Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.3.3.4.9
4.3.3.4.9 Conclusie
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS447492:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie EHRM 9 december 1994, López Ostra/Spanje, r.o. 55 (zaaknr. 16798/90).
Zie EHRM 10 januari 2012, Di Sarno e.a./Italië, r.o. 111-112 (zaaknr. 30765/08).
Het EHRM wees onder meer op HvJEU 4 maart 2010, Commissie/Italië, C-297/08, ECLI:EU:C:2010:115. In dit arrest had het HvJEU geoordeeld dat Italië zijn verplichtingen van art. 4 en 5 van richtlijn 2006/12/EG geschonden had door voor de regio Campania niet alle maatregelen te nemen die noodzakelijk waren om ervoor te zorgen dat de verwijdering van afvalstoffen plaatsvond zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder nadelige gevolgen voor het milieu. In het bijzonder had Italië die verplichtingen volgens het HvJEU geschonden door geen toereikend en geïntegreerd net van afvalverwijderingsinstallaties op te zetten.
De beoordeling of de overheid een of meer (bepaalde) concrete handelingen moet verrichten moet plaatsvinden aan de hand van een belangenafweging. In die belangenafweging kunnen verschillende omstandigheden (factoren) een rol spelen.
Uit de rechtspraak blijkt dat in bijna alle gevallen waarin het ehrm een schending van artikel 8evrm en/of artikel 1ep vaststelde, in enig opzicht sprake was van een onrechtmatigheid naar nationaal recht. In die gevallen motiveerde het ehrm zijn oordeel dat de overheid haar positieve verplichting om een of meer (bepaalde) concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van een bestaande aantasting had geschonden mede met een verwijzing naar die onrechtmatigheid naar nationaal recht. In de zaak-López Ostra/Spanje liet het ehrm daarentegen bewust in het midden of de afvalverwerkingsinstallatie en haar activiteiten in strijd waren met nationaal recht.1 Ook in de zaak-Di Sarno/Italië stelde het ehrm een schending van die positieve verplichting vast zonder bij de motivering van deze vaststelling expliciet een beroep te doen op enige onrechtmatigheid (naar nationaal recht).2 Dit neemt niet weg dat uit het arrest van het ehrm wel blijkt dat ook in deze zaak sprake was van een (naar Unierecht) onrechtmatige situatie.3 Uit de rechtspraak van het ehrm valt derhalve af te leiden dat bij het beantwoorden van de vraag of de overheid een of meer (bepaalde) concrete handelingen moet verrichten ter beëindiging van een bestaande aantasting een groot belang toekomt aan de omstandigheid of de activiteit die de aantasting van een door artikel 8 evrm en/of artikel 1 ep beschermd belang veroorzaakt, op zichzelf of wat betreft (de ernst van) haar gevolgen in strijd is met nationaal recht. Als dat zo is, lijkt de overheid namelijk al snel gehouden dergelijke handelingen te verrichten.4
Andere factoren waaraan in meer of mindere mate belang toekomt (maar mijns inziens soms ook helemaal niet) bij de beoordeling of de overheid een of meer (bepaalde) concrete handelingen ter beëindiging van een bestaande aantasting moet verrichten zijn (onder meer): de omstandigheid of de burger wiens beschermde belang aangetast wordt dit belang in strijd met het nationale recht op een bepaalde plek heeft gevestigd, de duur van de aantasting, eigen schuld van degene wiens belang aangetast wordt, de economische belangen en/of de werkgelegenheid die met de aantastende activiteiten in de omgeving gemoeid zijn, de kosten van de concrete handelingen en de beperkte capaciteit en middelen van de overheid.