Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/4.3
4.3 Begrip ‘vergeven’
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859235:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het hof merkt voorts op dat het niet noodzakelijk is dat de verklaring tot de onwaardige is gericht. Dit is logisch nu in het navolgende zal blijken dat vergeving ook kan geschieden door na kennisneming van de grond der onwaardigheid de onwaardige bij uiterste wilsbeschikking tot erfgenaam te benoemen. Een uiterste wilsbeschikking is een eenzijdige, ongerichte rechtshandeling, F. Schols, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 112-114.
Hof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9515.
Hof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9515.
Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 379.
Vandenbogaerde, TPR 2021, p. 655-656.
De wetgever heeft bij de totstandkoming van artikel 4:3 lid 3 BW enkele woorden gewijd aan de ondubbelzinnigheid van de vergeving, maar niet aan de betekenis van het begrip vergeven zelf. Vergeven wordt door de Dikke van Dale omschreven als ‘niet toerekenen’. Het Hof Arnhem-Leeuwarden brengt dit in iets andere bewoordingen tot uitdrukking en stelt dat vergeven betekent dat de erflater (hoogstpersoonlijk) te kennen geeft dat hij aan de gedraging geen nadelige gevolgen meer wil verbinden.1 Hieruit vloeit voort dat een voorwaarde voor de vergeving is dat de erflater de gedraging die tot de onwaardigheid leidt, kent.2
Uit de formulering van het derde lid volgt bovendien dat niet van belang is of de erflater na de onherroepelijke veroordeling van de onwaardige deze heeft vergeven, maar of de erflater de gedragingen van de onwaardige die tot de strafrechtelijke veroordeling hebben geleid, heeft vergeven.3
Vergeven is daarbij geen rechtshandeling. Bij de bespreking van de legitieme portie wordt dit nadrukkelijk opgemerkt in de parlementaire geschiedenis. Het schenken van vergiffenis mag niet beschouwd worden als een rechtshandeling gericht op het opheffen van de onwaardigheid. Hetzelfde geldt voor de gedragingen die een persoon onwaardig maken. Deze gedragingen kwalificeren niet als rechtshandelingen gericht op het ontstaan van onwaardigheid. In beide gevallen is volgens de wetgever sprake van feitelijke gedragingen welke de omschreven rechtsgevolgen hebben.4
Vandenbogaerde merkt op dat vergeving gericht is tegen de persoon en niet tegen de gedraging. Het is volgens hem daarom vreemd dat artikel 4:3 lid 3 BW de vergeving koppelt aan de gedraging. Vergeving kan zich volgens hem enkel zinvol richten tot de dader. De erflater neemt, wanneer hij vergeeft, de onwaardige niet langer kwalijk dat hij zo gehandeld heeft. Het verdient volgens hem aanbeveling artikel 4:3 lid 3 BW te wijzigen in die zin dat de woorden ‘zijn gedraging’ komen te vervallen.5 Deze suggestie zou ik niet willen volgen. Een bepaalde gedraging maakt een persoon onwaardig. Als de erflater de onwaardige daarvoor vergeeft, dan wil hij aan die gedraging geen consequenties meer verbinden. Worden de woorden ‘zijn gedraging’ weggelaten dan wordt onvoldoende duidelijk wat de erflater niet langer aan de dader wil toerekenen.