Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking
Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/9.16.1:9.16.1 Slotsom
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/9.16.1
9.16.1 Slotsom
Documentgegevens:
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196899:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
[367] Dit hoofdstuk houdt de volgende bevindingen in.
De arbeidsrechtelijke loonrisicoregeling vormt geen belemmering voor onmiddellijke voorzieningen waarbij aan de door de Ondernemingskamer geschorste functionaris de aanspraak op managementvergoeding wordt ontzegd. Dat geldt als aan de geschorste persoon verwijt maken valt, maar ook als dat niet zo is.
Als de Ondernemingskamer een bestuurder (of andere functionaris) schorst, tast de schorsing de bezoldigingsverplichting van de rechtspersoon niet aan. Als de Ondernemingskamer meent dat die verplichting niet in stand kan blijven gedurende de schorsing, moet ze dat zelf beslissen. De door haar benoemde bestuurder kan het niet doen. Beschikkingen waarin zij dat nalaat, maar wel aan de benoemde bestuurder opdraagt om een nieuwe vergoeding vast te stellen voor werkzaamheden van de geschorste bestuurder, zijn op dat punt niet doeltreffend.
Beslissingen die de bezoldigingsverplichting van de rechtspersoon aantasten horen uitdrukkelijk in het dictum vermeld te worden.
Als de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder een nieuwe vergoeding voor de geschorste bestuurders vaststelt, zijn de wettelijke regels voor de bezoldiging van bestuurders niet van toepassing.
Het belang van het onderzoek kan (vrijwel) nooit een bezoldigingsingreep vergen.
De toestand van de rechtspersoon zou wellicht een bezoldigingsingreep kunnen vereisen in geval van privé-onttrekkingen, onaanvaardbare verhoudingen of een onevenwichtig speelveld. Een financiële noodtoestand van de rechtspersoon vereist geen onmiddellijke voorziening waarbij een bezoldigingsverplichting wordt opgeheven.
Een verwijt aan de geschorste persoon is geen voorwaarde om hem bij onmiddellijke voorziening zijn management fee te ontzeggen; het kan een rol spelen bij de beslissing, maar als enige grondslag voor de ingreep schiet het tekort. In alle gevallen moet zijn voldaan aan de vereisten van noodzakelijkheid, subsidiariteit en proportionaliteit.
Op grond van deze bevindingen meen ik dat situaties, waarin plaats is voor een bezoldigingsingreep, hoogst uitzonderlijk zijn.
Als gebod of verbod geformuleerde beslissingen over de bezoldiging van een geschorste bestuurder, maken diens rechtspositie duidelijker dan aanwijzingen aan de OK-bestuurder in de overwegingen van de beschikking.
Het risico voor het niet nakomen van een bezoldigingsverplichting wegens een onmiddellijke voorziening, kan verschuiven van de rechtspersoon naar de wederpartij die betrokken is bij het beleid van de rechtspersoon. Kennis van het beleid kan daarvoor aanleiding zijn. Hoe beter de wederpartij op de hoogte is, of zou kunnen zijn, van gebrekkigheden in het beleid die de onmiddellijke voorziening initiëren, hoe groter de kans op verschuiving van het risico.
Ook invloed van de wederpartij op het beleid kan meebrengen dat hij naar verkeersopvattingen het risico voor de onmiddellijke voorziening draagt. Dat geldt voor wederpartijen die het beleid bepalen en de omstandigheden beïnvloeden die tot de onmiddellijke voorziening leiden.
Ten derde is plaats voor verschuiving van het risico, als het feitencomplex dat de bezoldigingsingreep vergt, een ernstig verwijt aan de bestuurder oplevert in een procedure wegens bestuurdersaansprakelijkheid.
Bezoldigingsingrepen worden meestal niet uitgebreid en nauwkeurig gemotiveerd. In mindere mate geldt dat voor schorsingsbeslissingen. Die usance heeft tot gevolg dat veelal uit de beschikking niet blijkt of de bezoldigingsingreep voldoet aan de vereisten van noodzakelijkheid, subsidiariteit en proportionaliteit. Of zich een uitzonderlijke situatie voordoet, die een bezoldigingsingreep vergt, kan dan niet worden vastgesteld.
Deze manier van motiveren beïnvloedt ook het beroep op overmacht van de rechtspersoon tegenover een schadevergoedingsvordering van de wederpartij wegens niet nakomen van de bezoldigingsverplichting. De kans dat de gewone burgerlijke rechter aanknopingspunten vindt voor het oordeel dat de bezoldigingsingreep naar verkeersopvattingen voor risico van de wederpartij komt, wordt verkleind door een summiere motivering van de bezoldigingsingreep.
Deugdelijke motivering van de bezoldigingsingreep, waarin de omstandigheden die tot de ingreep noopten zijn vermeld, vergroot de kans op afwijzing door de gewone burgerlijke rechter van een vordering tot nakoming van de bezoldigingsverplichting.