Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/X.2.2
X.2.2 Samenloop met art. 2:14 en 2:15 BW
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178701:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ingevolge art. 73 Rv verwijst de rechter die zich onbevoegd acht, de zaak naar de wel bevoegde ‘gewone rechter’. Hoewel de laatste frase anders doet vermoeden, is een verwijzing naar de Ondernemingskamer ook mogelijk (vgl. Kamerstukken II 2000/01, 27 824, nr. 3, p. 36 (MvT Aanpassing wetgeving aan de herziening burgerlijk procesrecht)). Bij de Ondernemingskamer kan de zaak dan ex art. 69 Rv als verzoekschriftprocedure worden voortgezet.
Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/111. Gelijkluidende bewoordingen zijn te vinden in nr. 111 van de laatste alleen door Van Schilfgaarde verzorgde druk uit 2001.
Zie hierboven § 2.1.
In dezelfde zin Rb. Utrecht 12 november 2008, JOR 2009/8 (Musko Racing), met instemmende noot van Ploeger, en Rb. Rotterdam 18 oktober 2017, JOR 2018/ 4, m.nt. Van Vught (Bloem Doze Nienhuis), rov. 4.3.
OK 11 juli 2002, JOR 2002/195 (SCNM), rov. 3.5.
De vernietigingsbevoegdheid van de Ondernemingskamer maakt dat de jaarrekeningprocedure samenloopt met de procedure die art. 2:15 BW geeft voor de vernietiging van besluiten in het algemeen. De vraag rijst dan of deze procedures elkaar uitsluiten. Moet de rechtbank, geconfronteerd met een vordering tot vernietiging van een jaarrekeningbesluit, zich onbevoegd verklaren en de zaak doorgeleiden aan de Ondernemingskamer?1 En hoe zit dat ingeval van een beweerdelijk nietig jaarrekeningbesluit? Anders gezegd: heeft de jaarrekeningprocedure een exclusief karakter?
Van Schilfgaarde geeft hierop een deels bevestigend antwoord:
‘Het [jaarrekening]besluit van de AVA moet voldoen aan alle eisen die normaliter aan een dergelijk besluit worden gesteld. (…) Alle regels die van toepassing zijn op de geldigheid of ongeldigheid van besluiten van de AVA zijn ook hier toepasselijk. Aan de aandeelhouders, eventueel ook aan andere belanghebbenden, staat een beroep op de aantastbaarheid van het besluit open, indien relevante normen zijn geschonden. Zijn echter de bezwaren van de betrokkenen ontleend aan titel 9 dan zal men moeten aannemen dat uitsluitend de in art. 447 e.v. voorgeschreven rechtsgang kan worden gevolgd. Zou men dit niet aannemen dan zou immers naar believen het specialistische college van de Ok kunnen worden uitgeschakeld en de termijn van art. 449 kunnen worden ontdoken.’2
Volgens Van Schilfgaarde werkt de jaarrekeningprocedure exclusief voor zover het beweerdelijke gebrek in het jaarrekeningbesluit voortvloeit uit de jaarrekeningtitel van Boek 2 BW (Titel 2.9 BW). Indachtig de huidige tekst van art. 2:447 lid 2 BW begrijp ik dit zo, dat de exclusiviteit van de jaarrekeningprocedure ook geldt voor het geval waarin de jaarrekening in strijd is met de IFRS-verordening of de Wet op het financieel toezicht.3 In andere gevallen, dat wil zeggen waar het besluit vernietigbaar is op een van de gronden van art. 2:15 lid 1 BW, zou de gewone rechter zijn bevoegdheid behouden.4 Sterker, de opvatting-Van Schilfgaarde brengt met zich dat de gewone rechter in dergelijke gevallen met uitsluiting van de Ondernemingskamer bevoegd is het jaarrekeningbesluit ex art. 2:15 BW te vernietigen. Dit laatste vindt steun in de SCNM-beschikking, waarin de Ondernemingskamer zich onbevoegd acht een jaarrekeningbesluit te vernietigen dat tot stand is gekomen in strijd met bepaalde statutaire voorschriften.5
Van Schilfgaarde bakent de rechtsmacht van de Ondernemingskamer en de rechtbank dus af door te kijken naar de geschonden norm. Wie een jaarrekeningbesluit van tafel wil krijgen wegens strijd met de materiële jaarrekeningnormen, wendt zich tot de Ondernemingskamer. Wie daarentegen het jaarrekeningbesluit vernietigd wil zien op de voet van art. 2:15 BW, moet naar de rechtbank. Deze benadering, de lijn-Van Schilfgaarde, klinkt helder en logisch. Maar is zij dat ook? Ik bezie haar met de algemene samenloopregels als vertrekpunt.