Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/1.4.3
1.4.3 Functionalisme
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715367:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Altena 2016, p. 21-22; Verbruggen 2004, p. 83.
Lacey 2016, p. 5; Groenhuijsen 2005, p. 786; Yoon 2001, p. 12; Bal e.a. 2002, p. 1988; Dupont 1979, p. 67. Dupont noemt dit ook wel de ‘dubbele bodem’ van de 18e-eeuwse rechtsbeginselen (Dupont 1979, p. 86). Foqué en ’t Hart noemen deze twee idealen rechtsbescherming en instrumentaliteit. Beide waarden zijn vanaf het begin met elkaar verweven (‘t Hart 1978, p. 219). Overigens ging het hier niet om een puur ideëel streven en kleefde daar het nodige eigenbelang van de bourgeoisie aan (zie daarover: Groenhuijsen 2002, p. 24-25; Foqué & ’t Hart 1990, p. 218-219; ’t Hart 1978, p. 218).
Peters 1972, p. 10. Kritisch over een meer praktische invulling van beginselen: Husak 1995, p. 153.
Crombag 1981, p. 39-41.
Dupont wijst er bijvoorbeeld op dat, in de periode dat diefstal met de doodstraf werd bedreigd, er onder de bevolking vanwege deze disproportioneel hoge straf een dermate grote morele afkeur bestond jegens personen die aangifte van diefstal deden, dat dergelijke personen soms door woedende mensenmassa’s werden belaagd, zodat op termijn vrijwel niemand meer aangifte deed van diefstal. De hoge straf had bovendien als ongewenst neveneffect dat een dief weinig reden meer had om eventuele getuige niet om het leven te brengen, nu hij bij een betrapping toch niets meer te verliezen (en alles te winnen) had. Zie: Dupont 1979, p. 67.
Voor een eenvoudig jurist is het doordenken van het liberalisme en het communitarisme overigens eenvoudiger dan het doordenken van het (empirisch gefundeerde) functionalisme. Het is daarom wellicht goed om te onderstrepen dat het functionalistische perspectief binnen dit boek vooral draait om de vraag met welke empirische vooronderstellingen in het juridische debat over voorfasedelicten wordt geschermd. De vraag in hoeverre die veronderstellingen feitelijk juist zijn, valt buiten de reikwijdte van het boek.
Kelk 1987, p. 268.
Kelk 1987, p. 269, 270 en 271.
Van Bemmelen 1973, p. 9.
Kelk 1987, p. 261, 268 en 269.
Boutellier 2002, p. 111.
Cijfers van het CBS die teruggaan tot 1948 laten zien dat de geregistreerde criminaliteit per 1.000 inwoners rond 2002 een hoogtepunt bereikte (met 93 misdrijven per 1.000 inwoners) en dat deze sindsdien vrij consequent jaar op jaar een dalende trend vertoont en in 2021 is gehalveerd ten opzichte van twintig jaar eerder (met nog ‘slechts’ 43 misdrijven per 1.000 inwoners). Zie ook: De Jong 2016, p. 31; Van der Woude & Van Sliedregt 2007, p. 222. Daarbij moet uiteraard wel worden opgemerkt dat niet alle criminaliteit wordt geregistreerd.
Kelk 1987, p. 273.
Een derde manier waarop de grenzen van het strafrecht in de voorfase kunnen worden benaderd, is met het functionalistische ideaaltype. Het functionalisme kent, net als het liberalisme, zijn oorsprong in de Verlichting. Het strafrecht van voor de Verlichting was naar het oordeel van Verlichte hervormers namelijk niet alleen onrechtvaardig en wreed, maar ook ineffectief.1 Vandaar dat zij niet alleen meer rechtvaardigheid nastreefden, maar ook meer effectiviteit in de vorm van een op utilitarisme en wetenschappelijke inzichten gebaseerde criminaliteitsbestrijding, met de nodige weerstand tegen schijnoplossingen.2 Peters wijst er terecht op dat beginselen ook zodanig kunnen worden geïnterpreteerd dat hun inhoud overeenstemt met bepaalde rationele beleidsdoelstellingen.3 Crombag betoogt zelfs, met een beroep op Bentham, dat eisen als rechtsgelijkheid en evenredigheid niet zozeer om ethische, maar om praktische redenen worden gesteld.4
Liberalisme en functionalisme kunnen hand in hand gaan, bijvoorbeeld als het gaat om de problematiek van disproportioneel zware straffen, die niet alleen zware inbreuken op vrijheden maken, maar ook ineffectief zouden zijn.5 Anders dan in het liberalisme (en overigens ook het communitarisme) staat in het functionalisme echter geen normatieve visie op de verhouding tussen staat en burger centraal bij de interpretatie van strafrechtelijke beginselen. Een functionalist redeneert in de kern consequentialistisch: centraal staan de praktische gevolgen die bepaalde beleidskeuzes hebben. 6 Het exacte doel dat wordt nagestreefd blijft daarbij overigens opvallend genoeg – anders dan bij het utilitarisme – veelal onbenoemd. De centrale vraag is vooral hoe de oorzaken van criminaliteit zo effectief en efficiënt mogelijk kunnen worden aangepakt. Deze zijn niet zelden buiten de persoon van de dader gelegen, zodat de dader zelf al snel als hulpbehoevend wordt gezien.7 Dat veronderstelt een betrekkelijk deterministisch wereldbeeld met een wat paternalistische insteek, waarin het kunnen voorspellen van menselijk gedrag een belangrijke rol speelt. Ook dat staat op gespannen voet met de liberale benadering, waarin terughoudendheid met overheidsbemoeienis en wilsvrijheid juist een centrale rol spelen. Vanwege de gebrekkige aantoonbaarheid van de effectiviteit van het strafrecht zal een functionalist echter doorgaans – net als een liberaal – terughoudend zijn met de inzet ervan en een voorkeur hebben voor buitengerechtelijke oplossingen.8 De inzet van het strafrecht is daarom enkel op zijn plaats als andere, niet-strafrechtelijke oplossingen onvoldoende effectief zijn.9 Dat werkt ook door in de voorkeur die de functionalist heeft voor maatregelen als gedragsbeïnvloeding en andere vormen van social engineering, resocialisatie en (speciale en generale) preventie.10
De functionalist ziet het strafrecht primair als één van de beleidsinstrumenten waar de overheid over kan beschikken om haar doelen te bereiken.11 Anders dan in de communitaristische benadering gaat het de functionalist er bij de inzet van dat instrument niet om wat de samenleving meent dat strafbaar zou moeten zijn, maar wat empirisch relevante overwegingen zijn bij de keuze om bepaald gedrag te bestrijden of om bepaalde doelstellingen te bereiken. Wat een meerderheid in de samenleving wil, hoeft immers niet per se effectief en efficiënt te zijn. Zo zal een functionalist zeer kritisch zijn op de communitaristische aandacht voor subjectieve veiligheidsgevoelens, aangezien objectief gezien de hoeveelheid geregistreerde misdrijven in Nederland al twee decennia een dalende lijn vertoont.12 Door effectiviteit en efficiëntie centraal te stellen, kan de functionalist uiteindelijk – net als de liberaal – toch normatief en machtskrititisch te werk gaan. Rechtsbeginselen overstijgen immers als gevolg daarvan ook in deze benadering het positieve recht en bieden een extern toetsingskader aan de hand waarvan de (on)wenselijkheid van bepaalde keuzes kan worden beoordeeld. Anders dan de liberaal baseert de functionalist zich daarbij echter niet op normatieve waarden, zoals vrijheid of rechtvaardigheid. Sterker nog: al te veel rechtswaarborgen zullen juist al snel praktische belemmeringen opleveren.13 Toch zijn rechtsbeginselen ook binnen het functionalisme tot op zekere hoogte normatief van aard, in die zin dat ze berusten op het (normatieve) standpunt dat bij de waardering van geldend recht en wetsvoorstellen de factoren ineffectiviteit en inefficiëntie van groot of zelfs doorslaggevend belang zijn. Een functionalist ziet effectiviteit en efficiëntie in ieder geval als noodzakelijke voorwaarde voor strafbaarstelling. De negatieve invulling van het functionalisme houdt het bij daarbij en stelt zich op het standpunt dat wetgeving niet moet worden ingevoerd als de doelen die de wetgever met die wetgeving nastreeft niet kunnen worden bereikt. Deze invulling biedt dus alleen tegenargumenten voor invoering van wetgeving. Andere, meer extreme functionalisten kunnen effectiviteit en efficiëntie zelfs als voldoende voorwaarde voor strafbaarstelling zien (en bieden in die zin dus ook argumenten vóór strafbaarstelling), maar omdat deze visie in de literatuur over voorfasedelicten eigenlijk niet aan bod komt en dit onderzoek zich vooral richt op beperkingen bij het strafbaar stellen van gedrag in de voorfase, blijft deze positieve invulling van het functionalisme grotendeels buiten beschouwing. Daar hangt overigens ook mee samen dat de positieve invulling van het functionalisme de formulering van een bepaald doel vereist dat (op effectieve en efficiënte wijze) moet kunnen worden bereikt, terwijl dat – zoals gezegd – in de literatuur niet gebeurt, terwijl de negatieve invulling van het functionalisme slechts reageert op doelstellingen die door anderen – doorgaans de wetgever – worden aangevoerd.