rechtbank Rotterdam 10 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2363.
Het Hof heeft in dat verband ook overwogen dat dit gebeurde “in afwachting van de heropening”, maar dat wordt in cassatie wel bestreden, althans dat meen ik af te leiden uit punt 18 van het beroepschrift in cassatie.
Conclusie 19‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Bijlage: ECLI:NL:PHR:2024:787Art. 220(a) Gemeentewet. Onroerendezaakbelasting voor gebruikers. Begrip ‘gebruik’. Criterium ‘metterdaad bezigen ter bevrediging van de eigen behoeften’. Is sprake van ‘gebruik’ door belanghebbende van een onroerende zaak hoewel het op de peildatum niet mogelijk is de onroerende zaak op de beoogde wijze te gebruiken als gevolg van corona-maatregelen? Aan belanghebbende is een aanslag onroerendezaakbelasting voor gebruikers voor het jaar 2022 opgelegd ter zake van een onroerende zaak waarin belanghebbende een bioscoop exploiteert. De Rechtbank heeft geoordeeld dat hoewel belanghebbende de onroerende zaak niet kon gebruiken voor de beoogde commerciële activiteiten door de corona-maatregelen, belanghebbende op de peildatum 1 januari 2022 gebruiker was in de zin van art. 220(a) Gemeentewet. De Rechtbank heeft daarbij onder meer in aanmerking genomen dat de onroerende zaak steeds volledig als bioscoop was ingericht, wat zij aanmerkt als opslag in de onroerende zaak van meubilair en dergelijke ten behoeve van het zo snel mogelijk weer toelaten van publiek. A-G Pauwels betoogt, gebruikmakend van een analyse in de bijlage bij zijn conclusie, dat het oordeel van de Rechtbank juist is. In aanmerking genomen dat belanghebbende de onroerende zaak als bioscoop exploiteert, dat de onroerende zaak op de peildatum was ingericht als bioscoop en dat belanghebbende het oogmerk had om de bioscoop (zo snel mogelijk) weer open te stellen voor publiek zodra dat mogelijk was, heeft belanghebbende de onroerende zaak in gebruik op de peildatum en is daarmee op de peildatum gebruiker in de zin van art. 220(a) Gemeentewet. De ‘opslag’-tussenstap in de redenering van de Rechtbank is niet nodig. Het cassatieberoep van belanghebbende is volgens de A-G ongegrond.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03793
Datum 19 juli 2024
Belastingkamer B
Onderwerp/tijdvak Onroerendezaakbelasting 2022
Nr. Rechtbank 22/5595
CONCLUSIE
M.R.T. Pauwels
In de zaak van
[X] B.V. (belanghebbende)
tegen
het dagelijks bestuur van de Regionale Belasting Groep (het Bestuur)
1. Inleiding en overzicht
1.1
Deze zaak gaat over de onroerendezaakbelasting voor gebruikers (gebruikersbelasting) als bedoeld in art. 220(a) Gemeentewet. Aan belanghebbende is een aanslag gebruikersbelasting voor het jaar 2022 opgelegd ter zake van een onroerende zaak waarin belanghebbende een bioscoop exploiteert. De vraag die zich hier voordoet is in de kern of belanghebbende als belastingplichtige kan worden aangemerkt voor de gebruikersbelasting, in aanmerking genomen dat belanghebbende de onroerende zaak op de peildatum 1 januari 2022 niet kon gebruiken op de door haar beoogde wijze als gevolg van de van toepassing zijnde corona-maatregelen.
1.2
Ik neem tegelijk conclusie in twee andere zaken waarin dezelfde vraag aan de orde is (zij het in een gedeeltelijk andere feitelijke context). Bij deze conclusie en de twee andere conclusies hoort een gemeenschappelijke bijlage (de Bijlage).
1.3
De Rechtbank heeft geoordeeld dat hoewel belanghebbende de onroerende zaak niet kon gebruiken voor de beoogde commerciële activiteiten door de corona-maatregelen, belanghebbende op 1 januari 2022 gebruiker was in de zin van art. 220(a) Gemeentewet. De Rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de onroerende zaak steeds volledig als bioscoop was ingericht, wat zij aanmerkt als opslag in de onroerende zaak van meubilair en dergelijke ten behoeve van het zo snel mogelijk weer toelaten van publiek. Verder heeft zij in aanmerking genomen dat de onroerende zaak in een zodanige staat werd gehouden (door eventueel noodzakelijk onderhoud en schoonmaak) dat de bioscoop bij opheffing van de coronabeperkingen meteen weer voor het publiek kon worden opengesteld.
1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank (sprong)cassatieberoep ingesteld, en daarbij twee middelen voorgesteld. Het eerste middel klaagt erover dat “de rechtbank heeft beslist dat sprake is van belastingplichtig gebruik omdat het feit dat de bioscoop op 1 januari 2022 niet actief was leeggehaald leidt tot opslag in de onroerende zaak en belanghebbende de zaak daardoor metterdaad kon bezigen ter bevrediging van eigen behoeften”. Het tweede middel houdt in dat onbegrijpelijk is de passage ‘door eventueel noodzakelijk onderhoud en schoonmaak’ aangezien daarvoor geen basis is in de processtukken of het onderzoek ter zitting.
1.5
Ik bespreek de middelen in onderdeel 4 van deze conclusie aan de hand van de analyse in de Bijlage. Het eerste middel faalt naar mijn mening. Het middel richt zich op de ‘opslag’-tussenstap in de redenering van de Rechtbank, maar die tussenstap lijkt mij niet nodig, waardoor het middel zijn doel niet kan bereiken. In aanmerking genomen dat belanghebbende het pand als bioscoop exploiteert, dat het pand op de peildatum was ingericht als bioscoop en dat belanghebbende het oogmerk had om de bioscoop (zo snel mogelijk) weer open te stellen voor publiek zodra dat mogelijk was, heeft belanghebbende het pand in gebruik op de peildatum en is daarmee op de peildatum gebruiker in de zin van art. 220(a) Gemeentewet. Gelet daarop kan ook het tweede middel niet tot cassatie leiden.
1.6
Het cassatieberoep is naar mijn mening ongegrond.
2. De feiten en oordeel van de Rechtbank
De feiten1.
2.1
Belanghebbende is eigenaar van een onroerende zaak (het pand) en exploiteert daarin een bioscoop.
2.2
De heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep (de Heffingsambtenaar) heeft ter zake van het pand onder meer een aanslag onroerende-zaakbelasting voor gebruikers opgelegd voor het jaar 2022 (de aanslag). De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
Rechtbank Rotterdam2.
2.3
Voor de Rechtbank is in geschil of de aanslag terecht is opgelegd, nu het volgens belanghebbende niet mogelijk was op 1 januari 2022 het pand als bioscoop te gebruiken vanwege de landelijke corona-maatregelen.
2.4
Na een schets van het juridische kader (rov. 5), oordeelt de Rechtbank dat sprake is van gebruik in de zin van art. 220(a) Gemeentewet. Zij overweegt daartoe als volgt:
“6. (…) Weliswaar was het door de coronamaatregelen niet mogelijk de onroerende zaak voor de beoogde commerciële activiteiten te gebruiken, maar dat betekent niet dat de mogelijkheid om de onroerende zaak te gebruiken afwezig was. De rechtbank gaat ervan uit dat het pand, tijdens de tijdelijke publiekssluiting, steeds volledig als zodanig was ingericht. Eiseres heeft de stelling van verweerder dat de bioscoop niet was leeggehaald, ook niet betwist. De rechtbank merkt dit aan als opslag in de onroerende zaak van meubilair en dergelijke ten behoeve van het zo snel mogelijk weer toelaten van publiek. Verder acht de rechtbank het aannemelijk dat de onroerende zaak, met het oog op een hopelijk spoedige heropening, in een zodanige staat werd gehouden (door eventueel noodzakelijk onderhoud en schoonmaak) dat de bioscoop bij opheffing van de coronabeperkingen meteen weer voor het publiek kon worden opengesteld. Die openstelling is overigens – heeft de rechtbank ambtshalve geconstateerd – na opheffing van de corona-maatregelen ook daadwerkelijk gerealiseerd.
6.1.
Uit het voorgaande blijkt dat eiseres de onroerende zaak metterdaad – zij het beperkt – kon bezigen ter bevrediging van haar behoeften. Volgens de rechtbank heeft verweerder eiseres daarom terecht op 1 januari 2022 als gebruiker in de zin van artikel 220, aanhef en onder a, van de Gemeentewet aangemerkt. De verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 22 juli 1985 dat het ter beschikking hebben van een onroerende zaak onvoldoende is om van gebruik te spreken, maakt dat niet anders. In dit geval had eiseres het pand immers niet enkel ter beschikking, maar maakte zij ook gebruik daarvan op de hiervoor beschreven manier.”
3. Het geding in cassatie
3.1
Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het cassatieberoep bevat twee middelen. Het Bestuur heeft ingestemd met sprongcassatie en heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft wel gerepliceerd, maar het Bestuur heeft niet gedupliceerd.
Cassatiemiddelen
3.2
Het eerste cassatiemiddel luidt als volgt:
“Schending van het recht, in het bijzonder artikel 220, sub a van de Gemeentewet, en/of verzuim van vormen, in het bijzonder het motiveringsbeginsel, waar de rechtbank heeft beslist dat sprake is van belastingplichtig gebruik omdat het feit dat de bioscoop op 1 januari 2022 niet actief was leeggehaald leidt tot opslag in de onroerende zaak en belanghebbende de zaak daardoor metterdaad kon bezigen ter bevrediging van eigen behoeften. Dit naar mening van belanghebbende ten onrechte omdat uit vaste jurisprudentie volgt dat slechts de beschikking hebben over een onroerende zaak onvoldoende is.”
3.3
De toelichting houdt in de kern het volgende in. Het niet hebben verwijderd van stoelen en apparatuur (die voor een groot deel aard en nagelvast zijn bevestigd) kan niet als gevolg hebben dat daardoor sprake is van gebruik als opslagruimte. De Rechtbank neemt met dat oordeel aan dat belanghebbende een onvrijwillige keuze heeft moeten maken om de bioscoop te ontruimen en de inventaris ergens anders moest opslaan. Die aanname is onjuist. Het beoogde gebruik van het pand is de exploitatie als bioscoop. Belanghebbende heeft nimmer beoogd het object aan te houden als opslagruimte. Dat het aanwenden conform beoogd gebruik relevant is voor de vraag of sprake is van gebruik in de zin van art. 220(a) Gemeentewet, kan worden afgeleid uit HR BNB 2012/60.3.Zie ook de annotaties van Van den Ban en Snoijink bij dit arrest.4.Belanghebbendes geval is bovendien vergelijkbaar met het geval in het arrest van HR BNB 1993/2655.met betrekking tot een boorlocatie waarop na een proefboring geen enkele werkzaamheid meer is verricht. In de situatie van belanghebbende is er op of rond de peildatum ook geen enkele werkzaamheid verricht. In belanghebbendes situatie is bovendien geen alternatief gebruik denkbaar.
3.4
Het tweede cassatiemiddel luidt:
“Schending van het recht, in het bijzonder artikel 8:69, lid 1 van de Awb, en/of verzuim van vormen, in het bijzonder het motiveringsbeginsel, waar de rechtbank haar uitspraak mede baseert op het door haar zelf ingebrachte feit dat eventueel noodzakelijk onderhoud en schoonmaak heeft plaatsgevonden, welke aanname onbegrijpelijk is zonder nadere onderbouwing, welke ontbreekt.”
3.5
De toelichting houdt in de kern het volgende in. Dat ‘eventueel onderhoud en schoonmaak’ heeft plaatsgevonden, is ten onrechte door de Rechtbank als feit gepresenteerd, omdat noch in de stukken, noch tijdens het onderzoek ter zitting daarover is gesproken.6.Tevens heeft de Rechtbank ten onrechte de bewijslast met betrekking tot de belastingplicht bij belanghebbende gelegd. Het is bovendien gebruikelijk om in leegstaande onroerende zaken instandhoudingsonderhoud (waaronder ook schoonmaak) te verrichten. Bij leegstaande onroerende zaken die worden aangehouden in afwachting van verhuur, is geen sprake is van gebruik in de zin van art. 220(a) Gemeentewet, terwijl daar ook instandhoudingsonderhoud plaatsvindt, bijvoorbeeld in verband met de wettelijk verplichte periodieke controles van bijvoorbeeld de elektrotechnische installaties.
Verweerschrift
3.6
Het Bestuur verweert zich tegen het eerste middel met voornamelijk rechtskundige argumenten. In verband met het tweede middel betoogt het Bestuur dat belanghebbende in de procedure voor de Rechtbank het door de Heffingsambtenaar in zijn verweerschrift gestelde feit over de schoonmaakwerkzaamheden op de peildatum, niet heeft weersproken. Het is de rechter bovendien op grond van art. 8:69(3) Awb toegestaan om ambtshalve feiten aan te vullen. Verder, ook als de Rechtbank de door belanghebbende bedoelde feiten niet ten grondslag aan haar uitspraak had mogen leggen, zouden de andere vastgestelde feiten het oordeel over gebruik in de zin van art. 220(a) Gemeentewet kunnen dragen.
Conclusie van repliek
3.7
Belanghebbende geeft een reactie op de rechtskundige argumenten van het Bestuur. Daarnaast stelt belanghebbende dat zij het feit zoals opgenomen in het verweerschrift door de Heffingsambtenaar, wel heeft weersproken.
Nadere uitgangspunten in cassatie
3.8
In aanvulling op de in onderdeel 2 vermelde feiten, kunnen – zo nodig – als nadere uitgangspunten in cassatie gelden de volgende omstandigheden, gelet op enerzijds wat de Rechtbank heeft overwogen (rov. 6) en anderzijds wat in cassatie niet is bestreden:
- Door de corona-maatregelen was het op 1 januari 2022 niet mogelijk het pand te gebruiken voor de door belanghebbende beoogde commerciële activiteiten;
- Tijdens de publiekssluiting was het pand steeds volledig ingericht als bioscoop;
- Na opheffing van de corona-maatregelen is de openstelling van de bioscoop voor het publiek gerealiseerd.
4. Bespreking van de cassatiemiddelen
Het eerste middel
4.1
Het middel (zie de laatste zin ervan) neemt terecht als uitgangspunt dat het louter ter beschikking staan van een onroerende zaak, niet kan worden aangemerkt als gebruik als bedoeld in art. 220(a) Gemeentewet (vgl. HR BNB 1985/258 en HR BNB 2012/60, aangehaald in Bijlage, punt 3.9 en punt 3.19).
4.2
Voor zover het middel echter ervan uitgaat dat in dit geval het pand belanghebbende louter ter beschikking stond, dat wil zeggen dat belanghebbende haar beschikkingsbevoegdheid over het pand niet heeft uitgeoefend, faalt het middel. In zoverre gaat het middel gaat namelijk uit van een onjuiste lezing van de uitspraak van de Rechtbank althans ontbeert het middel feitelijke grondslag. In de feitelijke vaststellingen van de Rechtbank ligt immers besloten dat belanghebbende het pand voorafgaande aan de publiekssluiting gebruikte voor de exploitatie van een bioscoop. Verder staat vast dat het pand tijdens de publiekssluiting steeds volledig ingericht bleef als bioscoop, ook op de peildatum.
4.3
Voor zover het middel ervan uitgaat dat de omstandigheid dat het pand op de peildatum is ingericht als bioscoop, niet meebrengt dat sprake is van ‘gebruik’, lijkt mij dat uitgangspunt in die zin juist dat die omstandigheid op zichzelf niet de gevolgtrekking rechtvaardigt dat belanghebbende het pand metterdaad bezigde voor opslag (vgl. HR BNB 1997/84, aangehaald in Bijlage, punt 3.14).
4.4
Het is mijns inziens echter te beperkt om voor de beoordeling of belanghebbende op de peildatum het pand gebruikt als bedoeld in art. 220(a) Gemeentewet slechts af te gaan op de toestand sec op de peildatum. Bij de beoordeling ‘naar de omstandigheden’ op de peildatum kan ook acht worden geslagen op andere omstandigheden dan die zich feitelijk voordoen op de peildatum (Bijlage, punt 5.18).
4.5
Voor dit geval betekent dit dat het ingericht zijn als bioscoop in de context moet worden gezien van de wijze waarop – beoordeeld naar de omstandigheden op de peildatum – belanghebbende het pand aanwendt. Daarbij staat vast dat belanghebbende het pand als bioscoop exploiteert (zie 2.1). Bovendien ligt in de overwegingen van de Rechtbank besloten7.dat belanghebbende het oogmerk had om de bioscoop (zo snel mogelijk) weer open te stellen voor publiek zodra dat mogelijk was. Dat is in cassatie niet bestreden. Gelet op deze omstandigheden heeft belanghebbende het pand in gebruik op de peildatum en is daarmee mijns inziens op de peildatum gebruiker van het pand in de zin van art. 220(a) Gemeentewet (vgl. Bijlage, punt 5.21). Zo toch een gebruik sec op de peildatum zou moeten worden aangewezen, bestaat dat gebruik in het ingericht hebben van het pand als bioscoop om het na beëindiging van de corona-maatregelen te gebruiken als bioscoop (vgl. Bijlage, punt 5.22).
4.6
Uit het voorgaande volgt dat ik meen dat de tussenstap van de Rechtbank om het ingericht zijn van het pand als bioscoop aan te merken als ‘opslag’ niet nodig is, maar dat ik me wel kan vinden in de strekking dat – de tussenstap weggedacht – het ingericht zijn van het pand moet worden gezien in het kader van gebruik van het pand voor eigen behoeften.
4.7
Uit het voorgaande volgt ook dat het middel met zijn klachten over de opslag-duiding door de Rechtbank tevergeefs opkomt tegen het oordeel van de Rechtbank dat belanghebbende is aan te merken als gebruiker.
Het tweede middel
4.8
Uit het voorgaande volgt verder dat het tweede middel niet tot cassatie kan leiden. Nog daargelaten of de frase ‘door eventueel noodzakelijk onderhoud en schoonmaak’ de vaststelling van een feit impliceert – ik worstel in dat kader met het woord ‘eventueel’; kan iets wat eventueel gebeurt een feit zijn? Of zou zijn bedoeld: ‘sporadisch’? –, volgt uit het voorgaande dat het oordeel dat sprake is van gebruik zelfstandig gedragen door andere feiten c.q. omstandigheden.
5. Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑07‑2024
Ik merk op dat ik in onderdeel 3.8 van deze conclusie constateer dat nog enige andere feiten als uitgangspunten in cassatie zouden kunnen dienen.
Rechtbank Rotterdam 24 augustus 2023, nr. 22/5595, ECLI:NL:RBROT:2023:7845, V-N 2024/8.25.14.
HR 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0250, BNB 2012/60.
W.G. van den Ban in Belastingblad 2012/210 en W.J.N.M. Snoijink in BNB 2012/60.
HR 30 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5394, BNB 1993/265.
Belanghebbende wijst er in dat kader op dat de overwegingen nagenoeg zijn overgenomen van de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland 18 april 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1870.
Ik leid dit af uit de overwegingen – met mijn onderstrepingen – “De rechtbank merkt dit aan als opslag in de onroerende zaak van meubilair en dergelijke ten behoeve van het zo snel mogelijk weer toelaten van publiek. Verder acht de rechtbank het aannemelijk dat de onroerende zaak, met het oog op een hopelijk spoedige heropening, in een zodanige staat werd gehouden (door eventueel noodzakelijk onderhoud en schoonmaak) dat de bioscoop bij opheffing van de coronabeperkingen meteen weer voor het publiek kon worden opengesteld.”
Conclusie 19‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Bijlage: ECLI:NL:PHR:2024:787Art. 220(a) Gemeentewet. Onroerendezaakbelasting voor gebruikers. Begrip ‘gebruik’. Criterium ‘metterdaad bezigen ter bevrediging van de eigen behoeften’. Is sprake van ‘gebruik’ door belanghebbende van een onroerende zaak hoewel het op de peildatum niet mogelijk is de onroerende zaak op de beoogde wijze te gebruiken als gevolg van corona-maatregelen? Aan belanghebbende is een aanslag onroerendezaakbelasting voor gebruikers voor het jaar 2021 opgelegd ter zake van een onroerende zaak waarin belanghebbende een sportschool exploiteert. Het Hof heeft geoordeeld dat hoewel belanghebbende de onroerende zaak niet kon gebruiken voor de beoogde commerciële activiteiten door de corona-maatregelen, belanghebbende op de peildatum 1 januari 2021 gebruiker was in de zin van art. 220(a) Gemeentewet, omdat zij de onroerende zaak steeds bewust voor zichzelf ter beschikking heeft gehouden met de intentie haar weer te exploiteren als sportschool zodra dit mogelijk was. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat belanghebbende toegang tot de onroerende zaak had, dat de onroerende zaak in afwachting van de heropening steeds volledig als sportschool bleef ingericht en dat minimale schoonmaakwerkzaamheden zijn uitgevoerd. A-G Pauwels betoogt, gebruikmakend van een analyse in de bijlage bij zijn conclusie, dat het oordeel van het Hof juist is. De omstandigheid dat op en rond de peildatum gebruik op de beoogde wijze niet mogelijk is, staat – anders dan belanghebbende betoogt – als zodanig nog niet eraan in de weg dat, naar de omstandigheden op de peildatum beoordeeld, de onroerende zaak metterdaad wordt gebezigd voor de eigen behoefte die gelegen is in de beoogde wijze van gebruik. Gelet op de door het Hof vastgestelde en in cassatie niet dan wel tevergeefs bestreden omstandigheden dat (i) voorafgaande aan de beperking wegens de corona-maatregelen de onroerende zaak als sportschool werd gebruikt, (ii) de onroerende zaak gedurende de periode van sluiting volledig als sportschool bleef ingericht, en (iii) op de peildatum kan worden aangenomen dat belanghebbende de onroerende zaak weer als sportschool zal gebruiken zodra dit mogelijk wordt, wordt de onroerende zaak op 1 januari 2021 door belanghebbende gebruikt in de zin van art. 220(a) Gemeentewet. Het cassatieberoep van belanghebbende is volgens de A-G ongegrond.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03445
Datum 19 juli 2024
Belastingkamer B
Onderwerp/tijdvak Onroerendezaakbelasting 2021
Nr. Gerechtshof 22/01154
CONCLUSIE
M.R.T. Pauwels
In de zaak van
[X] B.V. (belanghebbende)
tegen
het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Den Haag (het College)
1. Inleiding en overzicht
1.1
Deze zaak gaat over de onroerendezaakbelasting voor gebruikers (gebruikersbelasting) als bedoeld in art. 220(a) Gemeentewet. Aan belanghebbende is een aanslag gebruikersbelasting voor het jaar 2021 opgelegd ter zake van een onroerende zaak waarin belanghebbende een sportschool exploiteert. De vraag die zich hier voordoet is in de kern of belanghebbende als belastingplichtige kan worden aangemerkt voor de gebruikersbelasting, in aanmerking genomen dat belanghebbende de onroerende zaak op de peildatum 1 januari 2021 niet kon gebruiken op de door haar beoogde wijze als gevolg van de van toepassing zijnde corona-maatregelen.
1.2
Ik neem tegelijk conclusie in twee andere zaken waarin dezelfde vraag aan de orde is (zij het in een gedeeltelijk andere feitelijke context). Bij deze conclusie en de twee andere conclusies hoort een gemeenschappelijke bijlage (de Bijlage).
1.3
Een van de twee andere zaken betreft eveneens een zaak over een sportschool. Het feitencomplex in die andere sportschoolzaak is nagenoeg hetzelfde. Een verschil is dat in de andere zaak ook nog is vastgesteld dat het zwembad op temperatuur is gehouden gedurende de periode waarin de sportschool gesloten was in verband met de corona-maatregelen. De stukken in cassatie luiden in beide zaken nagenoeg hetzelfde. Beide zaken zijn in cassatie tegelijk mondeling toegelicht door de gemachtigde van de belanghebbenden in die zaken, waarbij pleitaantekeningen zijn overgelegd die op beide zaken betrekking hebben.
1.4
Het Hof heeft geoordeeld dat hoewel belanghebbende de onroerende zaak gedurende een bepaalde periode niet kon gebruiken voor de beoogde commerciële activiteiten door de coronamaatregelen, belanghebbende op 1 januari 2021 gebruiker was in de zin van art. 220(a) Gemeentewet. Redengevend is dat belanghebbende de onroerende zaak steeds bewust voor zichzelf ter beschikking heeft gehouden met de intentie haar weer te exploiteren als sportschool zodra dit mogelijk was. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat belanghebbende toegang tot de onroerende zaak had, dat de onroerende zaak in afwachting van de heropening steeds volledig als sportschool bleef ingericht, en dat (minimale) schoonmaakwerkzaamheden zijn uitgevoerd.
1.5
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie vermeldt twee klachten. De eerste klacht is in de kern gebaseerd op de opvatting dat “aan de kwalificatie van gebruik in de zin van art. 220 aanhef en sub a) Gemeentewet in de weg staat dat de onroerende zaak niet kan worden gebruikt voor de bestemming waarvoor de gebruiker deze aanhoudt, zoals in het geval van ontbrekende toestemming vanuit de overheid”. De tweede klacht keert zich met diverse deelklachten tegen de overwegingen die het Hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat belanghebbende als gebruiker is aan te merken.
1.6
Ik bespreek de klachten in onderdeel 4 van deze conclusie aan de hand van de analyse in de Bijlage. De eerste klacht faalt naar mijn mening omdat de klacht uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat op en rond peildatum gebruik op de beoogde wijze niet mogelijk is, staat als zodanig nog niet eraan in de weg dat, naar de omstandigheden op peildatum beoordeeld, de onroerende zaak metterdaad wordt gebezigd voor de eigen behoefte die gelegen is in de beoogde wijze van gebruik. De tweede klacht faalt eveneens. Uit de uitspraak van het Hof volgt (i) dat belanghebbende voorafgaande aan de beperking door de corona-maatregelen op 15 december 2020 de onroerende zaak op de beoogde wijze – namelijk als sportschool – gebruikte, (ii) dat de onroerende zaak gedurende de periode van sluiting volledig als sportschool bleef ingericht, en (iii) dat op de peildatum kan worden aangenomen dat belanghebbende de onroerende zaak weer als sportschool zal gebruiken zodra dat mogelijk wordt. Deze omstandigheden worden in cassatie niet dan wel tevergeefs bestreden. Gelet op die omstandigheden is het oordeel van het Hof juist dat belanghebbende op 1 januari 2021 de onroerende zaak gebruikt in de zin van art. 220(a) Gemeentewet.
2. De feiten en oordeel Hof
De feiten
2.1
Belanghebbende huurt een onroerende zaak (de onroerende zaak) en exploiteert daarin een sportschool met aanverwante activiteiten (de sportschool).
2.2
In verband met de corona-maatregelen was de sportschool van 15 december 2020 tot en met 19 mei 2021 van overheidswege gesloten (de periode van sluiting).1.
2.3
De heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag (de Heffingsambtenaar) heeft ter zake van de onroerende zaak onder meer een aanslag onroerendezaakbelasting voor gebruikers opgelegd voor het jaar 2021 (de aanslag). De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
2.4
De rechtbank Den Haag2.heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Gerechtshof Den Haag3.
2.5
Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.
2.6
Voor het Hof was – voor zover in cassatie nog van belang – in geschil of op 1 januari 2021 sprake was van gebruik door belanghebbende van de onroerende zaak in de zin van art. 220(a) Gemeentewet.
2.7
Na een schets van het juridische kader (rov. 5.4.1-5.4.2) oordeelt het Hof dat de Heffingsambtenaar belanghebbende terecht aanmerkt als gebruiker op 1 januari 2021. Het overweegt daartoe als volgt:
“5.5.1. Weliswaar was het door de coronabeperkingen gedurende een bepaalde periode niet mogelijk de onroerende zaak voor de beoogde commerciële activiteiten te gebruiken, maar belanghebbende had wel toegang tot de onroerende zaak en deze bleef in afwachting van de heropening steeds volledig als sportschool – met het daartoe benodigde meubilair – ingericht. Daarnaast zijn tijdens de verplichte sluiting minimale schoonmaakwerkzaamheden uitgevoerd. Hieruit volgt dat belanghebbende de onroerende zaak steeds bewust voor zichzelf ter beschikking heeft gehouden met de intentie haar weer te exploiteren als sportschool zodra dit mogelijk was. Na opheffing van de coronabeperkingen is dit ook gebeurd. Belanghebbende heeft de onroerende zaak dus, zij het beperkt, metterdaad gebezigd ter bevrediging van haar behoeften. Dat er op 1 januari 2021 geen schoonmaak-werkzaamheden zijn uitgevoerd, maakt dit niet anders.”
2.8
Verder zet het Hof uiteen waarom hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, niet tot een ander oordeel leidt:
“5.5.2. (…) Anders dan belanghebbende betoogt, leidt het enkele aanhouden van de onroerende zaak in afwachting van de opheffing van de coronabeperkingen niet ertoe dat geen sprake is van “metterdaad bezigen”. Bovendien is haar situatie, anders dan zij betoogt, niet gelijk te stellen aan het geval waarin sprake is van leegstand en waarbij de genothebbende tevergeefs heeft geprobeerd de onroerende zaak te verhuren. Evenmin slagen belanghebbendes verwijzingen naar het geval van het onbewoond laten van een gemeubileerde woning na het overlijden van de gebruiker ervan, zonder dat die woning voor enig doel wordt aangewend, of naar het geval waarin een boorlocatie in het verleden was gebruikt voor een proefboring maar sedertdien op die plaats geen enkele feitelijke werkzaamheid meer was verricht. Van beëindiging van een voorafgaand gebruik van de onroerende zaak is in het geval van belanghebbende immers geen sprake.”
3. Het geding in cassatie
3.1
Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft de zaak mondeling doen toelichten door haar gemachtigde, in welk verband pleitaantekeningen zijn overgelegd.
Klachten
3.2
De eerste klacht houdt in dat geen sprake is van gebruik, omdat het beoogd gebruik niet was toegestaan. Belanghebbende huurt de onroerende zaak om daarin een sportschool te kunnen exploiteren. De exploitatie als sportschool was gedurende de periode van sluiting echter niet toegestaan. Aan de kwalificatie van gebruik in de zin van art. 220(a) Gemeentewet staat in de weg staat dat de onroerende zaak niet kan worden gebruikt voor de bestemming waarvoor deze wordt aangehouden. Dit vindt steun in het arrest HR BNB 2012/60.4.In dat arrest gaat het om een bouwperceel dat werd aangehouden in afwachting van een bouwvergunning. Ten onrechte heeft het Hof niet op dezelfde wijze geoordeeld dat er aan gebruik door belanghebbende niet wordt toegekomen zolang de vereiste toestemming vanuit de overheid ontbreekt. De uitspraak is onvoldoende gemotiveerd, althans er is sprake van een onjuiste toepassing – en daarmee schending – van het recht.
3.3
De tweede klacht keert zich met diverse deelklachten tegen vooral rov. 5.5.1 van het Hof. In de kern:
- Punt 13: Het Hof miskent dat ander gebruik dan het beoogde commercieel gebruik geen ‘gebruik’ oplevert als bedoeld in art. 220(a) Gemeentewet.
- Punt 14: Het Hof miskent dat de sluitingsmaatregel op 14 december 2020 voor belanghebbende onvoorzien was en dat zij daarom niet anders kon reageren dan zij heeft gedaan. Het Hof veronderstelt echter – door gebruik van het woord ‘bewust’ – alsof belanghebbende een keuze had anders te handelen.
- Punt 15: Het Hof heeft nagelaten te motiveren waarom de situatie begin 2021 gelijk te stellen zou zijn met het beoogde gebruik van de onroerende zaak.
- Punt 16: Het Hof veronderstelt ten onrechte dat belanghebbende begin 2021, gedurende de sluitingsperiode, minimale schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht. Onjuist is het daarop voortbouwende uitgangspunt dat belanghebbende haar bedrijfsvoering erop inrichtte dat zodra de sluitingsmaatregel werd opgeheven, de commerciële exploitatie kon worden hervat en dat de minimale schoonmaakwerkzaamheden daarvan een onderdeel vormden. Er moesten juist intensieve werkzaamheden worden verricht.
- Punt 17: Het Hof betrekt ten onrechte bij zijn overwegingen dat belanghebbende toegang tot de onroerende zaak had. Het hebben van toegang op zichzelf vormt geen grond voor gebruik.
- Punt 18: Ditzelfde geldt voor de aanwezigheid van zaken (meubilair en sportschoolinventaris) in de onroerende zaak. De aanwezigheid van zaken wordt niet verklaard door een bewust besluit van belanghebbende. De zaken zijn niet in de onroerende zaak gelaten met het oog op het metterdaad bezigen voor eigen gebruik zodra dat weer mogelijk is.
- Punt 19: Gelet op de omstandigheden, zoals toegelicht in punten 13-18, is onbegrijpelijk het oordeel van het Hof dat belanghebbende de onroerende zaak, zij het beperkt, metterdaad heeft gebezigd ter bevrediging van haar behoeften.
- Punt 20-21: Onbegrijpelijk is de afwijzing door het Hof in rov. 5.5.2 van het beroep van belanghebbende op het arrest HR BNB 1993/2655.over een boorlocatie waarop na een proefboring geen enkele werkzaamheid meer is verricht.
Verweerschrift
3.4
Het College stelt dat de klachten niet kunnen leiden tot een vernietiging van de uitspraak van het Hof, omdat de overwegingen in lijn zijn met de wetsgeschiedenis bij art. 220(a) Gemeentewet. Verder zijn de feiten in de door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie wezenlijk anders zijn dan de feiten in de onderhavige casus. Er is bovendien jurisprudentie over gevallen die beter vergelijkbaar zijn, zoals een uitspraak van rechtbank Oost-Brabant6.en een uitspraak van rechtbank Rotterdam7.over een restaurant respectievelijk een kledingwinkel die vanwege de coronamaatregelen op 1 januari 2021 gesloten waren voor publiek. In verband met de uitspraak van rechtbank Rotterdam is van belang dat in dit geval van een sportschool alternatief gebruik ook denkbaar is. Verder kan uit het aanwezig houden van inventaris en het verrichte onderhoud (waaronder de schoonmaakwerkzaamheden) wordt afgeleid dat belanghebbende het voornemen had om de onroerende zaak na afloop van de maatregelen weer in gebruik te nemen. Het was bovendien breed de verwachting dat de corona-maatregelen een tijdelijk karakter zouden hebben. Overigens is in feitelijke instantie niet aangevoerd dat belanghebbende is uitgegaan van mogelijke bedrijfsbeëindiging. Verder kan niet worden volgehouden dat de sluitingsmaatregel totaal onverwacht kwam gelet op de gedeeltelijke lock-down op 13 oktober 2020. De stelling dat het feitelijk onmogelijk was de aanwezige zaken elders onder te brengen, is voor het eerst in cassatie ingenomen en mist feitelijke grondslag.
Mondelinge toelichting (pleitaantekeningen)
3.5
De toelichting houdt naast een (nadere) juridische onderbouwing van de klachten een reactie in op feitelijke punten in het verweerschrift. Die reactie houdt in de kern in dat de sluitingsmaatregel redelijkerwijs niet voor belanghebbende was te voorzien (punt 9), dat de tijdelijke aard van de sluitingsmaatregel evenmin was te voorzien (punt 10), dat belanghebbende reeds in hoger beroep heeft gesteld geen andere keuze te hebben gehad dan zaken (meubilair en sportschoolinventaris) aanwezig te laten (punt 14), dat het College miskent dat bij de door hem genoemde alternatieve gebruiksmogelijkheden de onroerende zaak zelf geen rol speelt en dat die mogelijkheden bovendien geenszins eenvoudig zijn te realiseren (punt 15), en de schoonmaakactiviteiten vonden niet op of rondom peildatum plaats maar pas veel later toen de sluitingsmaatregel werd opgeheven (punt 17).8.
Nadere uitgangspunten in cassatie
3.6
In aanvulling op de in onderdeel 2 vermelde feiten, kunnen – zo nodig – als nadere uitgangspunten in cassatie gelden de volgende omstandigheden, gelet op enerzijds wat het Hof heeft overwogen (rov. 5.5.1) en anderzijds wat in cassatie niet is bestreden:
- Belanghebbende had gedurende de periode van sluiting toegang tot de onroerende zaak.
- De onroerende zaak bleef gedurende de periode van sluiting volledig als sportschool – met het daartoe benodigde meubilair – ingericht.9.
- Op 1 januari 2021 zijn geen schoonmaakwerkzaamheden uitgevoerd.
3.7
De sportschool is heropend zodra dit mogelijk was na opheffing van de corona-beperkingen.
4. Beoordeling van de klachten
Eerste klacht
4.1
De eerste klacht gaat uit van de opvatting dat “aan de kwalificatie van gebruik in de zin van art. 220 aanhef en sub a) Gemeentewet in de weg staat dat de onroerende zaak niet kan worden gebruikt voor de bestemming waarvoor de gebruiker deze aanhoudt, zoals in het geval van ontbrekende toestemming vanuit de overheid” (beroepschrift in cassatie, punt 7). In de context van deze zaak begrijp ik dat belanghebbende daarmee bedoelt dat het beoogde gebruik niet mogelijk is op en rond peildatum.
4.2
Deze opvatting is naar mijn mening onjuist. Ten eerste ook als de beoogde wijze van gebruik niet mogelijk is, kan nog steeds sprake zijn van ‘gebruik’ indien de onroerende zaak op een andere wijze wordt gebruikt (vgl. HR BNB 1979/268, aangehaald in Bijlage, punt 3.3).
4.3
Ten tweede, belangrijker in het kader van deze zaak, de omstandigheid dat op en rond peildatum gebruik op de beoogde wijze niet mogelijk is, staat als zodanig nog niet eraan in de weg dat, naar de omstandigheden op peildatum beoordeeld, de onroerende zaak metterdaad wordt gebezigd voor de eigen behoefte die gelegen is in de beoogde wijze van gebruik. Het is mijns inziens namelijk te beperkt om voor de beoordeling of sprake is van dergelijk gebruik op peildatum als bedoeld in art. 220(a) Gemeentewet slechts af te gaan op de toestand sec op peildatum. Bij de beoordeling ‘naar de omstandigheden’ op peildatum kan ook acht worden geslagen op andere omstandigheden dan die zich feitelijk voordoen op peildatum (Bijlage, punt 5.18). Steun voor dit een en ander vind ik (onder meer) in de arresten HR BNB 1981/162 en HR BNB 1982/30 inzake recreatiewoningen, waarin ook aan de orde is dat op en rond peildatum het beoogde gebruik niet was toegestaan (Bijlage, punt 5.19).
4.4
De klacht faalt derhalve. Opmerking verdient daarbij dat de kwestie óf in dit geval gebruik aanwezig is, aan de orde komt in het kader van de tweede klacht.
Tweede klacht
4.5
De tweede klacht bestaat uit diverse deelklachten, waarvan de kern is weergegeven in onderdeel 3.3 van deze conclusie met verwijzing naar de vindplaats in het cassatieberoepschrift. Ik zal hierna de deelklachten aanhalen met een nummer dat overeenkomt met die vindplaats.
4.6
Ik begin (echter) met een analyse of het Hof feiten en omstandigheden heeft vastgesteld die de gevolgtrekking rechtvaardigen dat sprake is van ‘gebruik’. Dat doe ik om twee redenen voordat ik op de deelklachten inga. De eerste reden is dat mocht het antwoord ontkennend luiden, reeds daarom de tweede klacht slaagt naar haar strekking. De tweede reden is dat, bij een bevestigend antwoord, de behandeling van de deelklachten kan worden toegespitst op de deelklachten die betrekking hebben op de dragende feiten en omstandigheden.
4.7
Ik meen dat deze benadering gerechtvaardigd is gegeven de jurisprudentie van de Hoge Raad over het begrip (feitelijk) gebruik. In die jurisprudentie zit de Hoge Raad namelijk rechtskundig dicht op de feiten in die zin dat de Hoge Raad geregeld zelf aan het vaststaande feitencomplex de juridische gevolgtrekking verbindt of al dan niet sprake is van (feitelijk) gebruik (Bijlage, punt 5.9). Daarmee strookt dat het niet zozeer van belang is welke van de vastgestelde omstandigheden het Hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, maar veeleer of vastgestelde omstandigheden aanwezig zijn die het oordeel rechtvaardigen.
4.8
In de Bijlage, punt 5.21, heb ik de opvatting verdedigd dat van ‘gebruik’ ook sprake is in het geval (i) de ondernemer de onroerende zaak voorafgaande aan de beperking door de corona-maatregelen op de beoogde wijze gebruikte, (ii) de onroerende zaak op peildatum is ingericht voor de beoogde wijze van gebruik, en (iii) op peildatum kan worden aangenomen dat de ondernemer de onroerende zaak weer op de beoogde wijze zal gebruiken zodra dat mogelijk wordt.
4.9
Uit de uitspraak van het Hof volgt dat deze omstandigheden in deze zaak aanwezig zijn:
- Ad i) In de in 2.1-2.2 (van deze conclusie) vermelde feiten ligt besloten dat belanghebbende voorafgaande aan de beperking door de corona-maatregelen op 15 december 2020 de onroerende zaak op de beoogde wijze – namelijk als sportschool – gebruikte.
- Ad ii) De onroerende zaak bleef gedurende de periode van sluiting volledig als sportschool – met het daartoe benodigde meubilair – ingericht (zie 3.6).
- Ad iii) Op peildatum kan worden aangenomen dat belanghebbende de onroerende zaak weer als sportschool zal gebruiken zodra dat mogelijk wordt. Dit ligt besloten in de overwegingen: “[de onroerende zaak] bleef in afwachting van de heropening steeds volledig als sportschool (…) ingericht” en “dat belanghebbende de onroerende zaak steeds bewust voor zichzelf ter beschikking heeft gehouden met de intentie haar weer te exploiteren als sportschool zodra dit mogelijk was”.
4.10
Dit betekent dat de behandeling van de deelklachten kan worden toegespitst op de deelklachten die betrekking hebben op deze omstandigheden.
4.11
De omstandigheden die zijn vermeld bij ad i) en ad ii) worden niet bestreden.
4.12
Afgevraagd kan worden of in enige van de deelklachten besloten ligt dat wél bestreden wordt wat bij ad iii) is vermeld. Het gaat dan vooral om deelklacht 14 en deelklacht 18. Deze klachten benadrukken – voor zover hier van belang – in de kern dat belanghebbende geen keuzemogelijkheid had om de onroerende zaken ingericht te houden en dat de aanwezigheid van de inrichting (daarom) niet kan worden verklaard door een bewust besluit van belanghebbende “omdat zij de intentie had ieder moment weer de commerciële exploitatie van de sportschool weer te hervatten, oftewel zijn deze niet in de onroerende zaak aanwezig gelaten met oog op het metterdaad bezigen voor eigen gebruik zodra dat weer mogelijk is”.
4.13
Zie echter goed dat deze klachten erop gericht zijn dat aan het ingericht blijven van de onroerende zaak als sportschool geen bewust besluit ten grondslag ligt, anders dan het Hof heeft geoordeeld. Met andere woorden: de klachten bestrijden het door het Hof gelegde verband tussen enerzijds het ingericht blijven als sportschool en anderzijds de intentie om de onroerende zaak weer als sportschool te exploiteren zodra dat mogelijk is. De klachten houden strikt genomen niet in dat belanghebbende niet de intentie had om de onroerende zaak weer als sportschool te gebruiken zodra dat mogelijk is. Dat laatste ligt prima facie ook niet voor de hand nu de exploitatie als sportschool is hervat zodra dat mogelijk was (zie 3.6).
4.14
Hoe dan ook, het uitgangspunt van het Hof dat belanghebbende de onroerende zaak weer als sportschool wilde exploiteren zodra dat mogelijk is, houdt naar mijn mening in cassatie stand. Het is naar mijn mening niet onbegrijpelijk en hoefde geen motivering. Wat betreft dit laatste merk ik op dat dit anders zou kunnen zijn indien belanghebbende in feitelijke instanties had betoogd dat op peildatum de intentie afwezig was om de exploitatie te hervatten. Het beroepschrift in cassatie vermeldt echter niet dat dit is betoogd. Het verweerschrift in cassatie (p. 3, bovenaan) wijst er expliciet op dat dit niet is aangevoerd. Dit is tijdens de mondelinge toelichting voor de Hoge Raad – ook blijkens de pleitaantekeningen – niet weersproken.
4.15
Dit betekent dat ook de omstandigheid die is vermeld bij ad iii), verder als uitgangspunt in cassatie kan gelden.
4.16
Gelet op wat in 4.8 is vermeld, betekent dit dat naar mijn mening het oordeel van het Hof juist is dat belanghebbende als gebruiker is aan te merken van de onroerende zaak op de peildatum.
4.17
De andere deelklachten kunnen niet tot een ander oordeel leiden, hetzij omdat ze uitgaan van een andere rechtsopvatting dan ik verdedig, hetzij omdat ze zijn gericht tegen andere omstandigheden dan die welke zijn vermeld in 4.9.
5. Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑07‑2024
Het Hof (rov. 2.2) heeft tevens als feit vastgesteld dat gedurende deze periode minimale schoonmaakwerkzaamheden zijn verricht. Belanghebbende bestrijdt dit evenwel in cassatie (beroepschrift in cassatie, punt 16).
Rechtbank Den Haag 15 september 2022, nr. SGR 21/5032, ECLI:NL:RBDHA:2022:14886, Fida 2023-0478.
Gerechtshof Den Haag 11 juli 2023, nr. 22/01154, ECLI:NL:GHDHA:2023:1406, FutD 2023-2164, Fida 20234157, NLF 2023/1871, V-N Vandaag 2023/1843, V-N 2023/54.24 met aantekening redactie Vakstudie Nieuws.
HR 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0250, BNB 2012/60.
HR 30 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5394, BNB 1993/265.
Rechtbank Oost-Brabant 13 januari 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:184.
Rechtbank Rotterdam 10 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2363.
Ik ga ervan uit dat punt 16 van de pleitaantekeningen geen betrekking heeft op deze zaak, maar op de andere sportschoolzaak, nu dat punt betrekking heeft op het zwembad.
Het Hof heeft in dat verband ook overwogen dat dit gebeurde “in afwachting van de heropening”, maar dat wordt in cassatie wel bestreden, althans dat meen ik af te leiden uit punt 18 van het beroepschrift in cassatie.
Conclusie 19‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Deze gemeenschappelijke bijlage hoort bij de conclusies in de zaken met nrs. 23/03444 ECLI:NL:PHR:2024:768 , 23/03445 ECLI:NL:PHR:2024:776 en 23/03793 ECLI:NL:PHR:2024:778 (hierna ook: de onderhavige zaken). De zaken met nrs. 23/03444 en 23/03445 kennen een nagenoeg vergelijkbaar feitencomplex. In elk van de zaken is in de kern aan de orde of de belanghebbende als belastingplichtige kan worden aangemerkt voor de gebruikersbelasting, in aanmerking genomen dat de belanghebbende de onroerende zaak op de peildatum niet kon gebruiken op de door haar beoogde wijze als gevolg van de van toepassing zijnde COVID-19-maatregelen (ook wel: corona-maatregelen). Het gaat daarbij om de uitleg en de toepassing van het begrip ‘gebruik’ in art. art. 220(a) Gemeentewet.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
M.R.T. Pauwels
ADVOCAAT-GENERAAL
Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 19 juli 2024 inzake:
Nrs. 23/03444, 23/03445 en 23/03793
Derde Kamer B
1. Inleiding en overzicht
1.1
Deze gemeenschappelijke bijlage hoort bij de conclusies in de zaken met nrs. 23/03444, 23/03445 en 23/03793 (hierna ook: de onderhavige zaken). De zaken met nrs. 23/03444 en 23/03445 kennen een nagenoeg vergelijkbaar feitencomplex. Deze zaken betreffen uitspraken van het gerechtshof Den Haag (de sportschoolzaken).1.De zaak met nr. 23/03793 betreft een uitspraak van rechtbank Rotterdam (de bioscoopzaak).2.
1.2
In elk van de zaken is in geschil of terecht een aanslag in de onroerendezaakbelasting voor gebruikers (gebruikersbelasting) als bedoeld in art. 220(a) Gemeentewet is opgelegd. In de sportschoolzaken gaat het om aanslagen voor het jaar 2021, en in de bioscoopzaak om een aanslag voor het jaar 2022. In elk van de zaken is in de kern aan de orde of de belanghebbende als belastingplichtige kan worden aangemerkt voor de gebruikersbelasting, in aanmerking genomen dat de belanghebbende de onroerende zaak op de peildatum niet kon gebruiken op de door haar beoogde wijze als gevolg van de van toepassing zijnde COVID-19-maatregelen (ook wel: corona-maatregelen). Het gaat daarbij om de uitleg en de toepassing van het begrip ‘gebruik’ in art. art. 220(a) Gemeentewet.
1.3
Hoewel het antwoord op de vraag of sprake is van ‘gebruik’ afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, lenen de onderhavige zaken zich naar mijn mening toch voor een gezamenlijke analyse wat betreft de rechtskundige kant. Dit wordt ondersteund door een bevinding van de analyse, namelijk dat de intensiteit van toetsing door Hoge Raad van oordelen over (feitelijk) gebruik doorgaans hoog is (5.9).
1.4
Deze bijlage is als volgt opgebouwd. Onderdeel 2 bevat gegevens over wetgeving. Achtereenvolgens komen aan de orde: de huidige wettekst en eerdere teksten (2.1-2.5), wetsgeschiedenis met betrekking tot de wettekst tot en met 1994 waarin het begrip ‘feitelijk gebruiken’ werd gehanteerd (2.6-2.13), het Besluit gemeentelijke onroerend-goedbelastingen dat gold tot en met 1994 (2.14-2.18), wetsgeschiedenis met betrekking tot de nieuwe tekst per 1 januari 1995 waarin het begrip ‘gebruiken’ wordt gehanteerd (2.19-2.31) en de Wet WOZ (2.32).
1.5
Onderdeel 3geeft een overzicht van jurisprudentie van de Hoge Raad over het begrip ‘feitelijk gebruiken’ in de periode tot en met 1994 (3.2-3.16) en over het begrip ‘gebruiken’ in de periode vanaf 1995 (3.17-3.23).
1.6
Onderdeel 4geeft een overzicht van uitspraken van feitenrechters (en commentaren daarop) over ‘gebruik’ in de situatie waarin het beoogde gebruik van een onroerende zaak niet mogelijk is door corona-maatregelen. Dit doe ik om een beeld te geven van de verschillende opvattingen en de relevant geachte omstandigheden.
1.7
Onderdeel 5 bevat mijn beschouwing. Ik start met een uiteenzetting van enige hoofdlijnen die ik destilleer uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie van de Hoge Raad (5.1-5.9). Vervolgens ga ik op de voorliggende kwestie in (5.10-5.23). Ik meen dat de peildatumtoets strikt is wat betreft de aanwijzing van de gebruiker voor de gebruikersbelasting (5.16), maar dat wat betreft het begrip ‘gebruik’ de peildatumtoets niet zo eng moet worden uitgelegd dat vereist is dat precies op de peildatum feitelijke gebruikshandelingen worden verricht (5.17). Bij ‘gebruik’ op de peildatum moet het in wezen gaan om ‘in gebruik hebben’, beoordeeld naar de omstandigheden op de peildatum, waarbij niet vereist is dat die omstandigheden zich ook feitelijk voordoen op peildatum (5.18). Steun voor deze benadering vind ik in arresten over recreatiewoningen waarin ‘gebruik’ aanwezig is geacht ondanks de juridische en/of feitelijke beperkingen van het gebruik op de peildatum (5.18-5.19). De benadering is ook verenigbaar met arresten waarin geen gebruik aanwezig is geacht (5.20). Voor de onderhavige corona-kwestie betekent de benadering dat de omstandigheid dat het beoogde gebruik op de peildatum niet mogelijk is, niet wegneemt dat sprake kan zijn van ‘gebruik’ als bedoeld in art. 220(a) Gemeentewet. Dat laatste zal in het bijzonder aan de orde zijn in het geval de ondernemer de onroerende zaak voorafgaande aan de beperking door de corona-maatregelen op de beoogde wijze gebruikte, de onroerende zaak op de peildatum is ingericht voor de beoogde wijze van gebruik, en (op de peildatum) aangenomen kan worden dat de ondernemer de onroerende zaak weer op de beoogde wijze zal gebruiken zodra dat mogelijk wordt (5.21).
2. Wettekst en wetsgeschiedenis
Huidige wettekst en eerdere teksten
2.1
De Gemeentewet voorziet in de mogelijkheid voor een gemeente om een onroerendezaakbelasting te heffen van onder meer – kort gezegd – degene die bij begin van het kalenderjaar een onroerende zaak niet zijnde een woning gebruikt (de gebruikersbelasting). Art. 220(a) Gemeentewet bepaalt daartoe het volgende:
“Ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken kunnen onder de naam onroerende-zaakbelastingen worden geheven:
a. een belasting van degenen die bij het begin van het kalenderjaar onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken;”
2.2
Dit is de tekst zoals die geldt vanaf 1 januari 2006. Op die datum is de tekst gewijzigd in verband met het afschaffen van de gebruikersbelasting ter zake van woningen.3.Daarvóór gold de tekst vanaf 1 januari 1995 zoals ingevoerd bij de Invoeringswet van de wet materiële belastingbepalingen Gemeentewet.4.Deze tekst wijkt op het voor de onderhavige kwestie relevante onderdeel niet af van de huidige tekst. Dat onderdeel is de term ‘gebruiken’.
2.3
De voorganger van de (huidige) Gemeentewet, de oude gemeentewet, voorzag vanaf 30 december 1970 in een onroerend-goedbelasting, ook voor gebruikers.5.De daartoe strekkende bepaling was opgenomen in art. 273 (oude) gemeentewet (tekst bij invoering):
“Ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerend goed – met uitzondering van ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond – kunnen worden geheven:
a. een belasting van degenen die het onroerend goed, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht feitelijk gebruiken;
(…)”
2.4
Deze tekst is ook nog één jaar van toepassing geweest als onderdeel van de (huidige) Gemeentewet na zijn invoering per 1 januari 1994. De tekst was opgenomen in het toenmalige art. 220, met dien verstande dat inmiddels de term ‘onroerende zaken’ (in plaats van ‘onroerend goed’)6.werd gehanteerd.7.Hier van belang is de constatering dat in de periode tot en met 1994 de term ‘feitelijk gebruiken’ werd gehanteerd.
2.5
Hierna komt aan de hand van de wetsgeschiedenis de ontwikkeling aan de orde van de term ‘feitelijk gebruiken’ en de vervanging daarvan door de term ‘gebruiken’.8.
Wetsgeschiedenis met betrekking tot tekst tot en met 1994; de term ‘feitelijk gebruiken’
2.6
De invoering van de onroerend-goedbelasting in 1970 (zie 2.3) vloeit voort uit de aanvaarding van het in 1968 ingediende wetsontwerp Wijziging van de bepalingen inzake gemeentelijke en provinciale belastingen.9.Zij kent echter al een langere voorgeschiedenis, waarop ik hier niet verder inga dan het volgende.10.
2.7
De memorie van toelichting bij het wetsontwerp ‘Voorlopige voorziening inzake verruiming van het gemeentelijke belastinggebied’ (ingediend in 1963)11.wijdt beschouwingen aan de invoering van een belasting op onroerend goed (in de context dat de invoering van zo’n belasting een alternatief is voor de invoering van een woonplaatsbelasting). Daarbij werd ook toen al gedacht aan een belasting die bestaat uit de combinatie van een belasting van gebruikers en een belasting van eigenaren.12.Over de belasting van gebruikers is toegelicht dat zij de bestaande personele belasting zou vervangen, en dat de heffing een ruim toepassingsbereik moet hebben, namelijk zodanig dat niet alleen gebruikers van woonhuizen maar ook gebruikers van bedrijfsgebouwen en -terreinen in de heffing zouden kunnen worden betrokken.13.Dat een ruim toepassingsbereik is beoogd, vindt ook steun in de toelichting waar zij impliceert dat de wens om “een zo groot mogelijk deel der inwoners” zo direct mogelijk in de belastingheffing te betrekken kan worden bereikt door (vooral) een belasting van de gebruikers van onroerend goed.14.Hoewel het voornoemde wetsontwerp in 1968 is ingetrokken,15.is de memorie van toelichting daarbij in zoverre nog van betekenis dat uit de memorie van toelichting bij het hierna aan de orde komende wetsontwerp Wijziging van de bepalingen inzake gemeentelijke en provinciale belastingen volgt dat dit laatste wetsontwerp voortbouwt op gedachten en plannen in de eerstbedoelde memorie van toelichting wat betreft de belasting op onroerend goed.16.
2.8
Terug naar dat wetsontwerp Wijziging van de bepalingen inzake gemeentelijke en provinciale belastingen. Het oorspronkelijk voorgestelde art. 273 betreffende de onroerendgoedbelasting luidt, voor zover relevant:17.
“Ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerend goed (…) kunnen één of meer belastingen worden geheven van degenen, die daarvan het genot hebben krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.
(…)
Onder genot krachtens persoonlijk recht wordt begrepen het feitelijk genot anders dan op grond van een daartoe strekkend recht.”
2.9
De memorie van toelichting bevat een uiteenzetting waarom de nieuwe belasting niet is beperkt tot natuurlijke personen.18.Verder wordt specifiek ingegaan op de rechtvaardiging van heffing bij de gebruikers van bedrijfsruimten:19.
“Evenmin kunnen de ondergetekenden instemmen met de (…) opvatting, dat de heffing bij de gebruikers van bedrijfsruimte geen enkele zin zou hebben, indien men deze beziet tegen de achtergrond van een der door de Regering genoemde overwegingen welke pleiten voor een uitbreiding van het gemeentelijke belastinggebied, te weten het de ingezetenen van een gemeente een rechtstreeks belang doen hebben bij het beleid van de gemeentelijke bestuursorganen. De meeste gebruikers van in een bepaalde gemeente gelegen bedrijfsruimten zullen immers natuurlijke personen zijn, die ook in die gemeente wonen. Dat ook die ondernemers in de gemeentelijke heffing betrokken worden die, hetzij geen natuurlijke personen zijn, hetzij elders wonen, berust niet alleen op de mede door de Regering aangevoerde overweging voor de verruiming van het gemeentelijke belastinggebied, namelijk dat de gemeenten moeten beschikken over een passende eigen belastingheffing als sluitstuk op het stelsel van uitkeringen, maar onder meer ook op de noodzaak te voorkomen dat binnen een bepaalde gemeente de concurrentieverhoudingen worden verstoord.”
2.10
De memorie van toelichting vermeldt niet specifiek wat onder ‘gebruik’ (c.q. onder ‘genot krachtens een persoonlijk recht’) moet worden verstaan. Het artikelsgewijze commentaar vermeldt wel over de in 2.8 laatste geciteerde zin:20.
“Door het bepaalde in het derde lid is het mogelijk ook degene in de belasting te betrekken die een onroerend goed feitelijk gebruikt enkel op grond van een gedogen door de eigenaar en niet op grond van verkregen rechten. Ook de personele belasting kent de feitelijke gebruiker als belastingplichtige.”
2.11
De memorie van antwoord vermeldt over die zin:21.
“De vraag of het derde lid van artikel 273 een omschrijving van het begrip persoonlijk recht geeft dan wel een uitbreiding van dat begrip beoogt, zou in laatstbedoelde zin moeten worden beantwoord, ware het niet dat de ondergetekenden in de tweede nota van wijzigingen dit voorschrift doen vervallen, zulks mede in verband met een wijziging van het eerste en van het tweede lid van artikel 273.”
2.12
De uiteindelijke tekst van art. 273 (oude) gemeentewet (zie 2.3) luidt anders dan die in het oorspronkelijke wetsontwerp als gevolg van wijzigingen. Bij de tweede nota van wijziging worden afzonderlijke omschrijvingen opgenomen van zowel de zakelijk gerechtigden als de gebruikers als belastingplichtigen. In het kader van de omschrijving van de gebruiker komt de term ‘feitelijk gebruiken’ in de tekst: “degenen die dat onroerende goed, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht feitelijk gebruiken”.22.De toelichting vermeldt niet wat onder de term ‘feitelijk gebruiken’ moet worden verstaan.23.
2.13
Bij vijfde nota van wijziging is de uiteindelijk ingevoerde tekst tot stand gekomen. Bij die nota is het voorgestelde eerste lid vervangen door een herziene tekst.24.De omschrijving van de gebruikers is daarbij in de kern hetzelfde gebleven. De toelichting gaat niet specifiek op de term ‘feitelijk gebruiken’ in.25.
Besluit gemeentelijke onroerend-goedbelastingen (Besluit OGB) (1971-1994)
2.14
Art. 273 en 303 (oude) gemeentewet kennen delegatiebepalingen. Op die bepalingen is het Besluit OGB gebaseerd,26.dat op 28 oktober 1971 in werking is getreden.27.Dit besluit vermeldt onder meer het volgende over de belastingplicht:
“Artikel 2.
1. Ter zake van een onroerend goed kunnen worden geheven:
a. een belasting van degene die – naar omstandigheden beoordeeld – bij het begin van het belastingjaar het onroerende goed al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht feitelijk gebruikt;
(…)
2. Voor de toepassing van het eerste lid, letter a, wordt:
a. gebruik door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het hoofd van dat huishouden;
b. gebruik door degene aan wie het gebruik van een gedeelte van een onroerend goed is afgestaan, aangemerkt als gebruik door degene die dat gedeelte ten gebruike heeft afgestaan;
c. ingeval van verschillende soorten feitelijk gebruik alleen het belangrijkste gebruik in aanmerking genomen.
(…)”
2.15
Anders dan art. 273 (oude) gemeentewet bevat art. 2(1) Besluit OGB dus een peildatum (bij het begin van het belastingjaar) voor de bepaling van de belastingplicht. Art. 15 Besluit OGB is daaraan complementair:
“Een belastingverordening ter zake van onroerend goed voorziet niet in de mogelijkheid van ontheffing op grond van in de loop van het belastingjaar optredende wijzigingen in de omstandigheden die bepalend zijn voor de persoon van de belastingplichtige en de grootte van de belastingschuld.”
2.16
De invoering van een peildatum wordt als volgt toegelicht:28.
“Artikel 2 voert tevens een peildatum in: de belastingplicht wordt beoordeeld naar de omstandigheden bij het begin van het belastingjaar, dat is het kalenderjaar. Daarmede is vastgesteld dat de belastingverordening niet kan voorzien in de aanvang van een belastingplicht in de loop van het belastingjaar. In dit verband zij er tevens op gewezen dat in artikel 15 ook de mogelijkheid van ontheffing op grond van in de loop van het belastingjaar opkomende omstandigheden is uitgesloten.”
2.17
De toelichting gaat vervolgens in op de vraag wanneer sprake is van feitelijk gebruik. De term ‘naar omstandigheden beoordeeld’ in art. 2(1) Besluit OGB is ontleend aan art. 4 AWR:29.
“Dat de vraag wie bij het begin van het belastingjaar het onroerende goed feitelijk gebruikt naar de omstandigheden wordt beoordeeld – een ook in de woonplaatsbepaling van artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bekend begrip – houdt in dat deze vraag vrijwel steeds zal kunnen worden beantwoord op grond van de gegevens van het bevolkingsregister. Voorts zullen in vele gevallen de namen en adressen van de feitelijke gebruikers ook kunnen worden ontleend aan de debiteurenadministratie van de gemeentelijke produktiebedrijven voor water en energie. De datum van de aansluiting kan hulpmiddel zijn bij de vaststelling van het tijdstip waarop het onroerende goed voor feitelijk gebruik ter beschikking werd gekregen.”
2.18
Tevens wordt opgemerkt dat sprake moet zijn van een duurzaam gebruik. Dit betekent dat ‘toevallig gebruik’ op de peildatum niet tot belastingplicht leidt. Daartegenover staat dat het tijdelijk niet gebruiken van een onroerende zaak (of het niet het gehele jaar gebruiken) door degene die het onroerende goed voor gebruik ter beschikking heeft, de belastingplicht niet wegneemt:30.
“Feitelijk gebruik, als is bedoeld in artikel 2, eerste lid, letter a, omvat niet het toevallige gebruik bij het begin van het jaar zoals bijvoorbeeld het gebruik van de woning van uitstedige vrienden rond de jaarwisseling. Slechts een meer duurzaam gebruik brengt belastingplicht mede. Aan de andere kant neemt het tijdelijk niet gebruiken of niet het gehele jaar gebruiken door degene die het onroerende goed voor gebruik ter beschikking heeft, de belastingplicht voor de in artikel 2, eerste lid, letter a, bedoelde belasting niet weg.”
Wetsgeschiedenis met betrekking tot de nieuwe tekst per 1 januari 1995; de term ‘gebruiken’
2.19
Zoals gezien in 2.2 wordt vanaf 1 januari 1995 de term ‘gebruiken’ (in plaats van ‘feitelijk gebruiken’) gehanteerd in de bepaling over de onroerendezaakbelasting in de Gemeentewet. Dat heeft de volgende achtergrond.
2.20
In 1983 heeft de Commissie tot herziening van het belastinggebied van provincies en gemeenten een rapport uitgebracht (het rapport Christiaanse).31.Dat rapport signaleert diverse knelpunten met betrekking tot de destijds bestaande regeling wat betreft het begrip ‘feitelijk gebruik’. De commissie adviseert: (i) het adjectief ‘feitelijk’ niet langer te handhaven, en (ii) de regeling van het gebruik in de wet op te nemen in plaats van in het Besluit OGB.
“Het ontbreken van een regeling in de wet van hetgeen onder feitelijk gebruik moet worden verstaan is een ander knelpunt dat de commissie bij haar studie heeft geconstateerd. In artikel 273 van de gemeentewet is slechts geregeld dat een belasting kan worden geheven van degenen, die het onroerend goed, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht feitelijk gebruiken.
In artikel 2 van het Besluit OGB wordt het begrip gebruik vervolgens – nog onvoldoende – uitgewerkt.
Het ontbreken van een nadere bepaling in de wet casu quo het Besluit OGB heeft tot resultaat dat problemen ontstaan met betrekking tot de aanwijzing van een gebruiker, wanneer er meer gebruikers zijn, zonder dat sprake is van een samenlevingsverband in de zin van een huishouden. (…).
Volgens de jurisprudentie kan in een aantal situaties de eigenaar/verhuurder, die zelf medegebruiker is, dan wel een belangrijke mate van zeggenschap houdt, als feitelijke gebruiker worden aangewezen. Weliswaar is hiermede het door de wet gelaten vacuüm verkleind, doch nauwelijks weggenomen. De commissie acht het in dit verband noodzakelijk de term “feitelijke”” niet langer te handhaven. Het begrip gebruik wordt daardoor ruimer. Hierdoor zal de door haar ongewenst geachte situatie dat geen gebruiker kan worden aangewezen zich praktisch niet meer kunnen voordoen.
De commissie is overigens van oordeel dat een zo centrale zaak als de regeling van het gebruik in de wet geregeld dient te zijn en niet in het Besluit OGB. Hierbij is zij van mening dat een volledige oplossing voor de problematiek van het collectieve gebruik moeilijk kan worden gevonden in een nadere wettelijke omschrijving van het belastingobject, zulks mede gezien de grote verscheidenheid in feitelijke situaties. Slechts door middel van een regeling van het gebruik in de wet zelf kan een praktisch hanteerbare oplossing voor de hier geschetste problematiek worden gevonden.
De commissie heeft dan ook een regeling van het gebruik in haar wetsontwerp opgenomen. (…).”
2.21
Het rapport Christiaanse adviseert de volgende tekst voor de gebruiker als belastingplichtige (voorgesteld art. 273):32.
“Ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerend goed kunnen worden geheven:
a. een belasting van degenen die onroerend goed, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht gebruiken;
(…)”
De memorie van toelichting daarbij luidt voor zover van belang:33.
“Term gebruik
De tekst van het eerste lid is (…) gehandhaafd, behoudens het feit dat de term “feitelijk gebruiken” is gewijzigd in gebruiken.
Hiermee beoogt de commissie een verruiming van het begrippenkader tot stand te brengen die zij noodzakelijk acht, omdat het met gebruikmaking van de term “feitelijk” gezien de terzake gewezen jurisprudentie niet altijd mogelijk is een gebruiker van een onroerend goed aan te wijzen. Dit is met name het geval bij collectief gebruik van onroerend goed, waar het niet mogelijk is één van de feitelijke gebruikers als belangrijkste gebruiker aan te merken en ook niet om degene die het gebruik mogelijk heeft gemaakt als feitelijke gebruiker aan te merken. Het zou echter wel mogelijk zijn deze laatste als gebruiker aan te wijzen omdat voor dit laatste niet alleen de feitelijke situatie meetelt, maar ook het geheel van bevoegdheden waarop de feitelijke situatie berust.
De commissie acht de aldus tot stand gebrachte verruiming van het begrippenkader vooral gewenst vanuit de filosofie dat het draagvlak van de onroerend-goedbelastingen zo breed mogelijk moet zijn en vanuit het gelijkheidsbeginsel: indien een onroerend goed (feitelijk) gebruikt wordt moet er voor de heffing van deze onroerend-goedbelasting ook een gebruiker kunnen worden aangewezen.”
2.22
Het rapport Christiaanse heeft geleid tot het wetsvoorstel Wijziging van de gemeentewet met betrekking tot de materiële belastingbepalingen, waarin voorstellen van dat rapport geheel of gedeeltelijk zijn overgenomen. Het voorgestelde art. 219 is gelijk aan de tekst zoals voorgesteld in het rapport Christiaanse, met dien verstand dat wel de peildatum ‘bij het begin van het kalenderjaar’ is opgenomen.34.
2.23
De memorie van toelichting vermeldt dat het voorstel is overgenomen om het woord ‘feitelijk’ te laten vervallen. Wel is opgemerkt dat de opvatting in het rapport Christiaanse dat niet altijd een feitelijke gebruiker kan worden aangewezen, inmiddels is achterhaald door een arrest van de Hoge Raad.35.De memorie van toelichting luidt:36.
“§ 2.3.2 Standpuntbepaling
Ter zake van het voorstel van de commissie de term <<feitelijk>> te laten vervallen kunnen wij kort zijn. Dat voorstel nemen wij over. De opvatting dat er in de huidige situatie sprake is van een leemte, omdat niet altijd een feitelijke gebruiker kan worden aangeslagen is inmiddels door de ontwikkeling in de rechtspraak achterhaald. In zijn arrest van 3 februari 1988, nr. 25017, (Belastingblad 1988, blz. 216) overwoog de Hoge Raad dat ingeval meerdere personen het onroerend goed, al dan niet voor het geheel, feitelijk gebruiken dan wel daarvan het genot hebben krachtens zakelijk recht, zij ingevolge artikel 273 van de gemeentewet in beginsel allen in de belasting kunnen worden betrokken; uiteraard met dien verstande dat ter zake van het onroerende goed de belasting slechts éénmaal kan worden geheven. Het is dan ook in het stelstel van de onroerend-goedbelastingen niet noodzakelijk om, zoals thans in artikel 2 van het Besluit OGB is geregeld, in de wet op te nemen wie in welke gevallen moet worden aangeslagen. De consequentie van dit stelsel is echter dat een belastingplichtige die niet de beschikking heeft over het totale belastingobject voor het geheel kan worden aangeslagen. Een student die gebruiker is van één kamer in een studentenflat kan voor het gehele gebouw in de heffing worden betrokken, terwijl hij bovendien niet de mogelijkheid heeft om de delen van de belasting die in feite betrekking hebben op het gebruik door anderen van delen van dat onroerend goed, te verhalen. De door de commissie Christiaanse voorgestelde wettekst geeft hiervoor echter een oplossing. Wij hebben dit voorstel dan ook overgenomen.”
2.24
De memorie van toelichting vermeldt ook dat de verruiming van ‘feitelijk gebruiken’ naar ‘gebruiken’ noodzakelijk is, omdat het niet altijd mogelijk was om bij collectief gebruik één van de feitelijke gebruikers als belangrijkste gebruiker aan te merken:37.
“(…)Voorts is in artikel 219 de term feitelijk gebruiken gewijzigd in gebruiken. Hiermee wordt een verruiming van het begrip tot stand gebracht. Wij achten die verruiming noodzakelijk, omdat het gezien de ter zake gewezen jurisprudentie niet altijd mogelijk is een feitelijke gebruiker van een onroerend goed aan te wijzen. Dit is met name het geval bij collectief gebruik van onroerend goed waar het niet steeds mogelijk is één van de feitelijke gebruikers als belangrijkste gebruiker aan te merken en het ook niet mogelijk is om degene die het gebruik mogelijk heeft gemaakt als feitelijk gebruiker aan te merken. Het is wel mogelijk beide laatstgenoemde categorieën als gebruiker aan te wijzen omdat hiervoor niet alleen de feitelijke situatie hoeft mee te tellen, maar ook het geheel van bevoegdheden waarop de feitelijke situatie berust van invloed is. Wij wijzen in dit verband ook op artikel 219b, eerste lid.”
2.25
De memorie van toelichting licht toe dat de verruiming van het begrip ook gewenst is uit het oogpunt van het gelijkheidsbeginsel:38.
“Wij achten de aldus tot stand gebrachte verruiming van het begrip gewenst omdat het draagvlak van de onroerend-goedbelastingen zo breed mogelijk moet zijn. Ook in verband met het gelijkheidsbeginsel is het wenselijk dat indien een onroerende goed (feitelijk) gebruikt wordt er voor de heffing van deze onroerend-goedbelasting in alle gevallen ook een belastingplichtige gebruiker kan worden aangewezen.”
2.26
Ik merk op dat ook op andere plaatsen in de memorie van toelichting terugkomt het uitgangspunt dat het draagvlak van de onroerend-goedbelasting breed moet zijn. De memorie benadrukt dit in het kader van terughoudendheid met het gebruik van vrijstellingen. In dat verband wordt ook verwezen naar het karakter van de belasting:39.
“Het karakter van de onroerend-goedbelastingen - objectieve en zakelijke belastingen die gebaseerd zijn op het profijtbeginsel in ruime zin - brengt met zich dat van de mogelijkheid tot het verlenen van vrijstellingen een zo beperkt mogelijk gebruik moet worden gemaakt en dat deze vrijstellingen zeker niet ruim moeten worden uitgelegd. Het draagvlak van de onroerend-goedbelastingen moet immers zo breed mogelijk zijn.
(…)
Wij zijn van mening dat de commissie Christiaanse in een algemene beschouwing over vrijstellingen en uitzonderingen terecht het standpunt heeft ingenomen dat de onroerend-goedbelastingen een zo breed mogelijk draagvlak van contribuabelen moeten hebben. Daarom moet het aantal vrijstellingen en uitzonderingen - zeker de verplichte - zo klein mogelijk zijn. Immers, onroerend-goedbelastingen zijn algemene belastingen met een objectief en zakelijk karakter, die op de profijtgedachte in ruime zin zijn gebaseerd.”
2.27
De wijziging in ‘gebruiken’ betekent (echter) niet dat de gebruikersbelasting ook geheven kan worden ter zake van een leegstaand object:40.
“De wijziging van de term <<feitelijk gebruiken>> in <<gebruiken>> betekent overigens niet, dat de gebruikersbelasting ook kan worden geheven ter zake van leegstaande objecten. Een leegstaand object, dat wil zeggen een object dat echt leeg staat, en dat aldus geen meubilair en dergelijke bevat, wordt ook niet echt gebruikt in de zin van artikel 219, onderdeel a. Dit is slechts anders indien een genothebbende krachtens een zakelijk recht zijn object bewust leeg laat staan met de bedoeling het voor bepaalde doeleinden voor zichzelf ter beschikking te houden.”
2.28
De memorie geeft van dit laatste (dat wil zeggen: gevallen van leegstaande objecten waarvan toch sprake is van ‘gebruik’) de volgende voorbeelden:41.
“Een voorbeeld wordt gevormd door opslagplaatsen die door de Staat beschikbaar worden gehouden voor gebruik in oorlogstijd (Hof Amsterdam 24 januari 1989, nr. 3212/81, Belastingblad 1983, blz. 272). Ondanks die leegstand kan niet worden gesteld dat dergelijke objecten niet worden gebruikt. Een ander voorbeeld is een recreatiewoning die – al dan niet krachtens gemeentelijke verordening – op 1 januari niet wordt of mag worden bewoond. Ook in dat geval is er sprake van gebruik in de zin van artikel 219, onderdeel a (HR 8 juli 1981, BNB 1981/248 en HR 29 april 1981, BNB 1981/162).”
2.29
Uit de memorie van toelichting valt op te maken dat de toelichting wat betreft leegstaande objecten is verduidelijkt naar aanleiding van een door de VNG opgeworpen vraag of de wijziging van de term ‘feitelijk gebruik’ erin zou kunnen resulteren dat onroerende-goedbelasting kan worden geheven over leegstaande onroerende goederen. De memorie vermeldt dat dit niet de bedoeling is, tenzij de eigenaar een leegstaand object – naar de omstandigheden beoordeeld – voor zich ter beschikking houdt:42.
“De VNG vraagt zich voorts af of de gewijzigde bepaling met betrekking tot de heffing van onroerend-goedbelasting van de gebruiker, waar niet meer wordt gesproken van <<feitelijk gebruik>>, er toe zou kunnen leiden dat voor leegstaande onroerende goederen de eigenaar in de heffing wordt betrokken. Wij wijzen erop dat dit niet onze bedoeling is, behalve daar waar de eigenaar een leegstaand object, naar omstandigheden beoordeeld, voor zich ter beschikking houdt. Wij hebben op dit punt de toelichting verder verduidelijkt.”
2.30
In de nota naar aanleiding van het verslag is het volgende opgemerkt over de wijziging van de term ‘feitelijk’ gebruik naar ‘gebruik’:43.
“De leden van de PvdA-factie drongen er op aan te bewerkstelligen dat de in dit wetsvoorstel opgenomen materiële belastingbepalingen tegelijk met de nieuwe Gemeentewet in werking kunnen treden. (…) Het is belangrijk dat het wetsvoorstel doorgang kan vinden. De bepalingen die in dit wetsvoorstel zijn opgenomen, zijn van groot belang voor de gemeenten. Wij noemen: de wijzing van het begrip <<feitelijk gebruik>> in <<gebruik>>, een verruiming waardoor het in alle gevallen mogelijk zal kunnen zijn om een aanslag voor het gebruik op te leggen.”
Mede gelet op de eerder in memorie van toelichting gegeven opvatting over leegstaande objecten, ga ik ervan uit dat met “alle gevallen” in deze passage wordt gedoeld op alle gevallen waarin sprake is van gebruik.
2.31
Het wetsvoorstel, waaronder het voorgestelde art. 219, is uiteindelijk tot wet verheven op 1 januari 1995.44.Door een invoeringswet bij die wet is die wet op diezelfde datum nog gewijzigd als gevolg waarvan de bepaling over de gebruikersbelasting voor de onroerendezaakbelasting is opgenomen in art. 220 Gemeentewet.45.Die invoeringswet voorziet tevens erin dat het Besluit OGB wordt ingetrokken, eveneens per 1 januari 1995.46.
Wet WOZ
2.32
Art. 24(3)(b) Wet WOZ bevat een omschrijving van de gebruiker van een onroerende zaak die grotendeels overeenkomst met die in art. 220(a) Gemeentewet. Ik besteed daaraan verder geen afzonderlijke aandacht, enerzijds omdat A-G Niessen dat al gedaan heeft in een bijlage bij een conclusie en anderzijds omdat uit die bijlage blijkt dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat inderdaad aansluiting is gezocht bij de Gemeentewet.47.
3. Jurisprudentie Hoge Raad met betrekking tot het begrip ‘feitelijk gebruik’ en ‘gebruik’
3.1
A-G Niessen is eerder in een bijlage bij een conclusie uit 2008 (hierna: bijlage Niessen) uitgebreid ingegaan op jurisprudentie over de begrippen ‘feitelijk gebruiken’ en ‘gebruiken’.48.Ik volsta hier niet met een verwijzing naar die bijlage, enerzijds met het oog op de zelfstandige leesbaarheid van de onderhavige bijlage en anderzijds omdat ik ook enige andere jurisprudentie behandel gegeven de kwestie die in deze bijlage centraal staat. Met het oog op het beperken van overlap heb ik er wel voor gekozen om niet ook literatuur over die arresten te citeren die reeds in de bijlage Niessen is geciteerd. Bij de bronverwijzing in voetnoten zal ik opnemen waar een arrest (en eventuele literatuur daarover) ook is geciteerd in de bijlage Niessen.
Jurisprudentie over ‘feitelijk gebruiken’ (periode tot en met 1994)
3.2
Zoals hierna blijkt, dient volgens rechtspraak onder het huidige in art. 220(a) Gemeentewet gehanteerde begrip ‘gebruiken’ te worden verstaan: “het metterdaad bezigen van een onroerende zaak ter bevrediging van de eigen behoefte”. Deze omschrijving werd eerder ook al gehanteerd voor de uitleg van het begrip ‘feitelijk gebruiken’ onder de oude gemeentewet.
3.3
De omschrijving vindt haar oorsprong in HR BNB 1979/268.49.Deze zaak gaat over het geval waarin de eigenaar van een huis eind 1974 het huis had laten afbreken en na nieuwjaar was begonnen met de bouw van het nieuwe woonhuis. De eigenaar werd vervolgens voor de gebruikersbelasting aangeslagen naar de toestand per 1 januari 1975. Anders dan het gerechtshof acht de Hoge Raad wel gebruik aanwezig. De Hoge Raad overweegt onder meer dat van gebruik niet slechts sprake is wanneer een onroerend goed overeenkomstig zijn aard en inrichting wordt gebruikt.50.“In ieder geval” degene die een onroerend goed metterdaad bezigt ter bevrediging van zijn behoeften, gebruikt dat goed. Daaronder valt het geval waarin iemand (zoals de belanghebbende) ter bevrediging van zijn behoefte aan een woning een hem ter beschikking staand ongebouwd onroerend goed bezigt om daarop een huis te doen bouwen:
“dat noch de tekst, noch de strekking van artikel 273 van de gemeentewet en van het daarmee overeenstemmende artikel 1 van de Verordening aanleiding geeft om aan te nemen (…) dat van gebruik in de zin van die bepalingen slechts sprake is, indien van een onroerend goed overeenkomstig zijn aard en inrichting gebruik wordt gemaakt;
dat artikel 4, lid 2, van de Verordening eerder een aanwijzing voor het tegendeel vormt;
dat in ieder geval degene die een onroerend goed metterdaad bezigt ter bevrediging van zijn behoeften, dat goed gebruikt, zodat iemand als belanghebbende, die ter bevrediging van zijn behoefte aan een woning een hem ter beschikking staand ongebouwd onroerend goed bezigt om daarop een huis te doen bouwen, dat goed gebruikt in de zin van artikel 1 van de Verordening;”
3.4
In het arrest HR BNB 1979/270 gaat het om een huurder die het huurcontract van een woonhuis had opgezegd op 31 januari 1976 en/maar het woonhuis op 1 januari 1976 reeds had ontruimd.51.De Hoge Raad oordeelt dat belanghebbende het woonhuis bij het begin van 1975 niet metterdaad bezigde. Verder blijkt uit de overwegingen van de Hoge Raad dat de omstandigheid dat het woonhuis bij het begin van 1975 feitelijk ter beschikking van belanghebbende stond, onvoldoende is om “uit anderen hoofde” feitelijk gebruik te aanvaarden:
“dat blijkens ’s Hofs vaststellingen belanghebbende de huur van het woonhuis, wegens het feitelijk gebruik waarvan de onderwerpelijke aanslag is opgelegd, tegen 31 januari 1976 had opgezegd en dat woonhuis op 1 januari 1976 reeds had ontruimd;
dat daaruit volgt dat belanghebbende dat woonhuis bij het begin van het onderhavige belastingjaar niet metterdaad bezigde, terwijl er te dezen geen grond is uit anderen hoofde feitelijk gebruik (…) te aanvaarden;
dat het Hof, dat tot dat laatste voldoende heeft geoordeeld dat het woonhuis bij het begin van het onderhavige belastingjaar feitelijk ter beschikking van belanghebbende stond, mitsdien is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, zodat zijn uitspraak niet in stand kan blijven en de klachten van belanghebbende geen behandeling meer behoeven;”
3.5
In HR BNB 1981/162 gaat het om een recreatiewoning die op grond van de plaatselijke regelgeving enkel mocht worden bewoond van 1 maart tot 1 november, dus niet in de periode waarin 1 januari is gelegen. De Hoge Raad is van oordeel dat dit laatste niet eraan afdoet dat de belanghebbende, gelet op de omstandigheden van het geval (waaronder dat de woning uitsluitend door de belanghebbende wordt gebruikt en het gehele jaar is gemeubileerd), is aan te merken als feitelijk gebruiker:52.
“dat het Hof heeft vastgesteld: dat belanghebbende eigenaar is van het in dit geding bedoelde onroerend goed dat hij in 1967 heeft gekocht; dat dit onroerend goed betreft een op eigen grond gelegen zomerhuis, hetwelk uitsluitend door belanghebbende en zijn gezin wordt gebruikt, niet wordt verhuurd en gedurende het gehele jaar is gemeubileerd;
dat het Hof uit deze feiten terecht heeft afgeleid dat belanghebbende naar de omstandigheden beoordeeld als feitelijk gebruiker van het onroerend goed op 1 januari 1977 moet worden aangemerkt;
dat de omstandigheid, dat ter plaatse het bewonen van een zomerhuis in de wintermaanden – waarin de peildatum is gelegen – niet is toegestaan, daaraan niet afdoet;”
3.6
In HR BNB 1981/24853.gaat het ook om een eigenaar (een exploitante van een recreatiebedrijf) van recreatiewoningen (vakantiebungalows) echter ditmaal bestemd voor de verhuur voor betrekkelijk korte perioden aan vakantiegangers. De woningen konden gedurende de winter, ondanks de aanwezige gevelkachels, niet worden bewoond. Daardoor waren de woningen op de peildatum niet verhuurd of anderszins voor bewoning in gebruik. Volgens het gerechtshof bracht dit mee dat van feitelijk gebruik op de peildatum geen sprake is. De Hoge Raad is van oordeel dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Van feitelijk gebruik op 1 januari kan ondanks de onbewoonbaarheid gedurende de winter toch sprake zijn, met name indien de bungalows gedurende het aan de peildatum onmiddellijk voorafgaande seizoen voor betrekkelijk korte perioden gemeubileerd aan vakantiegangers verhuurd zijn geweest en er op die peildatum geen reden was om aan te nemen dat er in dit opzicht in het volgende seizoen iets zou veranderen:
“dat het Hof heeft geoordeeld, dat met betrekking tot de in zijn uitspraak bedoelde vakantiebungalows van feitelijk gebruik in de zin van de Verordening op 1 januari 1976 geen sprake was, waar de betreffende huisjes uitsluitend voor de verhuur bestemd waren, gedurende de winter ondanks de daarin aanwezige gevelkachel niet kunnen worden bewoond en daarom op 1 januari 1976 niet waren verhuurd of anderszins voor bewoning in gebruik;
dat dit oordeel van het Hof steunt op een onjuiste rechtsopvatting;
dat toch - uitsluitend voor de verhuur bestemde - bungalows als de onderwerpelijke, die gedurende de winter niet (kunnen) worden bewoond, niettemin op 1 januari feitelijk kunnen worden gebruikt in meerbedoelde zin;
dat dit met name het geval is indien die bungalows gedurende het aan de peildatum onmiddellijk voorafgaande seizoen door een recreatiebedrijf voor betrekkelijk korte perioden gemeubileerd aan vakantiegangers verhuurd zijn geweest en er op die peildatum geen reden was om aan te nemen dat er in dit opzicht in het volgende seizoen iets zou veranderen;
(…)
O. dat verwijzing moet volgen voor een hernieuwd onderzoek naar de vraag of belanghebbende de desbetreffende bungalows op 1 januari 1976 feitelijk gebruikte;”
3.7
In HR BNB 1982/3054.gaat het om vier recreatiewoningen die de eigenaar, de belanghebbende, als beleggingsobjecten ter verhuur beschikbaar had. Op grond van een overheidsvoorschrift mochten de recreatiewoningen niet gedurende het gehele jaar worden bewoond. Tevens waren de woningen – bij gebrek van mogelijkheid tot permanente verwarming – minder geschikt voor permanente bewoning. In de woningen waren alleen inboedelgoederen aanwezig die in een voor – telkens tijdelijke – verhuur bestemde recreatiewoning aanwezig plegen te zijn. Volgens het gerechtshof kan niet worden gezegd dat sprake is van feitelijk gebruik. Ik citeer de overwegingen, omdat de Hoge Raad ernaar verwijst (althans naar de laatste twee):
“,,dat op grond van hetgeen hierboven onder de vaststaande feiten is weergegeven van belanghebbende niet gezegd kan worden dat hij - naar de omstandigheden beoordeeld - bij het begin van het belastingjaar 1980 de vier woningen - of een of meer van die woningen - metterdaad bezigde;
dat het enkele met betrekking tot een onroerend goed - bij het begin van een belastingjaar - uitgeoefende vermogensbeheer en het in het kader van dat vermogensbeheer beschikbaar houden van dat - eventueel als recreatiewoning gemeubileerde en ingerichte - onroerende goed ten verhuur niet oplevert het feitelijke gebruiken van dat onroerende goed als bedoeld in art. 273, eerste lid, aanhef en onder a, Gem.W. (…);
dat niet is gebleken van enig feitelijk gebruik van de vier woningen - of een of meer van die woningen - door een ander dan belanghebbende (of een van de leden van zijn huishouden) bij het begin van het belastingjaar 1980;'';”
De Hoge Raad volgt het oordeel van het gerechtshof niet, met een motivering die in lijn ligt van HR BNB 1981/248.55.Ik merk op dat de Hoge Raad alleen over de tweede en derde overweging oordeelt dat zij uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting (en dus niet over de eerste overweging over ‘metterdaad bezigen’):
“dat toch uitsluitend voor de verhuur bestemde recreatiewoningen, ook als zij (…) gedurende de winter niet mogen worden bewoond en voor zodanige bewoning ook niet geschikt zijn, niettemin op 1 januari bij de verhuurder in feitelijk gebruik kunnen zijn in de zin van artikel 1 van de Verordening, zoals dat artikel (…) in overeenstemming met artikel 273 van de gemeentewet luidt;
dat dit met name het geval is met recreatiewoningen die door de eigenaar worden aangehouden om telkens voor betrekkelijk korte perioden gedurende het daartoe geschikte seizoen gemeubileerd te worden verhuurd;
dat het Hof, door zijn beslissing mede te doen steunen op de tweede en derde overweging omtrent het geschil, blijk heeft gegeven te zijn uitgegaan van een andere inhoud van het begrip ,,feitelijk gebruik'' dan bovenomschreven, zodat zijn uitspraak niet in stand kan blijven;
O. dat de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen;
dat immers uit 's Hofs vaststellingen moet worden afgeleid dat belanghebbende de onderhavige woningen op 1 januari 1980 ten verhuur als recreatiewoningen aanhield en had gemeubileerd, zodat die woningen bij hem in feitelijk gebruik waren in de evenvermelde zin;”
3.8
Ik merk op deze plaats op dat de zojuist behandelde arresten over verhuurde recreatiewoningen ook richtinggevend zijn geacht voor de uitleg van het begrip ‘feitelijk gebruik’ voor de afvalstoffenheffing in het arrest HR BNB 2000/37.56.In dat arrest gaat het om een recreatiebungalow die alleen in het hoogseizoen werd verhuurd. Daarbuiten bleef de woning wel gemeubileerd en aangesloten op de nutsvoorzieningen, maar werden de bedden verwijderd. De Hoge Raad oordeelt als volgt:
“3.1. (…) Het ligt voor de hand om bij de uitleg van het (…) begrip 'feitelijk gebruik' aan te sluiten bij de betekenis die aan dat begrip werd toegekend voor de toepassing van artikel 220, lid 1, letter a, van de Gemeentewet, zoals die bepaling tot 1 januari 1995 luidde, en de daaraan voorafgaande, overeenkomstige bepalingen van de gemeentewet. Dit brengt mee dat voor de afvalstoffenheffing de verhuurder van een perceel met een recreatiebungalow dat telkens voor betrekkelijk korte perioden pleegt te worden verhuurd, feitelijk gebruik maakt van dat perceel (vergelijk HR 8 juli 1981, nr. 20 639, BNB 1981/248, HR 28 oktober 1981, nr. 20 691, V-N 1982, blz. 61, punt 32 en HR 18 november 1981, nr. 20 834, BNB 1982/30). Voorzover de klachten uitgaan van een andere opvatting, falen zij derhalve.”
3.9
In HR BNB 1985/25857.gaat het om een belanghebbende die eigenaar was van een perceel bouwterrein, dat bestemd was voor de bouw van een vrijstaande woning en waarop zich een houten schuur bevond die door belanghebbende niet werd gebruikt. Uit het arrest kan worden opgemaakt dat de omstandigheid dat de belanghebbende de bevoegdheid had om over dat perceel te beschikken niet voldoende is om hem als feitelijk gebruiker aan te merken. Vereist is dat het perceel ook metterdaad wordt gebezigd door belanghebbende.58.Het aanhouden van het perceel voor handels- of beleggingsdoeleinden levert op zichzelf dergelijk metterdaad bezigen niet op:
“(…) Het Hof heeft terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat belanghebbende de bevoegdheid had om over dat perceel te beschikken niet volstaat om hem als feitelijk gebruiker belastingplichtig te achten, doch dat daarvoor vereist is dat het perceel ook metterdaad door belanghebbende wordt gebezigd, terwijl het aanhouden voor handels- of beleggingsdoeleinden op zich zelf zulk een metterdaad bezigen niet oplevert.”
3.10
Vermeldingswaardig wat betreft dit arrest is ook dat de Hoge Raad afwijkt van zowel het primaire als subsidiaire standpunt van A-G Moltmaker. De A-G had primair een invulling van het begrip “feitelijk gebruik” bepleit aan de hand van een objectief criterium, te weten “dat de eigenaar de feitelijke gebruiker is, tenzij een ander krachtens een zakelijk of persoonlijk recht dan wel feitelijk (dus zonder een zodanig recht) gebruiker is”.59.Voor het geval van een beperktere opvatting van het begrip moet worden uitgegaan, had de A-G betoogd dat “van feitelijk gebruik ook sprake kan zijn als men niets met het onroerend goed doet, mits dat niets doen in overeenstemming is met de aard van het goed”, zoals – zo begrijp ik de A-G – het geval is bij een bouwterrein.60.
3.11
In HR BNB 1993/26561.gaat het om een eigenaar van een boorlocatie waarop in 1979 een proefboring had plaatsgevonden maar waarop nadien vervolgens geen enkele feitelijke werkzaamheid meer had plaatsgevonden. De Hoge Raad laat in stand het – door hem ‘bijgebogen’ – oordeel van het gerechtshof dat niet kan worden gezegd dat belanghebbende op de peildatum de boorlocatie metterdaad bezigde:
“3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is eigenaar van de boorlokatie a-straat 1 te Grootegast (hierna: de boorlokatie). De boorlokatie is in 1979 aangelegd. De oppervlakte is geasfalteerd, en bevat een systeem van goten ten behoeve van de afvoer van hemelwater. De boorlokatie is omringd door een hekwerk met een hoogte van 2.20 m. Op de boorlokatie is in 1979 een proefboring uitgevoerd, die de aanwezigheid van een beperkte hoeveelheid aardgas heeft aangetoond. Na het voltooien van de proefboring is de geslagen boorput gevuld met vloeistof en voorzien van een afsluiter met een verzegelde kraan. Afsluiter en kraan zijn ingesloten door een gesloten en verzegelde metalen kooi. Ten tijde van de peildatum en ook nog ten tijde van de mondelinge behandeling voor het Hof op 12 maart 1991 was na 1979 op de boorlokatie geen enkele feitelijke werkzaamheid verricht. Op de boorlokatie bevindt zich - afgezien van het hekwerk en de kooi - geen andere gebouwde onroerende zaak. Voordat tot winning van aardgas op de boorlokatie kan worden overgegaan dient - na het verkrijgen van de daartoe benodigde vergunningen - de boorput te worden voorzien van een gasproduktie-installatie en door middel van een gasafvoerleiding te worden aangesloten op het gasleidingnet.
3.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat aan de hierboven in 3.1 vermelde feiten niet de gevolgtrekking kan worden verbonden dat belanghebbende bij het begin van het belastingjaar 1988 de boorlokatie feitelijk gebruikte. Bij dit oordeel is het Hof kennelijk ervan uitgegaan dat, gelet op evenbedoelde feiten, niet kan worden gezegd dat belanghebbende op de peildatum de boorlokatie metterdaad bezigde. Aldus gelezen geeft dit oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan het voor het overige als van feitelijke aard in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Het is niet onbegrijpelijk en het behoefde geen nadere motivering dan door het Hof is gegeven. Het middel faalt derhalve.”
3.12
Een korte zijstap op dit punt. Zoals in 3.3 gezien, wordt in HR BNB 1979/268 gesproken over ‘in ieder geval’ waar het metterdaad-bezigencriterium wordt gehanteerd.62.Dat roept de indruk op dat ‘feitelijk gebruiken’ ook aan de orde kan zijn buiten het geval van metterdaad bezigen. Steun daarvoor zou bovendien gevonden kunnen worden in HR BNB 1979/270 (“terwijl er te dezen geen grond is uit anderen hoofde feitelijk gebruik (…) te aanvaarden”) (zie 3.4), alsmede in HR BNB 1982/30 waarin de Hoge Raad alleen over de tweede en derde overweging (en niet over de eerste overweging over ‘metterdaad bezigen’) oordeelt dat zij uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting (zie 3.7). Opmerking verdient hier dat in literatuur uit het zojuist aangehaalde arrest HR BNB 1993/265 is afgeleid dat daaruit volgt dat (toch) alleen het metterdaad-bezigencriterium geldt.63.
3.13
HR BNB 1995/5264.heeft betrekking op een perceel waarop in opdracht van de belanghebbende (erfpachter) een kantoorgebouw werd gebouwd en waarop bij aanvang van het belastingjaar bouwactiviteiten plaatsvonden. Het oordeel van het gerechtshof dat de belanghebbende als feitelijk gebruiker is aan te merken, houdt in cassatie stand:
“3.3. (…) Dit oordeel geeft (…) niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als zijnde van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden onderzocht. Het is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering dan door het Hof is gegeven. Het middel, uitgaande van de opvatting dat van metterdaad bezigen geen sprake is wanneer wordt gebouwd met het oog op verhuur van het pand aan een derde, faalt derhalve.”
3.14
In HR BNB 1997/2865.gaat het om de eigenaar van een door zijn moeder bewoonde woning. Nadat zijn moeder is overleden in 1993, is de woning niet meer bewoond, maar op 1 januari 1994 was de inrichting nog ongewijzigd; het meubilair stond er nog. Het gerechtshof oordeelt dat de eigenaar bij aanvang van 1994 de woning metterdaad bezigde voor de opslag van het aldaar aanwezige meubilair. De Hoge Raad is van oordeel dat, zonder nadere motivering, de feitelijke situatie niet dat oordeel rechtvaardigt:
“3.2. (…) belanghebbende [heeft] in zijn beroepschrift vermeld dat het pand na het overlijden van zijn ouders niet meer wordt bewoond en dat de meubels er nog in staan. In het vertoogschrift wordt eveneens hiervan uitgegaan. Deze feitelijke situatie rechtvaardigt zonder nadere motivering, die door het Hof niet is gegeven, niet de gevolgtrekking dat belanghebbende het pand metterdaad bezigde voor de opslag van de daarin aanwezige meubels. De uitspraak kan niet in stand blijven en verwijzing moet volgen. (…).”
3.15
In HR BNB 1997/8466.gaat het om een woning die belanghebbende heeft gekocht, waarna hij haar is gaan verbouwen. Op de peildatum is de verbouwing nog niet afgerond, is de woning nog niet gemeubileerd en heeft belanghebbende de woning nog niet daadwerkelijk betrokken. De Hoge Raad oordeelt – in afwijking van het gerechtshof – dat sprake is van feitelijk gebruik. De Hoge Raad geeft een zaaksoverstijgende motivering door zijn oordeel te geven voor een door hem omschreven gevalstype:
“3.3 In 's Hofs uitspraak ligt besloten dat zich hier voordoet het geval dat de koper van een bestaande, bruikbare woning deze met het oog op bewoning door hemzelf verbouwt om haar beter aan zijn persoonlijke wensen te laten beantwoorden. Anders dan het Hof heeft geoordeeld is dan voor de koper met betrekking tot de woning ook tijdens de verbouwing daarvan sprake van feitelijk gebruik”
3.16
Ik noem nog kort HR BNB 1999/19. Daarin was aan de orde dat de belanghebbende een nog te bouwen appartement had gekocht en dat op de peildatum het bouwterrein met de daarop in aanbouw zijnde opstal reeds gesplitst in appartementsrechten.67.Het arrest gaat met name over de vraag of sprake is van een gebouwd eigendom (rov. 3.3: nee) en of voor de heffing van onroerendezaakbelasting afzonderlijke onroerende zaken zijn te onderscheiden gelet op de appartementsrechten (rov. 3.4: ja). Hier is van belang dat de Hoge Raad feitelijk gebruik door de appartementseigenaren aanwezig achtte (rov. 3.4, slot): “De appartementseigenaren, die op 1 januari 1993 doende waren de bouw en de inrichting van het gebouw en de daarbij behorende grond tot stand te brengen, maakten aldus ook metterdaad gebruik van die gedeelten.”
Jurisprudentie vanaf 1995
3.17
In HR BNB 1999/568.gaat het om een belanghebbende die een pand heeft gekocht met het oogmerk om het af te breken en vanaf de fundering opnieuw op te bouwen tot een woning. Op 1 januari 1995 was het pand geheel ‘kaal’ en niet geschikt voor bewoning of enige andere vorm van gebruik. In afwachting van de bouwvergunning, die in 1995 nog niet was verleend, vonden er geen activiteiten plaats. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het gerechtshof dat onder die omstandigheden met betrekking tot het pand geen sprake is van gebruik, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad voegt daaraan het volgende toe.
“3.3. (…) Weliswaar kan als gebruiker van een pand in deze zin worden aangemerkt degene die de zaak metterdaad bezigt ter bevrediging van zijn behoeften en doet die situatie zich in het algemeen voor wanneer een eigenaar van een bestaande, bruikbare woning feitelijk de beschikking over die woning heeft en deze met het oog op bewoning door hem zelf opknapt of verbouwt, ook al heeft hij op de peildatum de woning nog niet metterwoon betrokken of deze met het oog op die verbouwing tijdelijk verlaten, maar van een zodanig geval is hier met betrekking tot het pand blijkens de door het Hof vastgestelde feiten geen sprake. De klachten falen derhalve.”
Uit deze overwegingen kan worden afgeleid dat ook voor het nieuwe ‘gebruik’-begrip (dus zonder het adjectief ‘feitelijke’) het metterdaad-bezigencriterium geldt. Verder begrijp ik de overwegingen in het licht van de vastgestelde feiten zo dat de doorslaggevende factor is dat op de peildatum er nog geen (verbouwings)activiteiten plaatsvonden.69.Anders gezegd: het gaat in de kern om een leegstaand pand dat (nog) niet wordt verbouwd.
3.18
Het arrest HR BNB 2008/25770.heeft betrekking op de vraag of een eigenaar van een perceel grond terecht in de gebruikersbelasting is betrokken voor dat perceel met daarop een gebouw (een bioscoop) dat op de peildatum in aanbouw is. Het gerechtshof beantwoordt die vraag bevestigend. De Hoge Raad verwerpt het daartegen gerichte middel:
“3.3 De door het middel verdedigde opvatting dat een gebouw in aanbouw niet in de onroerendezaakbelasting van artikel 220, letter a, Gemeentewet kan worden betrokken, is onjuist. Wie ter bevrediging van eigen behoefte een opstal (ver)bouwt of laat (ver)bouwen op hem ter beschikking staande grond, gebruikt die grond (en wat daarmee duurzaam is verenigd) in de zin van die bepaling. Indien hij (ver)bouwt of laat (ver)bouwen met het oogmerk de zaak na gereedkoming van de bouw te bezigen voor eigen gebruik, dan wel te verhuren (of op andere titel aan een ander in gebruik te geven), dan wel te verkopen, is sprake van bevrediging van eigen behoefte. (…)”
De Hoge Raad betrekt bij zijn overwegingen, in de derde zin, het oogmerk dat de betrokkene heeft met de (ver)bouw. De vraag kan rijzen of dit een nadere invulling is van de tweede zin, waarin een regel voor een bepaald gevalstype is vermeld, of dat het veeleer een uitleg/toelicht op die regel is, in het bijzonder waarom – anders dan het middel bepleit – een gebouw in aanbouw in de heffing van de gebruikersbelasting kan worden betrokken. Ik neig naar het laatste.
3.19
HR BNB 2012/6071.heeft betrekking op een eigenaar van een perceel die voornemens was om daarop een hotel te doen bouwen. Eind 2007 verkreeg de eigenaar voor de eerste fase een bouwvergunning, waartegen in januari 2008 door een derde bezwaar werd gemaakt. Op 2 april 2008 werd de bouwvergunning tweede fase verleend. De bouwactiviteiten waren op de peildatum 1 januari 2008 nog niet aangevangen. Het gerechtshof merkt de eigenaar aan als gebruiker. Dit omdat de eigenaar de onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar 2008 niet heeft laten rusten, doch aanhield in afwachting van de voor de voorgenomen bouw van een hotel benodigde vergunningen en de afdoening van eventuele bezwaren daartegen. Gelet hierop bezigde de eigenaar de onroerende zaak metterdaad ter bevrediging van de eigen behoefte. De Hoge Raad oordeelt anders mede onder verwijzing naar het in 3.9 geciteerde arrest HR BNB 1985/258. Vermeldingswaardig is verder dat de Hoge Raad opnieuw – na eerder in HR BNB 1999/5 (zie 3.17) – het metterdaad-bezigencriterium hanteert:
“3.3 Het middel dat zich tegen dit oordeel richt, slaagt. Als gebruiker van een onroerende zaak in de zin van artikel 220, aanhef en letter a, van de Gemeentewet kan worden aangemerkt degene die de zaak metterdaad bezigt ter bevrediging van zijn behoeften (vgl. HR 7 oktober 1998, nr. 33767, LJN AA2318, BNB 1999/5). Daarvan is geen sprake in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende sedert de verwerving van percelen bouwgrond op of aan de onroerende zaak zelf nog in het geheel geen werkzaamheden heeft verricht en deze slechts aanhoudt in afwachting van het definitief vaststaan van de voor de voorgenomen bouwactiviteiten vereiste vergunningen. De enkele omstandigheid dat de onroerende zaak intussen aan belanghebbende ter beschikking stond is op zichzelf onvoldoende om belanghebbende als gebruiker in voormelde zin te kunnen aanmerken (vgl. HR 22 juli 1985, nr. 22649, BNB 1985/258).”
Ik leid uit dit arrest, tegen de achtergrond van HR BNB 2008/257, af dat de enkele omstandigheid dat de belanghebbende de grond bestemd heeft om daarop te bouwen met een bepaald oogmerk, onvoldoende is om ‘gebruik’ aan te nemen. Er is meer nodig: een werkzaamheid ‘op of aan de onroerende zaak’; een werkzaamheid die slechts betrekking heeft op de grond, zoals een vergunningaanvraag, is onvoldoende.
3.20
Snoijink merkt het volgende op in de noot bij dit arrest:72.
“Van gebruik is dus nog steeds pas sprake als de onroerende zaak wordt gebezigd ter bevrediging van de behoeften van de gebruiker. Ook in deze wirtschafliche Betrachtungsweise behoeft dat gebruik of die ingebruikgeving maar een (heel) klein deel te betreffen (…).
(…)
Voor zover de grens tussen gebruiken en niet-gebruiken tot aan dit arrest nog niet duidelijk mocht zijn, kan daaraan nu geen twijfel meer bestaan.”
3.21
De redactie Vakstudie Nieuws stelt het volgende:73.
“Per 1 januari 1995 is het bijvoeglijk naamwoord ‘feitelijk’ voor ‘gebruik’ geschrapt. De wetgever wilde daardoor de reikwijdte van de gebruikersbelasting verruimen. Velen - waaronder wij - geloofden daarom dat de gebruikersbelasting met ingang van 1 januari 1995 verschuldigd is door degene die de zaak gebruikt, dus zonder de extra eis van het metterdaad gebruiken. De Hoge Raad is, gelet op het hier besproken arrest, een andere opvatting toegedaan.”
3.22
Monsma concludeert in zijn noot bij het arrest:74.
“(…) Metterdaad bezigen houdt, zoals het woord zegt, in dat sprake moet zijn van enigerlei vorm van feitelijke (beheers)handelingen. Louter aanhouden is dan niet voldoende.”
3.23
Van den Ban komt in zijn noot tot de volgende conclusie, waarbij hij ook aandacht besteedt aan juridische belemmeringen die het metterdaad bezigen van de onroerende zaak verhinderen:75.
“Wie de rechtspraak over onbenutte gebouwde en ongebouwde onroerende zaken analyseert, komt tot de conclusie dat metterdaad bezigen zich laat vertalen in vrijwillig gekozen leegstand, in bouw, verbouw of gebruiksklaar maken, of in het verblijf van personen, inboedel, materialen, goederen of levende have. Van deze hoofdregel zijn de situaties uitgezonderd waarbij praktische of juridische belemmeringen het metterdaad bezigen van de zaak verhinderen, als de zaak ongewenst onbenut blijft of als de intentie tot gebruik nooit heeft bestaan. Bovenstaand arrest past in deze lijn.
Of toch niet? Op peildatum 1 januari 2008 beschikte belanghebbende immers over de vergunningen voor de voorgenomen bouwactiviteiten. Er waren dus geen praktische of juridische belemmeringen die aan het metterdaad bezigen in de weg stonden. Daarin komt door de indiening van het bezwaarschrift eind januari 2008 (en dus na de peildatum) geen verandering omdat de werking van een besluit door de indiening van een bezwaarschrift niet wordt opgeschort (art. 6:16 Awb). Dat de Hoge Raad in het arrest voor het metterdaad bezigen desondanks aanknoopt bij het onherroepelijk zijn van de vereiste vergunningen, is voor mij een te billijken pragmatische oplossing die zal aansluiten bij de rechtsbeleving van menig vergunningaanvrager. Alleen een onherroepelijke vergunning geeft immers de zekerheid dat men niet in strijd met wet- of regelgeving handelt.”
4. Uitspraken feitenrechters met betrekking tot beperking gebruik vanwege coronamaatregelen
4.1
Hierna worden uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven weergegeven over het gevalstype dat het gebruik van een onroerende zaak die doorgaans bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd, is beperkt bij het begin van het kalenderjaar door COVID-19-maatregelen. De vraag is wat de betekenis van die beperking is voor de gebruikersbelasting, in het bijzonder of nog van ‘gebruik’ kan worden gesproken terwijl het gebruik op de beoogde wijze op de peildatum niet mogelijk is door de beperking.
4.2
Ik merk op dat hierna de citaten van de overwegingen zoveel mogelijk zijn beperkt tot wat de feitenrechter in positieve zin ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel. Ik heb veelal geen overwegingen geciteerd waarin de feitenrechter uitlegt waarom een bepaald arrest (of een bepaalde uitspraak) niet afdoet aan zijn oordeel. Die overwegingen citeer ik niet omdat ze doorgaans vooral verschillen tussen de casus noemen en in dat opzicht weinig inzicht bieden in wat de feitenrechter wél relevant acht in het voorliggende geval.
Bioscoop
4.3
In een uitspraak van rechtbank Limburg gaat het om de eigenaar van een bioscoop. De rechtbank oordeelt dat op de peildatum geen sprake is van gebruik door de belanghebbende:76.
“8.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat zij op 1 januari 2021 niet als gebruiker van het object (…) kan worden aangemerkt. De onroerende zaak stond weliswaar ter beschikking van eiseres, maar was niet toegankelijk voor het publiek en kon daardoor ook niet geëxploiteerd worden als bioscoop. Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding dat de verklaring ter zitting van [naam], dat er geen andere activiteiten konden plaatsvinden en ook niet hebben plaatsgevonden tijdens de sluiting van overheidswege, onjuist zou zijn. Verweerder heeft niet aangetoond dat dit anders was of had kunnen zijn. Van een mogelijkheid tot alternatief gebruik (…) is naar het oordeel van de rechtbank dan ook in deze zaak geen sprake. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er op de waardepeildatum 1 januari 2021 geen sprake was van belastingplichtig gebruik door eiseres, waardoor de aanslag OZB onterecht is opgelegd door verweerder. (…)”
4.4
Kats77.heeft een beschouwende noot bij deze uitspraak geschreven:
“(…) Onroerendezaakbelastingen zijn tijdstipbelastingen. Dit is voornamelijk bedoeld om de belastingplichtigen te kunnen aanwijzen, met andere woorden voor gebruik (en/of genot) is het begin van het kalenderjaar bepalend. Krijgt een persoon het gebruik of genot na 1 januari van het belastingjaar, dan is die persoon niet belastingplichtig voor de onroerendezaakbelastingen van dat jaar. Ook het verlies van genot of het stoppen met het gebruik in de loop van het kalenderjaar heeft geen gevolg voor de belastingplicht van dat jaar. (…)
Vaststaat dat belanghebbende, net als neem ik aan voor de voorgaande jaren en het heden geldt, degene is die aan het begin van het kalenderjaar als eigenaar en als gebruiker was aan te merken van de bioscoop (zie r.o. 1). Vanwege overheidsmaatregelen kon belanghebbende op 1 januari echter geen publiek toelaten. Is dan nog sprake van gebruiken? De Hoge Raad definieert ‘gebruiken’ als ‘het metterdaad bezigen ter bevrediging van de eigen behoeften’. Metterdaad betekent daadwerkelijk en bezigen betekent gebruiken. Ter bevrediging van de eigen behoeften betekent zoiets als ter voldoening aan dat waarvoor je het nodig hebt. De bioscoop moet derhalve daadwerkelijk worden gebruikt ter bevrediging van de eigen behoeften en wel op 1 januari van het belastingjaar, althans zo volgt uit de wet en relevante jurisprudentie. Daarin is overigens wel geoordeeld dat ook het bewust leeg laten staan van de onroerende zaak als een vorm van gebruik wordt aangemerkt. ‘Gebruik’ is in die zin dus meer dan alleen het metterdaad bezigen (…).
Of sprake is van gebruik hangt mijns inziens sterk af van de feitelijke omstandigheden. De aard van de bezigheden met of aan de onroerende zaak zullen daarbij bepalend zijn. Alhoewel in de jurisprudentie voorbeelden te vinden zijn waarbij zelfgekozen niets doen ook als een gebruiksdaad is aangemerkt, geldt naar mijn mening dat bezigheden met een actief karakter eerder als het metterdaad bezigen ter bevrediging van de eigen behoeften zullen kwalificeren dan bezigheden met een passief karakter. Mijns inziens laat daadwerkelijk gebruiken ter bevrediging van de eigen behoeften zich echter ook vertalen in vrijwillig gekozen leegstand, of zelfs bewust en vrijwillig gekozen aanhouden en/of niets doen. Praktische of juridische belemmeringen echter die het daadwerkelijk gebruiken van de zaak verhinderen – zoals in casu aan de orde – of als de zaak ongewenst onbenut blijft of de intentie tot gebruik nooit heeft bestaan, kunnen hierin wat mij betreft verandering brengen. Een bioscoop is bedoeld om films te vertonen aan het publiek en dat kon op 1 januari in ieder geval niet.
De vraag is ook of belanghebbende er nog wat anders mee kon of het ergens anders voor heeft gebruikt. De heffingsambtenaar heeft dat in ieder geval niet aangetoond en daarmee stelt de rechtbank vast dat geen sprake zou zijn van een mogelijkheid tot alternatief gebruik. (…)
Tot slot is van belang op te merken dat in de literatuur wordt gesteld dat, ook als het gebruik van een onroerende zaak op 1 januari niet is toegestaan, toch sprake kan zijn van gebruik. Het voorbeeld dat daarbij wordt genoemd betreft bedrijfsmatig geëxploiteerde recreatiewoningen waarvan het gebruik bijvoorbeeld volgens het bestemmingsplan is beperkt tot de zomermaanden. De heffingsambtenaar lijkt hierop wel te zinspelen door op te merken dat de coronamaatregelen niet gedurende het gehele jaar golden, echter de rechtbank gaat daar niet anders op in dan door op te merken dat sprake is van een tijdstipbelasting met als gevolg dat 1 januari bepalend is.
Reflecterend op het vorenstaande is het de vraag of het feit dat in casu de belastingplicht op 1 januari ontstaat, ook inhoudt dat in ieder geval op die datum ook daadwerkelijk sprake moet zijn van daadwerkelijk gebruiken. In jurisprudentie, die overigens vaak wel over geheel andere gevallen ging, is daarvoor veel steun te vinden. Anderzijds is het de vraag wat naast dat de omstandigheid dat de onroerende zaak gedurende het belastingjaar aan belanghebbende ter beschikking stond nodig is om belanghebbende wel als gebruiker aan te merken. Zou dit het feit zijn dat deze gedurende een aanzienlijk deel van het belastingjaar de zaak wel degelijk gebruikt en heeft kunnen gebruiken? Of moet dat gezocht worden in het feit dat hij de zaak wel kon gebruiken voor ander gebruik dan als bioscoop? Denk ik aan het voorbeeld van de recreatiewoningen of aan toevallige zon- en feestdagen die op 1 januari vallen of andere externe ongewenste invloeden van bijvoorbeeld de Winkeltijdenwet, dan ben ik zeer benieuwd wat in hoger beroep zal worden besloten. Ik veronderstel dat de heffingsambtenaar wel in beroep zal gaan.”
4.5
Rechtbank Midden-Nederland komt in een andere zaak tot een oordeel dat tegengesteld is aan dat van rechtbank Limburg:78.
“5. (…) Weliswaar was het door de coronamaatregelen niet mogelijk de onroerende zaak voor de beoogde commerciële activiteiten te gebruiken, maar dat betekent niet dat de mogelijkheid om de onroerende zaak te gebruiken afwezig was. De rechtbank gaat ervan uit dat het pand, tijdens de tijdelijke publiekssluiting, steeds volledig als zodanig was ingericht. Eiseres heeft de stelling van de heffingsambtenaar op de zitting dat de bioscoop niet was leeggehaald, ook niet betwist. De rechtbank merkt dit aan als opslag in de onroerende zaak van meubilair en dergelijke ten behoeve van het zo snel mogelijk weer toelaten van publiek. Verder acht de rechtbank het aannemelijk dat de onroerende zaak, met het oog op een hopelijk spoedige heropening, in een zodanige staat werd gehouden (door eventueel noodzakelijk onderhoud en schoonmaak) dat de bioscoop bij opheffing van de coronabeperkingen meteen weer voor het publiek kon worden opengesteld. Eiseres heeft overigens op de zitting ook opgemerkt dat vast wel soms de installaties draaiende zijn gezet of de kranen af en toe werden opengezet.
5.1.
Uit het voorgaande blijkt dat eiseres de onroerende zaak metterdaad – zij het beperkt – kon bezigen ter bevrediging van haar behoeften. (…)”
4.6
Tot hetzelfde oordeel komt rechtbank Rotterdam in de onderhavige bioscoopzaak. Hoewel een (bron)verwijzing ontbreekt, doet de motivering van dat oordeel vermoeden dat de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland een grote inspiratiebron is geweest:79.
“6. (…) Weliswaar was het door de coronamaatregelen niet mogelijk de onroerende zaak voor de beoogde commerciële activiteiten te gebruiken, maar dat betekent niet dat de mogelijkheid om de onroerende zaak te gebruiken afwezig was. De rechtbank gaat ervan uit dat het pand, tijdens de tijdelijke publiekssluiting, steeds volledig als zodanig was ingericht. Eiseres heeft de stelling van verweerder dat de bioscoop niet was leeggehaald, ook niet betwist. De rechtbank merkt dit aan als opslag in de onroerende zaak van meubilair en dergelijke ten behoeve van het zo snel mogelijk weer toelaten van publiek. Verder acht de rechtbank het aannemelijk dat de onroerende zaak, met het oog op een hopelijk spoedige heropening, in een zodanige staat werd gehouden (door eventueel noodzakelijk onderhoud en schoonmaak) dat de bioscoop bij opheffing van de coronabeperkingen meteen weer voor het publiek kon worden opengesteld. Die openstelling is overigens (…) na opheffing van de corona-maatregelen ook daadwerkelijk gerealiseerd.”
Kledingwinkel
4.7
Rechtbank Den Haag80.heeft geoordeeld dat de huurder van een onroerende zaak waarin zij een kledingwinkel exploiteert, niet als gebruiker is aan te merken, beoordeeld naar de situatie op de peildatum:
“7. Vaststaat dat begin 2021 sprake was van een algehele lockdown op grond waarvan kledingwinkels gesloten dienden te blijven. Eiseres heeft aangevoerd dat zij, gezien het huurcontract, de winkel uitsluitend mocht gebruiken voor de verkoop van kleding van het merk [merknaam] en dat dit gebruik door de algehele lockdown niet meer mogelijk was. Verder heeft eiseres ter zitting onweersproken toegelicht dat de winkel ook niet werd gebruikt voor opslag omdat hiervoor geen ruimte was. Er was nooit voorraadvorming omdat dit landelijk werd gefaciliteerd door het kledingmerk. Ook eventuele internetverkopen vonden plaats via de landelijke website van het kledingmerk zonder bemoeienis van de eiseres. Aldus heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat er geen sprake was van “gebruik” in de zin van artikel 220 van de Gemeentewet. Dat betekent dat de aanslag OZB ten onrechte is opgelegd.”
4.8
Cheung kan zich vinden in dit oordeel van de rechtbank.81.De auteur merkt op zich te kunnen voorstellen dat “de conclusie anders had kunnen luiden als er andere activiteiten hadden plaatsgevonden, zoals opslag (…) of het online verkopen van kleding”. Kats82.vindt het oordeel “op zijn minst opmerkelijk te noemen” in het licht van de hierna in 4.14 aan de orde komende uitspraak van gerechtshof Den Haag. De auteur roept verder de vraag op wat de invloed van het tijdbestek is:
“Het is de vraag wat de invloed van het tijdsbestek hier is, 1 januari is in Nederland immers een feestdag en per gemeente mag worden besloten of de winkels op die dag open mogen zijn of niet. Staat een gemeente het winkels niet toe om op 1 januari open te zijn, dan mogen er bij mijn weten nog steeds aanslagen OZB gebruikersbelasting worden opgelegd, of toch niet? De tijd zal het leren.”
4.9
Rechtbank Rotterdam83.oordeelt in een geval waarin het eveneens gaat om een kledingwinkel dat wél sprake is van gebruik:
“4. Dat de onroerende zaak, waarin een kledingwinkel van eiseres is gevestigd, op 1 januari 2021 niet open was voor het publiek, betekent niet dat zij de onroerende zaak niet voor haar eigen behoeften kon gebruiken.
Door de lockdownmaatregelen was het niet mogelijk publiek toe te laten in de winkel, maar op 1 januari 2021 was de inventaris en ook (te verkopen) kleding nog in de winkel aanwezig, zoals ter zitting door eiseres verklaard. Alles werd op orde gehouden in afwachting van het einde van de maatregelen. Gelet hierop is sprake van gebruik van de onroerende zaak als bedoeld in de Gemeentewet.”
4.10
Bosma84.is het eens met het oordeel van de rechtbank. Hij acht het juist dat sprake is van gebruik nu “alles in de winkel (inventaris, voorraad kleding) op orde werd gehouden in afwachting van het einde van de maatregelen”. De auteur meent voorts dat de uitspraak in overeenstemming is met de in 2.18 aangehaalde passage over het begrip ‘feitelijk gebruik’ uit de nota van toelichting bij het Besluit OGB.
Kinderdagverblijf
4.11
Rechtbank Gelderland heeft inzake een pand dat gebruikt wordt als een kinderdagverblijf geoordeeld dat ook als het hele kinderdagverblijf gesloten was op de peildatum, nog steeds sprake is van gebruik:85.
“16. Niet duidelijk is geworden of het kinderdagverblijf op 1 januari 2021 (de peildatum voor de OZB) helemaal gesloten was, of dat deze wel geopend was voor kinderen van ouders met bijzondere beroepen. Als al juist zou zijn dat het hele kinderdagverblijf gesloten was, zoals eiseres stelt en verweerder betwist, dan is vervolgens de vraag of dat betekent dat geen sprake was van gebruik in de zin van de onroerendezaakbelasting. De rechtbank is van oordeel dat ook in dat geval sprake is van gebruik in de hiervoor genoemde zin. Eiseres had immers toegang tot het gebouw voor bijvoorbeeld onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden en administratieve werkzaamheden. Bovendien was de sluiting, aangenomen dat daarvan sprake was, van tijdelijke aard. In die zin kon eiseres de zaak metterdaad bezigen ter bevrediging van haar behoeften. (…)”
Restaurant
4.12
Rechtbank Oost-Brabant86.heeft inzake een restaurant geoordeeld dat de huurder terecht is aangemerkt als gebruiker. Zij hecht daarbij belang aan het alternatieve gebruik dat de belanghebbende had kunnen maken van de onroerende zaak:
“6.2 (…) Eiseres heeft, zoals door de heffingsambtenaar op zitting is bevestigd, de onroerende zaak voorafgaande aan de lockdownmaatregelen als restaurant kunnen gebruiken. Weliswaar was het door de lockdownmaatregelen niet mogelijk de onroerende zaak daarna als restaurant te gebruiken, maar dat betekent niet dat de mogelijkheid om de onroerende zaak voor de eigen gebruiksdoeleinden te gebruiken afwezig was. Dat eiseres, na afkondiging van de lockdownmaatregelen, de onroerende zaak mogelijk niet heeft gebruikt voor afhaal, bezorging van maaltijden of anderszins, is een keuze geweest van eiseres zelf. Deze keuze doet aan de mogelijkheid om de onroerende zaak te gebruiken niet af. De onroerende zaak stond eiseres ter beschikking en eiseres kon daarvan gebruik maken. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres dan ook terecht aangemerkt als gebruiker. (…)”
Sportschool
4.13
In beide van de onderhavige sportschoolzaken heeft zowel de rechtbank Den Haag als het gerechtshof Den Haag geoordeeld dat sprake is van ‘gebruik’, hoewel op de peildatum de onroerende zaak niet kan worden gebruikt voor de beoogde commerciële activiteiten. Ik citeer hier alleen uit de uitspraken in de zaak met het cassatienummer 23/03445. De rechtbank heeft daarin het volgende ten grondslag gelegd aan haar oordeel:87.
“11. (…) Weliswaar was het door de corona-maatregelen niet mogelijk de onroerende zaak voor de beoogde commerciële activiteiten te gebruiken, maar dat betekent niet dat de mogelijkheid om de onroerende zaak te gebruiken afwezig was. Eiseres heeft ter zitting immers verklaard dat zij gedurende de geldende corona-maatregelen nog toegang had tot de onroerende zaak, deze nog steeds was ingericht om te worden gebruikt als sportschool (opslag) en dat er schoonmaakwerkzaamheden zijn verricht. Reeds daaruit blijkt dat eiseres de zaak metterdaad – hetzij beperkt – kon bezigen ter bevrediging van haar behoeften. (…)”
4.14
Het gerechtshof De Haag heeft in die zaak het volgende overwogen:88.
“5.5.1. Weliswaar was het door de coronabeperkingen gedurende een bepaalde periode niet mogelijk de onroerende zaak voor de beoogde commerciële activiteiten te gebruiken, maar belanghebbende had wel toegang tot de onroerende zaak en deze bleef in afwachting van de heropening steeds volledig als sportschool – met het daartoe benodigde meubilair – ingericht. Daarnaast zijn tijdens de verplichte sluiting minimale schoonmaakwerkzaamheden uitgevoerd. Hieruit volgt dat belanghebbende de onroerende zaak steeds bewust voor zichzelf ter beschikking heeft gehouden met de intentie haar weer te exploiteren als sportschool zodra dit mogelijk was. Na opheffing van de coronabeperkingen is dit ook gebeurd. Belanghebbende heeft de onroerende zaak dus, zij het beperkt, metterdaad gebezigd ter bevrediging van haar behoeften. Dat er op 1 januari 2021 geen schoonmaak-werkzaamheden zijn uitgevoerd, maakt dit niet anders.”
4.15
De redactie Vakstudie Nieuws onderschrijft de uitspraak van het gerechtshof:89.
“Verplichte sluiting op grond van coronamaatregelen en gebruik van onroerende zaak
(…) In dit geval was het pand van belanghebbende, dat in gebruik was als sportschool, vanwege coronamaatregelen een aantal maanden gesloten en niet toegankelijk voor publiek. Wel had belanghebbende in die periode toegang tot de sportschool, hield deze ook volledig als sportschool ingericht en werden (minimale) schoonmaakwerkzaamheden uitgevoerd. Hieruit leidt het hof onzes inziens terecht af dat belanghebbende de onroerende zaak steeds bewust voor zichzelf ter beschikking heeft gehouden met de intentie de onroerende zaak weer te exploiteren als sportschool, zodra dit mogelijk was. Dit is ook gebeurd, zodra de coronabeperkingen waren opgeheven. Desalniettemin kan men wel begrip hebben voor het standpunt van belanghebbende. Hij mag door de overheidsmaatregelen ter zake van corona de sportschool feitelijk niet exploiteren, wat hem ongetwijfeld een smak omzet zal hebben gekost, maar hij moet wel OZB-gebruikersbelasting betalen. Maar de rechter is hiervoor niet het juiste gremium. Het lag op de weg van de gemeente om eventueel coulant om te gaan met de aanslagen OZB tijdens de coronaperiode.
(…)”
5. Beschouwing
Algemeen
5.1
Ik start met een weergave van enige hoofdlijnen die ik destilleer uit de gegevens opgenomen in de onderdelen 2 en 3.
5.2
Het begrip ‘feitelijk gebruik’, zoals gehanteerd tot en met 1994 voor de gebruikersbelasting, is als zodanig (nagenoeg) niet toegelicht bij de totstandkoming van art. 273 (oude) gemeentewet (2.10-2.13). Een (zwakke) aanwijzing dat de wetgever een ruim begrip heeft beoogd, is gelegen in de voorgeschiedenis waarin naar voren komt dat een gebruikersheffing een ruim toepassingsbereik zou moeten hebben (2.7).
5.3
De toelichting op het Besluit OGB biedt niet veel meer houvast. De passage over ‘naar omstandigheden beoordeeld’ en art. 4 AWR (2.17) ziet vooral op de vraag ‘wie’ een onroerend goed feitelijk gebruikt, en geeft geen directe aanknopingspunten wat betreft de uitleg van het begrip ‘feitelijk gebruik’ zelf. Ook is er een passage die vooral betrekking heeft op de peildatum (welke peildatum niet als zodanig was opgenomen in art. 273 (oude) gemeentewet maar is ingevoerd in art. 2 Besluit OGB) (2.18). Ik kom op die passage hierna nog terug (5.17).
5.4
De Hoge Raad heeft aan het begrip ‘feitelijk gebruik’ een materiële invulling gegeven door het metterdaad-bezigencriterium: degene die een onroerend goed metterdaad bezigt ter bevrediging van zijn behoeften, gebruikt dat goed (3.3, alsmede 3.4, 3.9, 3.11, 3.13, 3.14 en 3.16). Het begrip wordt in die zin niet eng uitgelegd dat het bij (feitelijk) gebruik niet hoeft te gaan om eigen gebruik c.q. gebruik ter bevrediging van de eigen behoeften in strikte zin: gebruik kan ook bestaan uit het (volgtijdelijk) verhuren van een recreatiewoning (3.7-3.8) en van gebruik is ook reeds sprake in de (ver)bouwfase van een woning zonder dat die al is betrokken (3.3, 3.15 en 3.16; vgl. ook 3.13).
5.5
Dat neemt niet weg dat er duidelijk wel een ondergrens is. Uit HR BNB 1985/258 volgt dat de bevoegdheid om over een onroerend goed te beschikken niet volstaat om als feitelijk gebruiker te kunnen worden aangemerkt (3.9). Het voorstel van A-G Moltmaker dat, kort gezegd, de eigenaar is aan te merken als feitelijk gebruiker, tenzij een ander de (feitelijk) gebruiker is (3.10), is in dat arrest niet gevolgd. Ondanks beschikkingsmacht feitelijk geen gebruik maken van een onroerend goed, brengt mee dat van ‘gebruik’ geen sprake is. Denk aan de huurder die zijn gehuurde woning niet langer gebruikt (3.4), een bouwterrein waarop nog geen (voorbereidende) bouwactiviteiten plaatsvinden (3.9), en een boorlocatie waar al lange tijd geen feitelijke werkzaamheden plaatsvinden (3.11).
5.6
Vanaf 1995 wordt de term ‘gebruiken’ in plaats van ‘feitelijk gebruiken’ gehanteerd voor de gebruikersbelasting. Hoewel de wetgever daarmee een verruiming heeft beoogd (zie vooral 2.24 en 2.25), zulks in navolging van het rapport Christiaanse (2.20 en 2.21), heeft de Hoge Raad het metterdaad-bezigencriterium gehandhaafd (3.17 en 3.19), anders dan soms wel werd verwacht (vgl. 3.2190.). Dat is naar mijn mening minder opmerkelijk dan het wellicht op het eerste gezicht toeschijnt.
5.7
Nadere blik op de wetsgeschiedenis – maar ook op het rapport Christiaanse – leert namelijk dat de verruiming niet zozeer gericht is op wat is aan te merken als gebruik als zodanig, maar vooral op wie is aan te merken als gebruiker.91.Meer in het bijzonder is de verruiming erop gericht te waarborgen dat indien een onroerende goed feitelijk wordt gebruikt, er ook steeds een belastingplichtige gebruiker is aan te wijzen (zie vooral 2.25 en 2.30, maar toch ook 2.23 en 2.24). In elk geval bevat de wetsgeschiedenis geen enkele indicatie dat de wetgever heeft beoogd om met de nieuwe term het in 3.10 vermelde door A-G Moltmaker voorgestelde criterium te implementeren. Eerder integendeel gelet op de uitingen dat het als uitgangspunt niet de bedoeling is dat een eigenaar in de gebruikersbelasting wordt betrokken ter zake van een leegstaand object (2.27-2.29). Bovendien geeft de wetsgeschiedenis geen duidelijke aanknopingspunten dat de wetgever heeft beoogd af te wijken van het metterdaad-bezigencriterium. Niet alleen is niet met zoveel woorden gemeld dat met de nieuwe term is beoogd daarvan af te wijken, wat wel voor de hand had gelegen als dat was beoogd. Ook overigens ontbreken daarvoor duidelijke aanknopingspunten. Wel bevat de passage in de wetsgeschiedenis over leegstaande objecten een zin (“Dit is slechts anders indien een genothebbende krachtens een zakelijk recht zijn object bewust leeg laat staan met de bedoeling het voor bepaalde doeleinden voor zichzelf ter beschikking te houden”; zie 2.27), waarvan afgevraagd kan worden hoe die zich verhoudt tot het metterdaad-bezigencriterium, maar die zin is zó onduidelijk dat daaruit bezwaarlijk een ander algemeen criterium valt af te leiden.
5.8
Kortom, de jurisprudentie van de Hoge Raad over het begrip ‘feitelijk gebruik’ is ook nog leidend voor de uitleg van het begrip ‘gebruik’. Gelet op HR BNB 1997/28 (3.14) ben ik er dan ook niet van overtuigd dat de gebruikersbelasting alleen achterwege blijft bij “een leegstaand object, dat wil zeggen een object dat echt leeg staat, en dat aldus geen meubilair en dergelijke bevat” zoals de memorie van toelichting doet voorkomen (2.27).92.Opmerking verdient verder het volgende. Zoals eerder gezien in 3.12, gaf de jurisprudentie van de Hoge Raad aanvankelijk de indruk dat (feitelijk) gebruik ook aan de orde kan zijn buiten het geval van ‘metterdaad bezigen’, maar is in de literatuur uit HR BNB 1993/265 afgeleid dat (toch) alleen het metterdaad-bezigencriterium geldt. Jurisprudentie nadien lijkt die opvatting te ondersteunen. Dat geldt in het bijzonder voor arresten waarin aan de orde is dat ‘gebruik’ niet aanwezig is geacht op de grond dat niet aan het metterdaad-bezigencriterium is voldaan (3.17 en 3.19, en vgl. 3.14). Ik ga er daarom voor de beoordeling van de onderhavige kwestie van uit dat voor de uitleg van het begrip ‘gebruik’ in art. 220(a) Gemeentewet, het metterdaad-bezigencriterium doorslaggevend is. Ik abstraheer daarbij van het bepaalde in art. 220b(1) Gemeentewet, omdat de daarin beschreven gevalstypen niet spelen in de onderhavige kwestie.
5.9
Tot slot, wat opvalt bij de in onderdeel 3 weergegeven jurisprudentie is de intensiteit van toetsing door de Hoge Raad.93.Een oordeel van een feitenrechter over de vraag of sprake is van gebruik is een gemengd oordeel. Het lijkt er echter op dat de Hoge Raad de juridische component daarvan relatief groot acht. Het valt namelijk op dat de Hoge Raad zelf geregeld aan het vaststaande feitencomplex de juridische gevolgtrekking verbindt of al dan niet sprake is van (feitelijk) gebruik, zowel indien die gevolgtrekking overeenkomt met het oordeel van de feitenrechter (3.5) als indien dat niet het geval is (3.3, 3.4, 3.7, 3.15 en 3.19; vgl. verder 3.6 en 3.14). In voorkomende gevallen geeft de Hoge Raad bovendien een (sub)regel voor een bepaald gevalstype (bijv. 3.3, 3.6, 3.15, 3.17, 3.18 en 3.19). Dit een en ander duidt erop dat de grens tussen gebruik en niet-gebruik in juridisch opzicht kennelijk vrij scherp valt te trekken. Daarmee bedoel ik dat het grijze gebied wat betreft de juridische duiding van het feitencomplex beperkt lijkt te zijn, en dat de marges voor de feitenrechter wat betreft de waardering van de feiten dus smal zijn.
De onderhavige kwestie betreffende de betekenis van de corona-maatregelen
5.10
Omdat de vraag of sprake is van gebruik moet worden beantwoord naar de omstandigheden van het geval, hoeft de betekenis van de corona-maatregelen voor dat antwoord niet steeds hetzelfde te zijn. Dat komt ook omdat de corona-maatregelen niet voor iedere ondernemer tot dezelfde beperkingen hebben geleid. Ik spits mijn analyse hierna toe op het gevalstype dat in de onderhavige bioscoopzaak en sportschoolzaken aan de orde is. Kenmerkend voor dat gevalstype is dat op de peildatum (i) de ondernemer de onroerende zaak voor gebruik ter beschikking had, (ii) deze onroerende zaak was ingericht voor de beoogde wijze van gebruik, (iii) die beoogde wijze van gebruik niet was toegestaan door de corona-maatregelen, en (iv) de ondernemer de onroerende zaak niet op alternatieve commerciële wijze gebruikte.
5.11
Voordat ik op de kern inga, sla ik enige piketpaaltjes:
1) De enkele omstandigheid dat de ondernemer de onroerende zaak op de peildatum voor gebruik ter beschikking heeft, is onvoldoende om de ondernemer als gebruiker aan te merken (vgl. HR BNB 1985/258 (3.9) en HR BNB 2012/60 (3.19), maar ook HR BNB 1979/270 (3.4) over de huurder die de door hem gehuurde woning reeds had ontruimd op de peildatum).
2) In sommige uitspraken van feitenrechters wordt relevant geacht dat de onroerende zaak niet is leeggehaald en wordt in dat verband over ‘opslag’ gesproken (4.5, 4.6 en 4.13). Zo daarin besloten ligt de opvatting dat de ondernemer de onroerende zaak metterdaad bezigt voor opslag, op de grond dat (nog) roerende zaken aanwezig zijn in de onroerende zaak, zou ik die opvatting niet willen volgen. Zij ligt niet in lijn van HR BNB 1997/28 (3.14), en het is naar mijn mening gekunsteld om in het corona-gevalstype metterdaad bezigen voor eigen gebruik aanwezig te achten op basis van de redenering dat er sprake is van opslag. Iets anders is trouwens dat het ingericht houden van de onroerende zaak wel een aanwijzing kan zijn voor ‘gebruik’ (vgl. HR BNB 1981/162 (3.5) en HR BNB 1982/30 (3.7)).
3) Soms acht een feitenrechter relevant of alternatief gebruik van de onroerende zaak mogelijk was (4.3 en 4.12). Of alternatief gebruik mogelijk was, lijkt mij echter niet relevant. Het gaat er niet om wat hoe een onroerende zaak zou kunnen worden gebruikt, maar hoe de onroerende zaak daadwerkelijk wordt aangewend.
5.12
Beargumenteren of in een bepaald geval(stype) al dan niet sprake is van ‘gebruik’ mondt er al snel in uit dat het voorliggende geval(stype) wordt vergeleken met gevallen waarover de Hoge Raad al eerder heeft beslist, de zogenoemde vergelijkingsmethode94.. Degene die meent dat ‘gebruik’ aanwezig is, zal enerzijds wijzen op de overeenkomsten met de gevallen in arresten waarin eerder ‘gebruik’ aanwezig is geacht en zal anderzijds benadrukken de verschillen met de gevallen in arresten waarin in tegengestelde zin is geoordeeld. Degene die meent dat ‘gebruik’ niet aan de orde is, zal niet zelden diezelfde arresten noemen en hetzelfde doen maar dan omgekeerd.
5.13
Dit patroon is ook zichtbaar in de corona-zaken over ‘gebruik’. Degenen die van opvatting zijn dat sprake is van ‘gebruik’, beroepen zich veelal op de arresten over recreatiewoningen (3.5 en 3.7), en wijzen daarbij met name op de juridische restricties aan het gebruik op de peildatum in die zaken. Degenen die de tegengestelde opvatting hebben, beroepen zich daarentegen op bijvoorbeeld HR BNB 2012/60 en wijzen erop dat in die zaak het perceel werd aangehouden in afwachting van het definitief vaststaan van de vereiste vergunningen.
5.14
Ik zie ervan af om per arrest van de Hoge Raad een vergelijking te maken, maar zal direct een standpunt innemen. Dat standpunt is dat de in 3.5-3.7 vermelde arresten over recreatiewoningen richtinggevend zijn voor de beslissing in het onderhavige gevalstype. Dat heeft niet alleen te maken met de overeenkomsten met de gevallen aan de orde in die arresten. De arresten zijn ook relevant omdat ze licht werpen op de peildatumtoetsing.
5.15
Ik meen dat het voor de gedachtevorming zinvol is om een onderscheid te maken tussen enerzijds het gebruik als zodanig en anderzijds de gebruiker, degene die gebruikt. Ik abstraheer hierna van het geval van gebruik dat niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht plaatsvindt.95.
5.16
De peildatum dient er vooral voor – meen ik met Kats (4.4) – om de gebruiker te kunnen aanwijzen. Ik meen daarvoor steun te vinden in de toelichting op het Besluit OGB (zie vooral 2.16-2.17), waarbij de peildatum is ingevoerd. De peildatumtoets is op dit punt strikt: degene die pas op 2 januari van een kalenderjaar het (zakelijke of persoonlijke) recht verwerft op grond waarvan diegene de onroerende zaak kan gebruiken, is niet aan te merken als gebruiker op 1 januari.96.
5.17
Indien diegene dat recht wel reeds op 1 januari heeft, is de vraag of diegene de onroerende zaak ook gebruikt. Wat betreft die kwestie ligt het geenszins voor de hand dat de peildatumtoets in die zin eng wordt uitgelegd dat vereist is dat diegene precies op 1 januari van het kalenderjaar feitelijke gebruikshandelingen verricht. In het kader van een reductio ad absurdum: het kan niet zo zijn dat in het geval de bewoner van een woning wegens bijvoorbeeld vakantie niet aanwezig in die woning is op 1 januari, niet zou kunnen worden geoordeeld dat de bewoner de woning ‘gebruikt’ bij het begin van het kalenderjaar.97.En evenzo: het is wat mij betreft evident dat de omstandigheid dat de exploitant van een winkel de winkel op 1 januari van een kalenderjaar niet kan exploiteren als gevolg van regelgeving die dat verbiedt op die dag (vgl. Kats in 4.4 en 4.8), niet betekent dat de exploitant de winkel niet ‘gebruikt’ bij het begin van dat kalenderjaar. Ik meen voor dit een en ander ook steun te vinden in de strekking van de in 2.18 aangehaalde passage in de toelichting op het Besluit OGB. Die strekking is dat het bij gebruik om ‘duurzaam gebruik’ gaat en – samenhangend – dat toevallig gebruik of juist tijdelijk niet-gebruik (in enge zin) op de peildatum niet maatgevend is.
5.18
Ietwat losjes geformuleerd komt het erop neer dat het bij ‘gebruik’ op de peildatum moet gaan om ‘in gebruik hebben’, zonder dat noodzakelijk feitelijke gebruikshandelingen plaatsvinden op die datum.98.De peildatum is daarbij niet zonder betekenis omdat de beoordeling wel moet plaatsvinden naar de omstandigheden op de peildatum. Dat hoeven echter geen omstandigheden te zijn die zich ook feitelijk voordoen op de peildatum.99.Vergelijk het arrest HR BNB 1981/248 (3.6), waarin in aanmerking is genomen hoe de recreatiewoningen in het voorgaande jaar werden gebruikt en of er op de peildatum reden was om aan te nemen dat dit zou veranderen in het aankomende jaar. Vergelijk ook – a contrario – HR BNB 2012/60 (3.19), waarin voor het oordeel dat geen sprake is gebruik in aanmerking is genomen dat de belanghebbende sedert de verwerving van percelen bouwgrond op of aan de onroerende zaak zelf nog in het geheel geen werkzaamheden heeft verricht.
5.19
Vanuit deze ‘in gebruik hebben’-benadering is ook goed te verklaren dat in het arrest HR BNB 1981/162 (3.5) de belanghebbende wordt aangemerkt als feitelijk gebruiker, hoewel op de peildatum het bewonen van het zomerhuisje niet is toegestaan. Het zomerhuisje is, naar de omstandigheden beoordeeld op de peildatum, in gebruik bij die belanghebbende. Met deze benadering strookt ook dat de Hoge Raad in HR BNB 1982/30 oordeelt dat, hoewel de recreatiewoningen op 1 januari niet mochten worden bewoond, de recreatiewoningen bij de belanghebbende in feitelijk gebruik waren op de grond dat de belanghebbende de woningen op de peildatum ter verhuur aanhield en had gemeubileerd.
5.20
Deze benadering is bovendien ook verenigbaar met arresten waarin géén gebruik aanwezig is geacht. Ik behandel er kort enige:
- HR BNB 1979/270 (3.4) over de huurder die de huur had opgezegd en de woning op de peildatum reeds had ontruimd op peildatum: de huurder had de woning niet langer in gebruik op peildatum.
- HR 1985/258 (3.9) en HR BNB 2012/60 (3.19): over bouwpercelen waarop nog geen bouwwerkzaamheden plaatsvonden op en voor de peildatum: de bouwpercelen waren nog niet in gebruik op de peildatum.
- HR BNB 1993/265 (3.11) over de boorlocatie (geen gebruik): de boorlocatie was al jarenlang niet in gebruik.
5.21
Voor het onderhavige – in 5.10 omschreven – gevalstype brengt het voorgaande mee dat de omstandigheid dat gebruik op de beoogde wijze niet mogelijk is als gevolg van corona-maatregelen en dat ook overigens geen feitelijke gebruikshandelingen plaatsvinden, niet eraan in de weg staat om ‘gebruik’ aanwezig te achten. Van ‘gebruik’ zal in het bijzonder sprake zijn in het geval de ondernemer de onroerende zaak voorafgaande aan de beperking door de corona-maatregelen op de beoogde wijze gebruikte, de onroerende zaak op de peildatum is ingericht voor de beoogde wijze van gebruik, en (op de peildatum) aangenomen kan worden dat de ondernemer de onroerende zaak weer op de beoogde wijze zal gebruiken zodra dat mogelijk wordt. In zo’n geval heeft de ondernemer – beoordeeld naar de omstandigheden op de peildatum – de onroerende zaak in gebruik.
5.22
Zo in zo’n geval (niettemin) een concrete duiding van het gebruik sec op de peildatum nodig is, meen ik dat – overeenkomstig HR BNB 1982/30 (3.7) – als dat gebruik is te zien dat de onroerende zaak door de ondernemer ingericht wordt aangehouden om na beëindiging van de corona-maatregelen te gebruiken op de beoogde wijze. Dat is een duiding van het gebruik sec op de peildatum die (in variërende bewoordingen) ook in de feitenrechtspraak over corona-gevallen terugkomt (4.5, 4.6, 4.9 en 4.14).
5.23
Maar nogmaals: ik sta een wat ruimere benadering van het begrip ‘gebruik’ op de peildatum voor. Het is mijns inziens gekunsteld om indien een winkel gesloten is op de peildatum, ‘gebruik’ aanwezig te achten op basis van de redenering dat de onroerende zaak wordt aangehouden met het oog op gebruik als winkel in de rest van het jaar. Er is naar mijn mening sprake van gebruik van de onroerende zaak, omdat de ondernemer op de peildatum de onroerende zaak in gebruik heeft als winkel.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑07‑2024
Gerechtshof Den Haag 11 juli 2023, nr. 22/01155, ECLI:NL:GHDHA:2023:1407, Fida 20234158, FutD 2023-2164, NLF 2023/1872 respectievelijk Gerechtshof Den Haag 11 juli 2023, nr. 22/01154, ECLI:NL:GHDHA:2023:1406, FutD 2023-2164, Fida 20234157, NLF 2023/1871, V-N Vandaag 2023/1843, V-N 2023/54.24, met aantekening redactie Vakstudie Nieuws.
Rechtbank Rotterdam 24 augustus 2023, nr. 22/5595, ECLI:NL:RBROT:2023:7845, V-N 2024/8.25.14.
Wet van 22 december 2005, Stb. 2005, 725, art. I(A).
Invoeringswet van de wet materiële belastingbepalingen Gemeentewet, Stb. 1994, 420, art. I, onderdeel A, dat voorziet in wijziging van de Wet van 27 april 1994 tot wijziging van de Gemeentewet met betrekking tot materiële belastingbepalingen, Stb. 1994, 419, art. I(A) waarin de tekst nog was opgenomen in art. 219.
Wet van 24 december 1970, Stb. 1970, 608, art. I(B); inwerkingtreding geregeld in art. XXIX.
Deze wijziging in terminologie heeft zich al per 1 januari 1992 voltrokken onder de oude gemeentewet. Zie Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 nieuw B.W. (tiende gedeelte), Stb. 1989, 492, hoofdstuk I, art. XIV (p. 8), waarvan de tekst is komen te luiden zoals vastgesteld bij Beschikking van de Minister van Justitie van 4 december 1991, Stb. 1991, 609.
Wet van 14 februari 1992 (Gemeentewet), Stb. 1992, 96, art. 222 (p. 46) zoals gewijzigd bij Wet van 11 november 1993, Stb. 1993, 610, hoofdstuk 1, onderdeel UU(1). De inwerkingtreding van beide wetten op 1 januari 1994 volgt uit hoofdstuk XIII, art. 1 en 2 van die laatstgenoemde wet. De vernummering van art. 222 tot art. 220 heeft plaatsgevonden bij plaatsing – op grond van hoofdstuk XIII, art. 3 van de laatstgenoemde wet – van de Gemeentewet in het Staatsblad bij beschikking van de Minister van Justitie van 26 november 1996, Stb. 1993, 611.
A-G Niessen is eerder in de bijlage bij zijn conclusie 12 februari 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BC5812, onderdelen 2 en 4 op de wetsgeschiedenis ingegaan. De weergave hierna heeft dus overlap met die bijlage. Met het oog op de zelfstandige leesbaarheid van de onderhavige bijlage heb ik voor de overlappende delen niet gekozen voor een verwijzing naar die bijlage. Zie voor de wetsgeschiedenis met betrekking tot het begrip ‘feitelijk gebruiken’ ook de conclusie van A-G Moltmaker, ECLI:NL:PHR:1985:BH1705 voorafgaand aan HR 22 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8220, BNB 1985/258, die ook nog kort ingaat op de personele belasting (de voorganger van de gebruikersbelasting).
Zie over de voorgeschiedenis bijv. J.P. Kruimel, Theorie en praktijk van de gemeentelijke onroerende-zaakbelastingen, Fed’s fiscale studieserie, nr. 20, 4e druk 1997, Deventer, p. 19-20 en J.A. Monsma, Toetsing van belastingverordeningen en gemeentelijke autonomie, Deventer: Kluwer 1999, p. 20-22.
Kamerstukken II 1962/63, 7193, nr. 3, p. 5-6, alsmede (ook p. 6): “Gelet op de wenselijkheid van een zo breed mogelijk draagvlak voor de gemeentelijke belastingheffing, (…) gaan de ondergetekenden ervan uit dat er naar gestreefd dient te worden de verruiming van de gemeentelijke belastingbevoegdheid (…) voornamelijk tot uitdrukking te doen komen tegenover de gebruikers van onroerende goederen.”
Bijv. Kamerstukken II 1967/68, 9538, nr. 3, p. 11-12 en 18.
Kamerstukken II 1968/69, 9538, nr. 7, p. 25. De doorlopende tekst is kenbaar uit het gewijzigd ontwerp van wet gepubliceerd in Kamerstukken II 1969/70, 9 538, nr. 14.
Vgl. Kamerstukken II 1968/69, 9538, nr. 7, p. 27.
Kamerstukken II 1970/71, 9538, nr. 24, p. 1. De doorlopende tekst is kenbaar uit het gewijzigd ontwerp van wet gepubliceerd in Kamerstukken II 1970/71, 9538, nr. 55 en het ontwerp zoals voorgelegd aan de Eerste Kamer, gepubliceerd in Kamerstukken I 1970/71, 9538, nr. 47.
Vgl. Kamerstukken II 1970/71, 9538, nr. 24, p. 3.
Ik laat hier verder onbesproken de verhouding tussen het Besluit OGB en de delegatiebepalingen. De verbindendheid van enige bepalingen van het Besluit OGB is voorwerp van geschil geweest; zie bijv. HR 22 februari 1978, ECLI:NL:HR:1978:AX2982, BNB 1978/121 en HR 16 september 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9805, BNB 1978/122.
Besluit van 14 oktober 1971, Stb. 1971, 616; datum inwerkingtreding volgt uit art. 17.
Besluit van 14 oktober 1971, Stb. 1971, 616, p. 1433.
Besluit van 14 oktober 1971, Stb. 1971, 616, p. 1433.
Besluit van 14 oktober 1971, Stb. 1971, 616, p. 1434.
Commissie tot herziening van het belastinggebied van provincies en gemeenten, Rapport inzake de herziening van het belastinggebied van provincies en gemeenten, ’s Gravenhage: Staatsuitgeverij, juni 1983, met ISBN 90 12 04397 2, p. 46-47.
Rapport Christiaanse, p. 78.
Rapport Christiaanse, p. 96-97.
HR 3 februari 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3756, BNB 1988/133.
Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, p. 67-68.
Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, p. 25 en 27.
Wet van 27 april 1994 tot wijziging van de Gemeentewet met betrekking tot materiële belastingbepalingen, Stb. 1994, 419, art. I(A); inwerkingtreding op 1 januari 1995 op grond van Invoeringswet van de wet materiële belastingbepalingen Gemeentewet, Stb. 1994, 420, art. XXII in verbinding met art. XXIII.
Invoeringswet van de wet materiële belastingbepalingen Gemeentewet, Stb. 1994, 420, art. I(A).
Invoeringswet van de wet materiële belastingbepalingen Gemeentewet, Stb. 1994, 420, art. II.
Bijlage bij conclusie A-G Niessen 12 februari 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BC5812, punt 4.2.
Bijlage bij conclusie A-G Niessen 12 februari 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BC5812, onderdelen 3 en 5.
HR 5 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2715, BNB 1979/268; aangehaald in bijlage Niessen, punt 3.1-3.3.
A-G Moltmaker wijst in punt 3.4.4 van zijn conclusie, ECLI:NL:PHR:1985:BH1705 voorafgaand aan HR 22 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8220, BNB 1985/258, erop – met verwijzingen – dat deze opvatting al terug te vinden is in jurisprudentie over de personele belasting.
HR 5 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2717, BNB 1979/270, aangehaald in bijlage Niessen, punt 3.4-3.6.
HR 29 april 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9568, BNB 1981/162.
HR 8 juli 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9789, BNB 1981/248.
HR 18 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9269, BNB 1982/30.
Aldus ook Hofstra in zijn noot in BNB 1982/30. Zie over dit arrest ook bijv. J.P. Kruimel, Ontwikkelingen rond feitelijk gebruik in de OGB, WFR 1983/999.
HR 1 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3389, BNB 2000/37.
HR 22 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:BH1704, BNB 1985/258, aangehaald in bijlage Niessen, punt 3.7 en 3.8.
H.J. Hofstra had in zijn noot in BNB 1981/248 de volgende omschrijving aanvaardbaar geacht: “(…) dat van feitelijk gebruiken sprake is wanneer anders dan voorbijgaand over een onroerend goed voor eigen gebruiksdoeleinden wordt beschikt.” Die omschrijving lijkt gelet op dit arrest HR BNB 1985/258 te ruim.
Punt 3.4.7-3.4.8 van de conclusie A-G Moltmaker, ECLI:NL:HR:1985:BH1705 voorafgaand aan HR 22 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8220, BNB 1985/258.
Punt 3.5-3.5.3 van de conclusie A-G Moltmaker, ECLI:NL:HR:1985:BH1705 voorafgaand aan HR 22 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8220, BNB 1985/258.
HR 30 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5394, BNB 1993/265, aangehaald in bijlage Niessen, punt 3.9-3.12.
Zie daarover ook punt 3.4.2 van de conclusie A-G Moltmaker, ECLI:NL:HR:1985:BH1705 voorafgaand aan HR 22 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8220, BNB 1985/258.
W.J.N.M. Snoijink in zijn noot bij het arrest in FED 1993/697 en J.A. Monsma, Feitelijk gebruiken staat bij de onroerende-zaakbelastingen gelijk aan metterdaad bezigen, WFR 1994/6087 (p. 68 e.v).
HR 4 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3021, BNB 1995/52, aangehaald in bijlage Niessen, punt 3.13 en 3.15.
HR 27 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1754, BNB 1997/28, aangehaald in bijlage Niessen, punt 3.16.
HR 8 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3190, BNB 1997/84, aangehaald in bijlage Niessen, punt 3.17-3.19.
HR 25 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:BI6663, BNB 1999/19, aangehaald in bijlage Niessen, punt 3.20-3.23.
HR 7 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2318, BNB 1999/5, aangehaald in bijlage Niessen, punt 5.1-5.2.
In die zin ook Kruimel in zijn noot in Belastingblad 1998/878.
HR 8 augustus 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5748, BNB 2008/257. Zie ook HR 8 augustus 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5812, BNB 2008/258 en HR 8 augustus 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5825, BNB 2008/259.
HR 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0250, BNB 2012/60.
W.J.N.M. Snoijink in BNB 2012/60. Dat het gebruik maar een (heel) klein deel hoeft te betreffen, onderbouwt de auteur door te verwijzen naar het (hier verder niet behandelde) kraakwachten-arrest HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU5656, BNB 2012/20, waarin de belanghebbende, die leegstaande panden beheert door in een (klein) gedeelte daarvan oppassers te plaatsen, als gebruiker van die leegstaande onroerende zaken is aangemerkt.
Redactie Vakstudie Nieuws in V-N 2012/4.35.
J.A. Monsma in FED 2012/21.
W.G. van den Ban in Belastingblad 2012/210.
Rechtbank Limburg 23 november 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:9313, Belastingblad 2023/7 met noot B.S. Kats. Redactie Vakstudie Nieuws noemt – in een aantekening in V-N 2023/54.24 bij een andere uitspraak – de uitspraak ‘discutabel’.
B.S. Kats in Belastingblad 2023/7.
Rechtbank Midden-Nederland 18 april 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1870.
Rechtbank Rotterdam 24 augustus 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:7845
Rechtbank Den Haag 4 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:6729, NTFR 2023/1736, met noot P.L. Cheung, Belastingblad 2023/359, met noot B.S. Kats.
P.L. Cheung in NTFR 2023/1736.
B.S. Kats in Belastingblad 2023/359.
Rechtbank Rotterdam 10 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2363, Belastingblad 2023/195, met noot S. Bosma.
S. Bosma in Belastingblad 2023/195.
Rechtbank Gelderland 16 januari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:811. G. Groenewegen stemt in met het oordeel in punt 5 van zijn noot in Belastingblad 2022/186. In de aantekening van redactie Vakstudie Nieuws in VN 2022/19.17 komt de kwestie niet aan de orde.
Rechtbank Oost-Brabant 13 januari 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:184, Belastingblad 2023/219, met noot M. Noordegraaf, in welke noot de kwestie niet in evaluatieve zin aan de orde komt.
Rechtbank Den Haag 15 september 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:14886. De uitspraak in de andere zaak kent een identieke rechtsoverweging. Deze uitspraak is overigens – als ik het goed zie – niet gepubliceerd, maar de overwegingen van de rechtbank zijn voor derden kenbaar uit onderdeel 3 van de uitspraak van gerechtshof Den Haag 11 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1407.
Gerechtshof Den Haag 11 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1406, V-N 2023/54.24, met aantekening redactie Vakstudie Nieuws. De uitspraak in de andere zaak, te weten gerechtshof Den Haag 11 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1407, kent een nagenoeg identieke rechtsoverweging 5.5.1, met dien verstande dat zij als extra feitelijk element heeft: “en is het zwembad op temperatuur gehouden”.
Redactie Vakstudie Nieuws in V-N 2023/54.24.
Zie daarnaast met name J.P. Kruimel in bijv. Belastingblad 2004/802 en Belastingblad 2010/906. Opmerkelijk genoeg verdedigt Vakstudie Lokale belastingen en milieuheffingen, art. 220 Gemeentewet, aant. 3.1 (“Actueel t/m 13-06-2024”) nog steeds het volgende: “Nu het element 'feitelijk' is vervallen, menen wij dat er voldoende aanleiding is om het woord 'metterdaad' te doen vervallen en het begrip 'gebruik' te interpreteren als het bezigen van een zaak ter bevrediging van zijn behoeften.”
Vgl. W.J.N.M. Snoijink in zijn noot in BNB 2012/60: “In art. 220, onderdeel a, is de term ‘feitelijk gebruiken’ vervangen door ‘gebruiken’ waarmee, zoals het gelijkluidende advies van de commissie-Christiaanse, beoogde niet het belastbare feit maar wel de kring van belastingplichtigen werd verruimd. Gebruik kon voortaan, met wetsartikel 220b in de hand, worden toegerekend aan wie niet zelf (een deel van) de onroerende zaak gebruikte.”
Vgl. ook W.J.N.M. Snoijink in FED 1997/121: “Aan- of afwezigheid van meubilering zegt (…) op zichzelf niets over het in gebruik zijn.”
Of zoals een medewerker van mij opmerkte bij bespreking van een concept van deze bijlage: de Hoge Raad gaat weliswaar niet op de stoel van de feitenrechter zitten, maar wel op de leuning.
Bijv. G.J. Wiarda, Drie typen van rechtsvinding, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1999 (vierde druk, bewerkt door T. Koopmans), hoofdstuk 12.
Voor belastingplicht voor de gebruikersbelasting is niet vereist dat het gebruik is gebaseerd op een recht daartoe; zie de wettekst en bijv. M.P. van der Burg e.a., Compendium Gemeentelijke belastingen en de Wet WOZ, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 284 en 289.
Vgl. J.P. Kruimel, Theorie en praktijk van de gemeentelijke onroerende-zaakbelastingen, Fed’s fiscale studieserie, nr. 20, 4e druk 1997, p. 62.
Vgl. D. Brüll, Gebruik en peildatum in art. 273 Gem. W., Losbladig fiscaal weekblad FED, 1797e aflevering, 20 november 1980, Gem.bel.: art. 273:41: “Het komt mij voor, dat de toestand op [de peildatum; MP] niet doorslaggevend behoort te zijn. Indien familie X de jaarwisseling in London pleegt door te brengen, dan wordt hun woning in Nederland op die datum weliswaar niet gebruikt, maar zij blijft conform de wil van de X’en voor hun gebruik ter beschikking. (…) Het is deze peildatum, niet het gebruik, die moeilijkheden veroorzaakt en tot extensieve interpretatie noopt.”
Vgl. D. Brüll, Gebruik en peildatum in art. 273 Gem. W., Losbladig fiscaal weekblad FED, 1797e aflevering, 20 november 1980, Gem.bel.: art. 273:41, die in het kader van de door hem voorgestane extensieve interpretatie opmerkt (in verband met gemeubileerde woningen): “men zou bijv. kunnen volstaan met de situatie op de peildatum te beschouwen, wat gedurende het jaar normaal was”.
Ik wijs – geïnspireerd door de noot van W.J.N.M. Snoijink in BNB 2004/158 die de omkeerde vergelijking maakt – ter vergelijking ook op de wijze van peildatumtoetsing of een onroerende zaak onder de vrijstelling voor bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond valt. Het gaat daarbij om een beoordeling “naar de omstandigheden aan het begin van het kalenderjaar” (HR 13 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3645, BNB 2004/158, rov. 3.3), maar dat betreft (dus) niet een beoordeling naar strikt de toestand van de grond op peildatum (aldus ook W.J.N.M. Snoijink in zijn noot in BNB 2004/158: “geen beoordeling naar de toevallige exploitatiestatus bij het begin van het jaar”). Vergelijk ook – in het kader van de uitzondering voor bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond voor toepassing van de Wet WOZ – HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD6058, BNB 2003/270, rov. 3.4.1-3.4.2.