Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.4.1
II.4.1 Inleiding en methode
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS284986:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Sillen legt in zijn proeve van een positivistische grondwetsinterpretatiemethode de nadruk op de bedoeling van de grondwetgever. In dit verband ligt het voor de hand om vooral naar de wetshistorie bij de Grondwet van 1983 te kijken. Daarbij geeft hij terecht en op genuanceerde wijze aan dat het zinvol is om de nadruk te leggen op een dergelijke methode, zie: Sillen 2009, p. 129-152. Betrekkelijk recent heeft Boogaard op Sillen gereageerd in verband met Sillens focus op de bedoeling van de grondwetgever. Boogaard legt in zijn methode voor een grondwetsinterpretatie meer het accent op oudere bronnen van ‘verschillende bouwmeesters door de eeuwen heen’, denk aan geschriften van bijvoorbeeld Thorbecke, zie: Boogaard 2018, p. 3-21. Boogaard geeft wel toe dat aan zijn methode het nadeel kleeft, dat het lastiger is te bepalen welke auteurs wel of niet betrokken moeten worden in zijn grondwetsinterpretatie, zie: Boogaard 2018, p. 7.
In dit proefschrift tracht ik een probleemanalyse te maken in hoofdstuk 5. Om een probleemanalyse te kunnen verrichten is het nodig om een normatief kader te hebben. Zonder normatief kader zou die analyse zich immers in het luchtledige bevinden. Een normatief kader geeft houvast en richting. Ik zoek dit kader in de functies van de Grondwet zelf. In dit hoofdstuk staat daarom eerst de vraag centraal wat de functies van de Grondwet zijn. Een voorvraag is dan wat het woord ‘functie’ betekent. Bij het begrip functie gaat het in dit hoofdstuk om de ‘werking’ of ‘werkzaamheid’. Hierbij gaat het om de door de grondwetgever beoogde werking of werkzaamheid van de Grondwet. Dat brengt mij tot de vraag op basis van welke methode de functies van de Grondwet te achterhalen zijn.
In eerste instantie ligt het voor de hand om naar de wetshistorie van de laatste algehele grondwetsherziening van 1983 te kijken. Toch is het eenzijdig om me bij deze vraag slechts te baseren op de wetshistorie bij de grondwetsherzieningsprocedure van 1983.1 De grondwetsherziening van 1983 was bovendien een beperkte modernisering van het grondwettelijke bestel. Veel van wat in de grondwetten van voor 1983 stond is in stand gebleven. Mijns inziens ontstaat er een evenwichtiger beeld als de historie vanaf 1814 betrokken wordt bij de beschrijving van de functies. Ik beperk mijn onderzoek tot de Grondwet van 1814, omdat dit een nieuwe Grondwet was en haar opvolgers beoogd waren als een herziening van die Grondwet van 1814.
Dan is de vraag welke bronnen gebruikt kunnen worden om de functies van de Grondwet te kunnen omschrijven. Ik breng hierin de volgende systematisering aan. Ik beperk mij tot bronnen die verband houden met de totstandkoming en herziening van de Grondwet. Daarbij horen sommige prominente rapportages van staatscommissies en parlementaire stukken. Ik gebruik literatuur in zoverre deze te verbinden is aan de betreffende totstandkoming of herziening van de Grondwet.
In dit hoofdstuk beperk ik mij niet alleen tot de functies van de Grondwet. Ook zal ik in paragraaf 11 ingaan op het leerstuk van informele constitutionele wijzigingen. Dit leerstuk gaat uit van de idee dat wijzigingen van de Grondwet in veel gevallen op informele wijze plaatsvinden. Als dat het geval is, zouden de functies van de Grondwet gerelativeerd kunnen worden. Deze paragraaf beziet in hoeverre die relativering daadwerkelijk op gaat.