Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.3.3.4.1
4.3.3.4.1 Inleiding
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS446277:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragrafen 4.2.4.1 en 4.2.4.2.
Bij mijn weten is een dergelijke verwijzing in geen enkele omgevingsgerelateerde zaak over een bestaande aantasting te vinden. In niet-omgevingsgerelateerde zaken komt een dergelijke verwijzing bij bestaande aantastingen soms voor. Zie bijvoorbeeld: EHRM 22 februari 2005, Novoseletskiy/Oekraïne, r.o. 70 (zaaknr. 47148/99) (over art. 8 EVRM); EHRM 2 december 2008 (ontvankelijkheidsbeslissing), Furdík/Slowakije (zaaknr. 42994/05) (over art. 2 EVRM), waarin het EHRM overigens niet spreekt van een ‘impossible or disproportionate burden’ maar van een ‘excessive burden’; EHRM 7 januari 2010, Rantsev/Cyprus en Rusland, r.o. 286-287 (zaaknr. 25965/04).
Zie hierover paragraaf 4.2.4.2.
Ook hier geldt dat een dergelijke verwijzing bij mijn weten in geen enkele omgevingsgerelateerde zaak over een bestaande aantasting te vinden is. In niet-omgevingsgerelateerde zaken komt een dergelijke verwijzing bij bestaande aantastingen soms voor. Zie wederom bijvoorbeeld: EHRM 22 februari 2005, Novoseletskiy/Oekraïne, r.o. 70 (zaaknr. 47148/99) (over art. 8 EVRM); EHRM 2 december 2008 (ontvankelijkheidsbeslissing), Furdík/Slowakije (zaaknr. 42994/05) (over art. 2 EVRM); EHRM 7 januari 2010, Rantsev/Cyprus en Rusland, r.o. 286-287 (zaaknr. 25965/04)).f
Zie bijvoorbeeld: EHRM 26 juli 2011, Georgel en Georgeta Stoicescu/Roemenië, r.o. 51 (zaaknr. 9718/03); EHRM 28 oktober 1998, Osman/VK, r.o. 116 (zaaknr. 23452/94); EHRM 2 september 2010, Fedina/Oekraïne, r.o. 53 (zaaknr. 17185/02); EHRM 10 april 2012, Ilbeyi Kemaloğlu en Meriye Kemaloğlu/Turkije, r.o. 36 (zaaknr. 19986/06). Zie hierover ook paragraaf 4.2.4.5 (onder ad. 1).
Zie bijvoorbeeld: EHRM 9 december 1994, López Ostra/Spanje, r.o. 51 en 58 (zaaknr. 16798/90); EHRM 16 november 2004, Moreno Gómez/Spanje, r.o. 55 (zaaknr. 4143/02); EHRM 20 mei 2010, Oluić/Kroatië, r.o. 46 (zaaknr. 61260/08); EHRM 18 oktober 2011, Martínez Martínez/Spanje, r.o. 42-43 (zaaknr. 21532/08); EHRM 10 januari 2012, Di Sarno e.a./Italië, r.o. 105 (zaaknr. 30765/08); EHRM 18 juni 2013, Bor/Hongarije, r.o. 24-25 (zaaknr. 50474/08). Vooral de laatstgenoemde zaak is illustratief, omdat het EHRM daar in r.o. 25 overwoog dat ‘the State authorities had, upon the applicant’s complaint about the company’s noise emission, a positive obligation under Article 8 § 1 to strike a fair balance between the interest of the applicant in having a quiet living environment and the conflicting interest of others and the community as a whole in having rail transport’.
Als de overheid weet of behoort te weten van een bestaande aantasting en zij bevoegd is een of meer (bepaalde) concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van die aantasting, moet beoordeeld worden of zij die (bepaalde) concrete handeling(en) ook inderdaad moet verrichten.
Ten aanzien van de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen heeft het ehrm overwogen dat zij uitgelegd moet worden op een manier die geen ‘onmogelijke of disproportionele last’ (‘impossible or disproportionate burden’) op de overheid legt.1 In de rechtspraak van het ehrm over de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van bestaande aantastingen komt een verwijzing naar het criterium van de onmogelijke of disproportionele last nauwelijks voor.2 Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar de ‘operational choices which must be made in terms of priorities and resources’.3 Deze verwijzing komt in de rechtspraak over de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen vaak terug, maar nauwelijks in de rechtspraak over de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van bestaande aantastingen.4 Bij de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen spreekt het ehrm bovendien vaak, zo niet altijd, van ‘measures (…) which, judged reasonably, might have been expected’.5 Deze formulering komt in zaken over de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van bestaande aantastingen niet of nauwelijks voor.
In de rechtspraak over de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van bestaande aantastingen gebruikt het ehrm meestal andere formuleringen. In deze rechtspraak spreekt het ehrm doorgaans van ‘reasonable and appropriate measures’ en een tot stand te brengen ‘fair balance’.6 Dit komt mijns inziens evenwel op hetzelfde neer als de genoemde verwijzingen en formuleringen in de rechtspraak over de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen. Uiteindelijk komen alle verwijzingen en formuleringen erop neer dat een ‘fair balance’ gevonden moet worden tussen de door de concrete handelingen te beschermen belangen van een of meer burgers enerzijds en de belangen van derden en de overheid anderzijds.
De beoordeling of de overheid een of meer (bepaalde) concrete handeling( en) moet verrichten moet derhalve plaatsvinden aan de hand van een belangenafweging. Hieronder worden enkele omstandigheden en gezichtspunten (hierna tezamen ook wel aangeduid als ‘factoren’) besproken die bij die belangenafweging een rol (kunnen) spelen.