Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.5.7
8.5.7 Ruimte voor strategische procesvoering
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652295:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Winters & Noordhof 2005, p. 170-171; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/443; Storm 2018, p. 433. Overigens kan onder omstandigheden de vraag worden gesteld of een bestuurder of commissaris namens zichzelf of namens de rechtspersoon is verschenen, zie Van Vliet 1990b, p. 805.
Maeijer (onder 4) in zijn annotatie bij HR 10 januari 1990, NJ 1990/466 (Ogem).
Geerts (onder 2) in zijn annotatie bij OK 17 april 1997, TVVS 1997, p. 185 (Bobel).
Van Solinge 2017, p. 495.
Zie ook Geerts (onder 2) in zijn annotatie bij OK 17 april 1997, TVVS 1997, p. 185 (Bobel).
Van Solinge 1998, p. 39. Zie ook Jager (onder 5) in zijn annotatie bij Rb. Zwolle-Lelystad 27 juni 2012, JOR 2012/249 (Meepo).
Van Solinge 1998, p. 41. Vgl. ook Glasz 1995, p. 28.
De Witt Wijnen 1997, p. 103.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/443; Assink/Slagter 2013, p. 1819; Conclusie A-G Timmerman (nr. 3.5) voor HR 19 juli 2019, NJ 2019/335; JOR 2019/273, m.nt. R.M. Hermans (Xeikon).
Algemeen wordt aangenomen dat de bevindingen uit de enquêteprocedure in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure in beginsel geen betekenis hebben voor de in de tweede fase van de enquêteprocedure op juiste wijze opgeroepen maar niet verschenen bestuurders en commissarissen.1 Naar aanleiding van Ogem heeft Maeijer de vraag opgeworpen of een functionaris van de rechtspersoon er verstandig aan doet te verschijnen in de tweede fase van de enquêteprocedure, mocht hij worden betrokken in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure.2 In Bobel verschenen de oud-commissarissen van de rechtspersoon bijvoorbeeld niet, om aan de vaststelling wanbeleid te ontkomen.3
De door de Ondernemingskamer vastgestelde feiten kunnen bewijswaarde hebben in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure. De functionaris die niet verschijnt in de tweede fase van de enquêteprocedure kan de feitenvaststelling door de Ondernemingskamer en het oordeel wanbeleid niet beïnvloeden.4 De in de tweede fase niet verschenen functionaris kan bovendien niet in cassatie tegen de beschikking van de Ondernemingskamer (art. 426 lid 1 Rv).5 Hem kan echter geen wanbeleid worden tegengeworpen in de opvolgende aansprakelijkheidsprocedure. Dat laatste acht ik echter niet problematisch, nu wanbeleid niet noodzakelijk herleidbaar is tot een of meer genoemde functionarissen6 en wanbeleid geen aansprakelijkheid impliceert. Daarbij komt dat wanbeleid niets zegt over de voor een aansprakelijkheidsprocedure vereiste persoonlijke verwijtbaarheid, de vereiste opgelopen schade7 of elementen van causaliteit.8
Verdedigd wordt overigens ook wel dat bestuurders en commissarissen moeten verschijnen in een enquêteprocedure, omdat het bij hun taak hoort zich voor het door hen gevoerde beleid te verantwoorden voor de Ondernemingskamer.9 Mijns inziens past het inderdaad bij hun taak verantwoording af te leggen in een enquêteprocedure, maar ik zou dienaangaande geen verplichting voor bestuurders en commissarissen willen aannemen, gelet ook op de mogelijke (persoonlijke) gevolgen, die met name bestaan in de toepassing van het bewijsvermoeden uit Laurus.