Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/13.3.4.1
13.3.4.1 Afbreuk aan crediteurenbescherming?
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS404651:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Geibel 2008, p. 91 en Habersack 2008, p. 548.
Altmeppen spreekt van Reflexschäden. (Altmeppen 2008a, p. 1204).
BGH 16 juli 2007, II ZR 3/04 (Trihotel), r.o. 33.
Het BGH overweegt: “Ein Direktanspruch der Gläubiger stünde im Widerspruch zu dem in den Kapitalerhaltungsvorschriften der §§ 30, 31 GmbHG verwirklichten – bei der Existenzvernichtungshaftung zu beachtenden – Grundsatz, dass der Gläubigerschutz durch die Gesellschaft mediatisiert bzw. die gläubigerschützende Haftung zugunsten der Gesellschaft “kanalisiert” wird.” (BGH 16 juli 2007, II ZR 3/04 (Trihotel), r.o. 33).
Habersack 2008, p. 547.
§ 80(1) InsO bepaalt: “Durch die Eröffnung des Insolvenzverfahrens geht das Recht des Schuldners, das zur Insolvenzmasse gehörende Vermögen zu verwalten und über es zu verfügen, auf den Insolvenzverwalter über.”
Op grond van § 92 InsO komt in faillissement de bevoegdheid om de door de gezamenlijke crediteuren geleden schade (Gesamtschaden) te vorderen uitsluitend toe aan de curator (en dus niet langer aan de individuele crediteuren). § 93 InsO bepaalt dat uitsluitend de curator bevoegd is om aandeelhouders van vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid aan te spreken vanwege hun verbondenheid voor de verplichtingen van de vennootschap. Algemeen wordt aangenomen dat dit artikel analoog van toepassing is op de GmbH (zie Kleindiek 2008, p. 690). § 92 InsO bepaalt: “Ansprüche der Insolvenzgläubiger auf Ersatz eines Schadens, den diese Gläubiger gemeinschaftlich durch eine Verminderung des zur Insolvenzmasse gehörenden Vermögens vor oder nach der Eröffnung des Insolvenzverfahrens erlitten haben (Gesamtschaden), können während der Dauer des Insolvenzverfahrens nur vom Insolvenzverwalter geltend gemacht werden.” § 93 bepaalt vervolgens: “Persönliche Haftung der Gesellschafter ist das Insolvenzverfahren über das Vermögen einer Gesellschaft ohne Rechtspersönlichkeit oder einer Kommanditgesellschaft auf Aktien eröffnet, so kann die persönliche Haftung eines Gesellschafters für die Verbindlichkeiten der Gesellschaft während der Dauer des Insolvenzverfahrens nur vom Insolvenzverwalter geltend gemacht werden.”
§ 26(1) InsO bepaalt: “Das Insolvenzgericht weist den Antrag auf Eröffnung des Insolvenzverfahrens ab, wenn das Vermögen des Schuldners voraussichtlich nicht ausreichen wird, um die Kosten des Verfahrens zu decken.” Volgens Geibel bestaat hierdoor een prikkel voor aandeelhouders om voor faillissement zoveel vermogen aan de vennootschap te onttrekken dat het faillissement vanwege gebrek aan baten zal worden afgewezen. (Geibel 2008, p. 91).
Altmeppen 2007, p. 2659. Zie hierover tevens Steffek 2011, p. 834. Deze mogelijkheid wordt ook genoemd door het Bundesgerichtshof in BGH 9 februari 2009, II ZR 292/07 (Sanitary) r.o. 32(g).
Zo overwoog het OLG Brandenburg kritisch: “[W]enn die masselose GmbH bereits gelöscht ist, […] könnte die Verweisung des Gläubigers auf eine Inanspruchnahme der gelöschten GmbH unzumutbar sein und der Gedanke einer Bündelung der Ansprüche in der Person des Insolvenzverwalters nicht zum Zuge kommen, so dass in diesen Fällen eine Außenhaftung des Gesellschafters gegenüber den Gesellschaftsgläubigern aus § 826 BGB eröffnet sein könnte.” (OLG Brandenburg 15 januari 2009, 5 U 170/06, GWR 2009, 276517).
Zie Röck 2012, p. 98.
Ofschoon over het algemeen positief is gereageerd op de Trihotel-uitspraak, staat de nieuwe benadering van het BGH ook aan kritiek bloot. Met name wordt het ongelukkig gevonden dat uitsluitend aan de vennootschap de schadevergoedingsvordering vanwege een ongeoorloofde vermogensonttrekking toekomt.1 De existenzvernichtender Eingriff wordt door het BGH gekwalificeerd als een onrechtmatige daad jegens de vennootschap. De crediteuren zouden slechts middellijk schade ondervinden door ongeoorloofde onttrekkingen.2 De schade van de crediteuren is een afgeleide van de schade aan het vennootschapsvermogen; deze vloeit voort uit het gegeven dat hun vordering op de vennootschap minder waard (of mogelijk zelfs waardeloos) is geworden nu door de onttrekking de financiële positie van de vennootschap is verslechterd.3 De interne aansprakelijkheidsnorm zou daarnaast beter aansluiten bij de kapitaalbeschermingsregels vervat in §§ 30 en 31 GmbHG en voorkomen dat aandeelhouders geconfronteerd worden met een veelheid aan aansprakelijkheidsvorderingen van benadeelde crediteuren.4 In de literatuur is opgemerkt dat de keuze voor een interne aansprakelijkheidsregeling voorkomt dat “ein Windhundrennen der Gesellschaftsgläubiger” ontstaat.5
Anders dan onder het oude leerstuk van Durchgriffshaftung kunnen crediteuren dus niet langer zelfstandig ageren tegen aandeelhouders vanwege ongeoorloofde vermogensonttrekkingen. De vordering wordt in de regel namens de vennootschap ingesteld door de curator.6 Toch maakt de keuze voor een interne aansprakelijkheidsnorm in veel gevallen praktisch geen verschil. Onder de oude leer van Durchgriffshaftung konden de crediteuren weliswaar direct hun schade verhalen op de betreffende aandeelhouder, maar uit de analoge toepassing van § 92 en 93 InsO volgde dat in faillissement uitsluitend de curator bevoegd was de vordering namens de gezamenlijke crediteuren in te stellen.7 Het primaat lag kortom reeds bij de curator.
De crediteuren dreigen niettemin achter het net te vissen, als de curator besluit niet te ageren tegen de aandeelhouder. Daarnaast bestaat het risico dat de ongeoorloofde vermogensonttrekkingen van dien aard zijn dat de faillissementsprocedure vanwege een gebrek aan baten nimmer wordt geopend.8 Altmeppen heeft aangegeven dat een crediteur in dergelijke gevallen de mogelijkheid heeft beslag te leggen op de vordering van de vennootschap op de aandeelhouder uit hoofde van de onttrekking, om deze vervolgens te executeren.9 Deze onzekere, inefficiënte en voor de crediteur belastende oplossing verdient volgens hem echter allerminst de voorkeur. Hoewel een aantal rechters de keuze voor een Binnenhaftung openlijk heeft bekritiseerd,10 wordt daaraan in de lagere rechtspraak sinds de Trihoteluitspraak strikt vastgehouden.11