Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/4.5.1
4.5.1 Inleiding
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS446103:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het gehomologeerde akkoord is alleen verbindend voor concurrente schuldeisers. Dit gegeven volgt eigenlijk al uit het samenstel van regels betreffende het akkoord. In art. 157 Fw wordt dit echter uitdrukkelijk benadrukt: 'Het gehomologeerde akkoord is verbindend voor alle geen voorrang hebbende schuldeischers (...).'
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 185.
Zie paragraaf 2.3.3.
Rb. Utrecht 13 maart 1929, NJ 1929,1782.
Ongelijke behandeling van schuldeisers wordt overigens binnen zekere grenzen door de rechtspraak geoorloofd geacht. Zie o.m. Rb. Utrecht 9 augustus 1989, NJ 1990, 399 (Breevast).
Zie paragraaf 5.6.
Immers, het akkoord wordt niet door schuldeisers aangenomen om rechten prijs te geven, maar om zoveel te verkrijgen als onder de gegeven omstandigheden mogelijk is. Vgl. paragraaf 4.4.1.#$
Art. 157 Fw luidt als volgt:
"Het gehomologeerde akkoord is verbindend voor alle geen voorrang hebbende schuldeischers, zonder uitzondering, onverschillig of zij al dan niet in het faillissement opgekomen zijn."
Het gehomologeerde akkoord is verbindend voor alle concurrente1 schuldeisers, ongeacht of zij voor of tegen het akkoord hebben gestemd en ongeacht of zij al dan niet in het faillissement zijn opgekomen. Dit wordt dwingend voorgeschreven in art. 157 Fw en vloeit voort uit de gedachte dat het akkoord een overeenkomst is en dat slechts met de gebondenheid van alle schuldeisers aan het akkoord, het doel van het akkoord (sanering) kan worden bereikt. Dit lezen we ook in de memorie van toelichting:
"Tot het wezen van het akkoord behoort dat het de gezamenlijke concurrente schuldeischers van den gefailleerde bindt, zonder onderscheid of zij al dan niet zijn opgekomen, al dan niet daartoe hebben medegewerkt of daarvoor gestemd hebben. Door dit uit te spreken kenschetst artikel 157 het akkoord als eene overeenkomst tusschen den gefailleerde en de wettelijke vereeniging zijner schuldeischers."2
Op grond van art. 157 Fw zijn alle concurrente schuldeisers gebonden aan een gehomologeerd akkoord. Vanwege deze gebondenheid zonder uitzondering wordt een gehomologeerd akkoord een dwangakkoord genoemd. Art. 157 Fw is van openbare orde, waarvan niet kan en mag worden afgeweken. Hiervoor heb ik aangegeven dat slechts door alle concurrente schuldeisers te binden aan een akkoord, het doel van het akkoord kan worden bereikt. Daarnaast volgt uit de bewoordingen 'zonder onderscheid' in art. 157 Fw dat dit artikel eveneens waakt over het nakomen van de paritas creditorum in een akkoord. Immers, ook voor het akkoord geldt dat in beginsel de paritas creditorum3 dient te worden gerespecteerd. Dit betekent derhalve, dat iedere gelijkgerechtigde schuldeiser in beginsel gelijkelijk dient te worden behandeld. Deze gedachte is eveneens terug te vinden in een vonnis van de rechtbank Utrecht:4
"Art. 157 Fw, welke de gelijkheid der concurrente crediteuren waarborgt, is een bepaling van openbare orde, waaraan door geen overeenkomst haar kracht kan worden ontnomen.
Aan de tusschen partijen gesloten overeenkomst, dat eischer's vordering door het akkoord in ged.'s faillissement niet zou worden aangetast, kan eischer dus niet het recht ontkenen na de totstandkoming (homologatie) van het akkoord in rechte meer dan de bij het akkoord toegezegde 40% zijner vordering te eischen."
In het vorige hoofdstuk is het reehtskarakter van het akkoord besproken. Hierin is naar voren gekomen dat aangenomen mag worden dat een akkoord een overeenkomst is. In art. 145 Fw is bepaald dat voor aanneming van een akkoord een gewone meerderheid van instemmende schuldeisers voldoende is. Dit betekent dat voor de totstandkoming van een akkoord niet elke schuldeiser het akkoord hoeft te aanvaarden. Een akkoord kan derhalve tot stand komen ondanks tegenstemmende schuldeisers. Hierdoor vormt het akkoord een uitzondering op art. 6:217 BW. Tegenstemmende schuldeisers en schuldeisers die niet in het faillissement zijn opgekomen, dienen een op grond van art. 145 Fw aangenomen akkoord tegen zich te laten werken. Zij worden beschouwd als partij bij de tot stand gekomen overeenkomst en zijn als partij aan de inhoud van het akkoord gebonden. Dit wordt immers dwingendrechtelijk voorgeschreven in art. 157 Fw.
De vraag rijst wat de reikwijdte is van art. 157 Fw. Waar heeft deze gedwongen gebondenheid van de concurrente schuldeisers betrekking op? De wet geeft geen duidelijke regels voor inhoud en vorm van een akkoord. Hierdoor lijkt het alsof de wetgever partijen bij een akkoord hierin volledig heeft willen vrijlaten. Hiervoor is kort opgemerkt dat de inhoud van een akkoord beperkt wordt door de zogenoemde randvoorwaarden die voor elk akkoord gelden. Deze randvoorwaarden zijn niet uitdrukkelijk in de wet voorgeschreven, maar vloeien voort uit aard, doel en strekking van het akkoord. Deze randvoorwaarden zijn inherent aan ieder tot stand te komen akkoord. Zo geldt onder meer dat bij een akkoord de paritas creditorum in beginsel steeds het uitgangspunt dient te zijn.5 Bovendien dient ieder akkoord de toets van art. 153 lid 2 Fw6 te kunnen doorstaan.7 Hierdoor dient onder meer bij elk akkoord rekening te worden gehouden met tegenstemmers en niet opgekomen schuldeisers. Voorts kunnen rechten van schuldeisers die door de Faillissementswet aan hen zijn toegekend, niet door een akkoord worden ontnomen en kan er niet van dwingend recht worden afgeweken.8 Buiten de randvoorwaarden waaraan elk akkoord dient te voldoen, geldt in beginsel dat de inhoud van een akkoord - gelijk iedere andere overeenkomst - vrij is.