Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/4.5:4.5 Intrekken van de vergeving
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/4.5
4.5 Intrekken van de vergeving
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859237:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 379.
In het voorgaande is kort aangestipt dat art. 4:3 lid 3 BW christelijk geïnspireerd is. Het zij nog opgemerkt dat de Bijbel het intrekken van vergeving of gedeeltelijke vergeving niet kent. Blijf een persoon toch wrok koesteren, dan is er geen sprake van vergeving. De vergeving is vanuit Bijbels perspectief altijd volledig. Zie bijvoorbeeld Matteüs 6:12, Matteüs 18:21-22 of Efeziërs 4:32.
Vandenbogaerde, TPR 2021, p. 633.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 4:3 lid 3 BW bepaalt dat de onwaardigheid vervalt bij ondubbelzinnige vergeving. Dat roept de vraag op of intrekking van de vergeving mogelijk is. De wetgever lijkt deze vraag, zij het niet heel expliciet, ontkennend te beantwoorden. In de parlementaire geschiedenis wordt bij de bespreking van de legitieme portie opgemerkt dat wanneer de erflater zijn kind een onwaardige gedraging ondubbelzinnig vergeeft, de wet aan dit enkele feit verval van onwaardigheid en dus herstel van de hoedanigheid van erfgenaam en legitimaris verbindt, onverschillig of de erflater dat verval en dat herstel heeft gewild.1 Deze woorden lijken te wijzen in de richting dat de erflater niet op zijn besluit kan terugkomen.
Met de wetgever ben ik van mening dat het intrekken van de vergeving niet mogelijk is. De gedraging is vergeven of niet.2 Als blijkt dat de erflater toch nadelige gevolgen wil verbinden aan het onbetamelijke gedrag dan is van vergeving geen sprake. Dit betreft echter niet het intrekken van de vergeving, maar valt weg onder de eis dat de vergeving ondubbelzinnig moet zijn. Lijken de daden en gedragingen van de erflater in eerste instantie te wijzen in de richting van vergeving, maar verandert de erflater zijn gedragingen dan zal de vergeving niet ondubbelzinnig zijn.3 Bij de bespreking van diverse uitspraken, komt dit nader aan de orde.
Vindt de vergeving plaats in een testament, dan kan de vergevingshandeling ongedaan gemaakt worden door het herroepen van dat (gedeelte van het) testament. Bij een onderhandse vergevingsverklaring kan de erflater overigens ook eenvoudig terugkomen op de vergeving door de verklaring te vernietigen. Ook hier kan gezegd worden dat er van vergeving geen sprake is. De erflater wil bij nader inzien toch nadelige gevolgen verbinden aan de misdraging. Ondubbelzinnige vergeving is dan niet aan de orde.
De rechtszekerheid en rechten van derden komen niet in het gedrang als de erflater op zijn eerdere standpunt mag terugkomen met als gevolg dat van vergeving toch geen sprake is. De vergeving heeft immers pas werking na het overlijden van de erflater.
Het verdient nog opmerking dat mijns inziens geldt dat voorwaardelijke vergeving evenmin mogelijk is. Bij de vergeving past niet dat de erflater daaraan een voorwaarde verbindt. De erflater vergeeft de gedraging onvoorwaardelijk of niet. Hiervoor geldt hetzelfde als bij het intrekken van de vergeving: wijzen de daden en gedragingen eerst in de richting van (voorwaardelijke) vergeving, maar blijkt later dat de erflater toch nadelige gevolgen wil verbinden aan het gedrag dan is van ondubbelzinnige vergeving geen sprake.