Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.4.2
II.4.2 De Grondwet van 1814
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285081:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ook Voermans plaatst de totstandkoming van de Grondwet van 1814 in een restauratieve context. Hij geeft daarbij wel de kanttekening dat er in 1814 weinig te restaureren viel aan het monarchale gezag, aangezien Nederland vanaf de zestiende eeuw een republiek was, zie: Voermans 2020, p. 169-171.
Zie daarover: Slijkerman 2013, p. 130.
Struycken 1914, p. 8 – 9.
Aerts 2016, p. 48. Zie ook: Van Sas 1998, p. 118-119: ‘Sterk historisch denkend ontpopte hij [Van Hogendorp; TvG] zich als een meester in de techniek van invention of tradition door oude namen, vormen en instellingen creatief te gebruiken voor de aankleding van de nieuwe orde en voor het legitimeren van veranderingen uit de revolutietijd.[…] Niet de minste van Van Hogendorps verdiensten is geweest dat hij, radicaal afrekenend met de tot stof vervlogen constitutionele stellig-heden uit de revolutieperiode, het fenomeen Grondwet intussen wel een nieuwe kans gaf.’
Aerts 2016, p. 51. Om met de visie van Elzinga te spreken: de dominantie van macht ten opzichte van recht werd doorbroken, zie: Elzinga 1998, p. 82.
Zie bijv. de toelichting bij de derde schets van Van Hogendorp: ‘Het oogmerk is de gebreken der oude Constitutie te verbeteren, zonder onnoodige veranderingen, en met meest mogelijk behoud van oude gewoonten, regten, ampten, en zelfs namen, als waaraan de natie zoo zeer gehegt is. Op deze wijze kan eene Constitutie aangenaam zijn aan de natie, hetwelk de beste grondslag is van hare duurzaamheid.’, in : Colebrander 1908, p. 56-57. De commissie zocht aansluiting bij de orde die gold vanaf de Unie van Utrecht (1579), de zgn. ‘oude Constitutie’.
Dit begrip hangt samen met het begrip constitutionalisme. Zie voor enkele definities: Kortmann 2016, p. 38; Van der Tang 1998, p. 185 e.v. Zoethout 1995, 13-77.
Kortmann 2016, p. 50.
De totstandkoming van de Grondwet in 1814 vond plaats ten tijde van de restauratie.1 Dit begrip duidt op een herstel van de gevestigde orde na de ondergang van het Napoleontische bewind in Europa. Met die gevestigde orde doel ik op de vorstenhuizen van vóór de Franse revolutie. Tussen 1579 en 1795 was er in Nederland sprake van een Republiek der Verenigde Nederlanden. Deze republiek kende vóór 1702 een stadhouder en vanaf 1747 een erfstadhouder. De (erf)stadhouder was een gezaghebbende functionaris in de republiek. Willem V van Oranje-Nassau vervulde de erfelijke functie van erfstadhouder vanaf 1751. De republiek was op dit punt bijzonder ten opzichte van veel andere landen, daar zij vóór 1795 geen traditie van een absolutistisch bewind kende zoals in Frankrijk een groot deel van de achttiende eeuw wel het geval was. In de periode van het tweede stadhouderloze tijdperk (1702-1747) en erfstadhouderschappen van Willem IV en V hadden de gewesten veel invloed met daarbij een belangrijke rol voor de raadpensionaris (ook wel landsadvocaat genoemd) in de Staten-Generaal.
Tegen deze achtergrond ligt de plaatsing van de Grondwet van 1814 in het licht van de restauratie voor de hand. Dit ‘herstel’ hield concreet in dat de zoon van de in 1795 verbannen erfstadhouder vorst werd. Van Hogendorp, lid van het driemanschap en voorzitter van de commissie die de Grondwet opstelde, was orangist en wilde een monarchie instellen met een Van Oranje-Nassau aan het hoofd.2
Dit is slechts een deel van de context. Een andere invloed op de Grondwet van 1814 is de Franse revolutie. De Franse revolutie betreft een ingewikkelde periode, ruwweg vanaf 1789. Ik ga hier niet breed in op de ideeën achter en gebeurtenissen tijdens de Franse revolutie. Dat vergt een te veelomvattende beschrijving voor deze paragraaf. Eén basisidee bespreek ik wél. De revolutionairen kwamen in Frankrijk in opstand tegen het zogenaamde ancien régime met absolutistische macht voor het huis Bourbon. Tijdens het ancien régime bestond er geen grondwet die de macht van de vorst reguleerde. De grondslagen van de staat bevonden zich in rechten van gezaghebbende personen en families.3 Juist dit aspect werd doorbroken ten tijde van de Franse revolutie. De revolutionaire Staatsregeling voor het Bataafsche volk (ook wel Grondwet van 1798 genoemd) gaf uitdrukking aan deze doorbreking. Er was bijvoorbeeld geen sprake meer van een erfstadhouder in deze regeling.
Van Hogendorp was geen ‘revolutionair’, maar nam hij wel een revolutionair uitgangspunt mee ter ontwikkeling van zijn ideeën voor een Grondwet. Aerts schrijft in dat verband:
‘Van Hogendorp verwierp in elk opzicht de ideeënwereld achter de Grondwet van 1798. Hij wees echter niet de constitutionele idee als zodanig af, integendeel, hij was voorstander van een fundamenteel rechtsdocument dat de staatsmacht en de instituties zou ordenen en binden.’4
Van Hogendorp had weinig op met de revolutionaire intenties achter deze Staatsregeling voor het Bataafsche volk. Niettemin geloofde Van Hogendorp wél in de constitutionele idee ofwel de constitutiegedachte. Als orangist wilde hij de oude adellijke orde van vóór 1795 herstellen, maar wel onder constitutionele voorwaarden. Daarbij kreeg Willem I een sterke positie, maar geen ongebreidelde macht. Zijn bevoegdheden waren neergelegd en beperkt in een constitutie. De makers van de Grondwet van 1814 hadden de revolutietijd actief doorgemaakt. Zij zagen de noodzaak in van een constitutioneel document dat een grondslag en de beperking zou vormen voor overheidsbevoegdheden.5
De Grondwet van 1814 is dus te beschouwen als een compromis van oude (gerestaureerde) en revolutionaire elementen. 6 Het resultaat van dit compromis was dat de zoon van de erfstadhouder als vorst werd ingesteld met veelomvattende bevoegdheden. Tegelijkertijd limiteerde de Grondwet de bevoegdheden van deze vorst. Een helder voorbeeld van een begrenzing was bijvoorbeeld de wetsprocedure in artikel 68 Gw (1814). De Staten-Generaal moesten instemmen met een wetsvoorstel, waardoor niet alleen de vorst de wet bepaalde. De Grondwet van 1814 bevatte – hoe primitief ook - elementen van machtenscheiding en controle. Democratisch was de Grondwet van 1814 echter geenszins te noemen. De belangrijkste verworvenheid bij de Grondwet van 1814 was de constitutiegedachte.7 Deze gedachte komt overeen met de rechtsstaatgedachte. Ik vat het begrip rechtsstaat op zoals Kortmann deze in zijn handboek gebruikt. Volgens Kortmann gaat het begrip rechtsstaat oorspronkelijk om de begrenzing van het optreden van de overheid.8 In zoverre heeft de Grondwet van oudsher een rechtsstatelijke functie. De Grondwet zorgt primair voor begrenzingen van de uitoefening van bevoegdheden door overheidsambten.
De Grondwet van 1815 (tot stand gekomen in het kader van de vereniging met de Zuidelijke Nederlanden) laat ik in deze beschouwing achterwege, omdat deze een minder belangrijke overgang bevatte voor dit hoofdstuk dan de totstandkoming van de Grondwet van 1814.