Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/4.2
4.2 Achtergrond
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859123:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Roes, Thijmgenootschap 2013/03, p. 140.
Van Mourik, in: Handboek Erfrecht, 2020, p. 30 en 43.
Roes, Thijmgenootschap 2013/03, p. 164-165.
Roes, Thijmgenootschap 2013/03, p. 165.
Roes, Thijmgenootschap 2013/03, p. 165.
Roes, Thijmgenootschap 2013/03, p. 166-167.
Roes, Thijmgenootschap 2013/03, p. 161-162. Roes concludeert in gelijke zin als het gaat om hulp bij zelfmoord. Hulp bij zelfdoding leidt echter niet tot onwaardigheid. De drempel van een vrijheidsstraf van vier jaren wordt bij dit delict niet gehaald (art. 294 Sr jo. 4:3 lid 1 sub b BW). Juridische vergevingsvraagstukken spelen om die reden geen rol van betekenis bij deze gedraging. Bij levensbeëindiging op verzoek, beëindigt de dader het leven van het slachtoffer. Bij hulp bij zelfdoding is hij ‘enkel’ behulpzaam of verstrekt de middelen.
Hoewel de Bijbel steeds minder zijn invloed doet gelden in ons privaatrecht,1 zijn bij de ondubbelzinnige vergeving Bijbelse sporen terug te vinden. Zonder nadere onderbouwing spreekt Van Mourik over een christelijk geïnspireerde regel.2 Roes komt eveneens tot deze slotsom. Volgens hem kan gezegd worden dat de bepaling (slechts) christelijk is geïnspireerd. Van een gelijkstelling in die zin dat vergeving in het erfrecht geheel en al overeenstemt met vergiffenis volgens de christelijke leer is geen sprake.3
Een belangrijke overeenkomst tussen beide soorten van vergeving is dat in beide gevallen het initiatief tot vergeving uitgaat van het slachtoffer. Bij artikel 4:3 lid 3 BW de erflater.4 Daarnaast zijn er twee significante verschillen te ontwaren. Ten eerste is voor vergeving bij onwaardigheid, in tegenstelling tot de christelijke vergeving, niet vereist dat de dader oprecht berouw heeft.5 Ten tweede wijkt de juridische vergeving af doordat deze niet van harte dient te worden gegeven. Voor de christelijke vergiffenis is dit aspect een conditio sine qua non. Artikel 4:3 lid 3 BW vordert daarentegen dat de vergeving ondubbelzinnig geschiedt. Dit is veeleer een bewijsrechtelijk aspect, eerder dan een ‘moreel’ oordeel (wanneer wordt iets door iemand ‘van harte’ gedaan?).6
De vergeving bij voorbaat bij euthanasie is volgens Roes in zijn geheel niet geïnspireerd door de christelijke vergeving. In paragraaf 4.7 komt aan de orde dat in een bepaalde situatie de fictie van vergeving kan worden aangenomen als de erfrechtelijke verkrijger, tevens arts, op verzoek van de erflater hem euthanaseert. Roes merkt op dat deze vorm van ‘ingebakken’ vergiffenis hem weinig ‘christelijks’ lijkt te zijn. Het christendom is de religie van het Leven en staat in dit opzicht diametraal tegenover de hedendaagse, seculiere, door sommige zwartkijkers wel aangeduide ‘Cultuur van de Dood’, aldus Roes.7