Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/9.13
9.13 Ingrepen in de bezoldigingsverplichting; strekking, karakter en vereisten
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196898:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dit in afwijking van de onmiddellijke voorzieningen die zijn besproken in hfdst. 8, waarmee in eerste instantie gewoonlijk uitstel van de nakoming van een (koop)overeenkomst wordt bewerkstelligd.
In hoeverre geschorste functionarissen, als ze na de periode van schorsing op hun post zijn teruggekeerd, de gemiste vergoeding alsnog aan zichzelf laten uitbetalen, kan ik niet overzien. Indien de geschorste bij wijze van voorziening na gebleken wanbeleid ontslagen wordt, gebeurt dat in elk geval niet.
Volgens vaste jurisprudentie staat aan het treffen van onmiddellijke voorzieningen niet zonder meer in de weg dat zij kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen (3.11).
Vgl. de in 9.9 besproken voorbeelden.
Bennaars beschouwt ingrijpen in de bezoldigingsverplichting als het regelen van gevolgen van de voorziening (Bennaars, De rechtspositie van de bestuurder (Mon. SR nr. 68) 2015/5.6.2).
Leijten achtte – voor de wetswijzing van 2013 – art. 2:357 lid 2 BW ook toepasbaar bij onmiddellijke voorzieningen (Leijten 2002, p. 72). Zo ook Geerts 2004, 5.3.6.1. Eikelboom suggereert dat een vergelijkbare bepaling voor de gevolgen van onmiddellijke voorzieningen niet nodig is, omdat regelingen met het oog op die gevolgen kunnen worden gezien als zelfstandige onmiddellijke voorzieningen of als onderdeel van een onmiddellijke voorziening (Eikelboom 2017, p. 8.5.1).
OK 22 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3014, ARO 2015/188 (Leaderland).
Zie 9.8.
Ze zijn meermalen aan de orde geweest, zie i.h.b. hfdst. 3.
Zie hierover bijv. ook concl. A-G E.M. Wesseling-van Gent, ECLI:NL:PHR:2014:293, bij HR 11 juli 2014, ARO 2014/105 (Novero), nr. 2.11-2.12. Sinds 2013 is dit vereiste wettelijk vastgelegd (3.5 en 3.7).
3.12.
[342] Ingrepen in de bezoldiging in het kader van een onmiddellijke voorziening hebben een tijdelijk karakter. Meestal wordt de duur van de ingreep verbonden aan de looptijd van de schorsing. Met de maatregel wordt evenwel niet beoogd de nakoming van de bezoldigingsverplichting uit te stellen tot na beëindiging van de schorsing.1 De bedoeling is dat de verplichtingen over de periode van schorsing geheel vervallen.2 In zoverre kan gesproken worden van een onomkeerbaar gevolg van de maatregel.3
[343] Betwijfeld kan worden of een ingreep in de bezoldigingsverplichting een zelfstandige onmiddellijke voorziening is. Hij komt bijna altijd voor in combinatie met schorsing. De maatregel wordt niet steeds in het dictum vermeld en wordt gevarieerd geformuleerd.4 Dat lijkt te wijzen op een accessoir karakter.
De associatie met artikel 2:357 lid 2 BW kan zich opdringen.5 Daarin wordt bepaald dat de Ondernemingskamer in de tweede fase zo nodig de gevolgen van voorzieningen regelt. Over toepasbaarheid van die bepaling in de eerste fase is discussie geweest.6 De Ondernemingskamer heeft in een beschikking inzake Leaderland een onmiddellijke voorziening aangevuld met een flankerende maatregel, met de bewoordingen “op de voet van art. 2:357 lid 2 BW – hier analoog van toepassing”.7 De wetgever heeft de wetswijziging van 2013 niet aangegrepen om een vergelijkbare bepaling voor de gevolgen van onmiddellijke voorzieningen in het leven te roepen. Op deze plaats wordt in het midden gelaten of de Ondernemingskamer in de eerste fase een bij wet gegeven afzonderlijke bevoegdheid zou moeten hebben om de gevolgen van voorzieningen te regelen. Inmenging in de bezoldiging kan namelijk niet beschouwd worden als het regelen van gevolgen van de schorsing. Schorsing heeft niet automatisch effect op de bezoldigingsverplichting.8 In zoverre is het niet noodzakelijk om iets te regelen voor de bezoldiging. Voor een goed functioneren van de schorsingsvoorziening zijn aanwijzingen over de managementvergoeding evenmin nodig. Ik meen dan ook dat een ingreep in de bezoldiging een zelfstandige voorziening is.
[344] Voor de eisen die aan de ingreep worden gesteld maakt het niet uit of ze een eigenstandig of een accessoir karakter heeft. Of de interventie nu een zelfstandige of een bijkomende maatregel is, ze moet voldoen aan de vereisten voor het treffen van een onmiddellijke voorziening. Er is geen reden om aan een bijkomende maatregel minder strenge eisen te stellen dan aan een hoofdmaatregel.
Die vereisten zijn als volgt te omschrijven.9 Een onmiddellijke voorziening kan worden getroffen in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek, en in beide gevallen alleen als er noodzaak toe bestaat. Ook de belangen van degenen, die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken, moeten worden meegewogen.10 Bij dat alles mag niet worden vergeten dat een onmiddellijke voorziening moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.11 In de volgende paragraaf wordt bezien onder welke omstandigheden aan de vereisten kan worden voldaan.