Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/4.4:4.4 Wijze van vergeven
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/4.4
4.4 Wijze van vergeven
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859296:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 91.
Hof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9515.
Hof Den Haag 14 februari 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BA1939.
Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 379.
Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 90-91.
Van der Kemp 1870, p. 20.
Zie par. 4.1 en 1.6.4.
Zie over de ratio nader par. 1.3.
Blokland 2006, p. 25.
Mellema-Kranenburg e.a. 2012, p. 2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Deze paragraaf spitst zich toe op de vraag hoe de vergeving moet plaatsvinden. In de Toelichting Meijers is als voorbeeld voor ondubbelzinnige vergeving het geval genoemd dat de erflater de onwaardige na kennisneming van de grond der onwaardigheid bij testament tot erfgenaam benoemt. Hieruit volgt allereerst dat ondubbelzinnige vergeving niet betekent dat de vergeving expliciet dient te geschieden. De vergeving wordt hier afgeleid uit de benoeming tot erfgenaam. Hoewel door Meijers niet benoemd, levert het subsidiair tot erfgenaam benoemen van de onwaardige naar mijn mening ook ondubbelzinnige vergeving op. Deze erfstelling kan doel treffen. De erflater zou deze beschikking niet opnemen indien hij nog nadelige gevolgen wil verbinden aan de misdraging.
Daarnaast blijkt uit de Toelichting Meijers dat de regeling niet tot een (impliciete) schriftelijke vergeving is beperkt nu tevens de mogelijkheid wordt opengelaten dat de vergeving uit een andere daad van de erflater blijkt.1 Vergeving kan derhalve vormvrij geschieden. De beantwoording van de vraag of sprake is van vergeving komt dan ook neer op een weging van alle relevante verklaringen en gedragingen van de erflater.2 Anders gezegd: het komt neer op een beoordeling van de feiten en omstandigheden van het concrete geval.3 Het is daarbij niet van belang of de erflater verval van de onwaardigheid heeft gewild. Vergeeft de erflater de gedraging ondubbelzinnig, dan verbindt de wet aan dit enkele feit verval van onwaardigheid.4
Dit is een weinig concreet criterium dat als gevolg van de vormvrije vergeving ook moeilijk veel concreter kan. De vergeving kan nu immers uit een grote variëteit aan omstandigheden blijken. De Toelichting Meijers biedt echter nog ietwat nadere houvast door tevens enkele situaties te schetsen die geen ondubbelzinnige vergeving opleveren. Zo is het enkele niet herroepen van een beschikking ten voordele van de onwaardige die aan de grond der onwaardigheid vooraf gaat niet voldoende, maar moet het duidelijk zijn dat de erflater de beschikking niet heeft wensen te herroepen. Eveneens is op zichzelf het feit dat de erflater na kennisneming van de grond der onwaardigheid geen uiterste wilsbeschikking maakt, onvoldoende om de onwaardigheid van een erfgenaam bij versterf op te heffen.5 Met andere woorden: het enkel kennisnemen van de grond der onwaardigheid en vervolgens geen actie ondernemen, levert geen ondubbelzinnige vergeving op.
Ook onder het Romeinse recht werd een uitdrukkelijke vergeving gevorderd. Het niet veranderen van een testament was ook daar onvoldoende om tot vergeving te concluderen.6 Het OBW wijkt op dit punt af. Onder het OBW kan een stilzitten van de erflater wel tot vergeving leiden. Is de dader van een poging tot het ombrengen van de erflater of het lasterlijk beschuldigen van de erflater, bij testament bevoordeeld en wijzigt de erflater zijn testament niet, dan werd vergeving aangenomen.7
Naar mijn mening wordt terecht meer gevorderd dan een enkel stilzitten. Is dit anders, dan wordt de erflater gedwongen actie te ondernemen als hij niet langer wil dat de onwaardige erft. Dat is niet gerechtvaardigd nu het de onwaardige is die zich heeft misdragen. Leidt het uitblijven van het wijzigen van een uiterste wilsbeschikking tot vergeving, dan verdwijnen de belangen van de erflater teveel naar de achtergrond. Wil de erflater geen vergiffenis schenken, maar vergeet hij zijn testament of wijzigt hij dit niet snel genoeg, dan ontstaat een vererving die niet strookt met de wil van de erflater. Hieruit volgt dat deze benadering evenmin in lijn zou zijn met de ratio van onwaardigheid, waarbij (onder meer) wordt aangeknoopt bij de vermoedelijke wil van de erflater.8
Blokland doet de wetgever de suggestie om vanwege de rechtseconomie te bepalen dat het opheffen van onwaardigheid door vergeving alleen (expressis verbis) in een uiterste wil kan plaatsvinden.9 Deze suggestie zou ik niet willen volgen. Hierdoor wordt de erflater gedwongen de stap naar de notaris te zetten, terwijl de vergeving evengoed ondubbelzinnig uit een onderhandse verklaring of andere omstandigheden kan blijken. Bovendien is het de vraag of de erflater zich in die situatie altijd zal realiseren dat hij de notaris nodig heeft om aan de vergeving rechtsgevolgen te verbinden. De commissie erfrecht, mede bestaande uit Blokland, heeft deze suggestie in overweging genomen, maar meent eveneens dat er niet voor moet worden gekozen om een vormvereiste in te voeren. De invulling van het begrip ondubbelzinnige vergeving en van de wijze waarop deze tot stand komt, dient volgens de commissie erfrecht aan de rechter te worden overgelaten.10 Verschillende uitspraken hierover komen in paragraaf 4.8 aan de orde.