Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/5.5.3.2
5.5.3.2 Convocatieverzoek niet gehonoreerd
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649618:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 32.
Een andere reden is dat het onlogisch is dat bij deze BV’s voor het agenderingsrecht een kapitaalsdrempel van 3% geldt en voor het convocatierecht een drempel van 1% (zie hierover par. 5.5.2.3).
In gelijke zin Dumoulin 1999, p. 136. Zie ook de t.a.p. door hem genoemde uitzondering waarin de rechter het toeliet dat de agenda werd aangevuld met het punt ´benoeming van commissarissen´. Het betrof een situatie waarin de vennootschap failliet was en de commissarissen waren gedefungeerd zonder dat de verzoekers daar bij het indienen van het convocatieverzoek van op de hoogte waren (Rb. Amsterdam (pres.) 12 februari 1981, ECLI:NL:RBAMS:1981:AC2342, NJ 1981, 479(Van der Vliet Wernink Beheer).
Zie ook punt 4 van mijn noot onder Rb. Rotterdam (vzr) 24 april 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3334, JOR 2017/223, m.nt. Breukink. (Logistique/Bergwerff c.s).
Rb. Amsterdam (vzr.) 10 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:5845, JOR 2017/260 m.nt. Nowak (Elliott c.s./AkzoNobel), r.o. 4.3.
De mogelijkheid van het inroepen van de wettelijke bedenktijd laat ik hier buiten beschouwing. Zie daarover uitgebreid par. 6.3.3.2.
In gelijke zin Nowak in punt 9 van zijn noot onder Rb. Amsterdam (vzr.) 10 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:5845, JOR 2017/260 m.nt. Nowak (Elliott c.s./AkzoNobel). Sinds de inwerkingtreding van art. 2:114b BW zal in de praktijk wel steeds sprake zijn van twee verschillende vergaderingen.
Uit art. 2:110/220 lid 1 BW blijkt dat een machtigingsverzoek wordt afgewezen als niet eerst tevergeefs een convocatieverzoek is gedaan. De voorwaarde van het voorafgaande convocatieverzoek wordt door de wet gesteld omdat een vennootschap door het ingrijpen van de rechter in opspraak kan geraken: het bestuur en de rvc moeten eerst zelf in de gelegenheid worden gesteld om de verzochte algemene vergadering bijeen en op te roepen.1
Als een convocatieverzoek is ingediend, hebben het bestuur en de rvc van de NV zes weken de tijd om de algemene vergadering te houden. Als van de NV (certificaten van) aandelen aan een gereglementeerde markt zijn genoteerd, bedraagt de termijn acht weken. Dit in verband met de wettelijk voorgeschreven registratiedatum die op de achtentwintigste dag voor die van de vergadering is gesteld (zie art. 2:119 lid 2 BW). Het bestuur en de rvc van de BV hebben na ontvangst van een convocatieverzoek vier weken de tijd om de verzochte algemene vergadering te organiseren. Deze termijn kan in de statuten worden verkort. Statutaire verlenging van de termijn is niet mogelijk. De wettelijke termijn van vier weken geldt ongeacht of van de BV (certificaten van) aandelen zijn genoteerd. In elk geval voor BV’s met een notering aan een gereglementeerde markt is dit problematisch omdat bij deze BV’s de oproeping niet later geschiedt dan op de tweeënveertigste dag vóór die der vergadering (art. 2:187 jo art. 2:115 lid 2 BW). Deze minimale oproepingstermijn kunnen het bestuur en de rvc onmogelijk in acht nemen als zij de verzochte algemene vergadering binnen vier weken na de ontvangst van het verzoek moeten houden. Bovendien valt de verplichte registratiedatum op zijn vroegst samen met de dag van oproeping (art. 2:187 jo art. 2:119 lid 1, derde volzin, lid 2 en lid 3 BW). De huidige situatie dat op de BV met een notering aan een gereglementeerde markt art. 2:115 lid 2 BW en art. 2:119 lid 1 derde volzin, lid 2 en lid 3 BW in combinatie met art. 2:220 BW (en art. 2:221 BW) van toepassing is, is aldus onwerkbaar. Ik zie hierin voor de wetgever een extra reden om in art. 2:187 BW te bepalen dat op de BV met een notering aan een gereglementeerde markt art. 2:110 en art. 2:111 BW in plaats van art. 2:220 en art. 2:221 BW van toepassing zijn.2
De agenda die bij het machtigingsverzoek wordt verstrekt, moet gelijk zijn aan de agenda die bij het convocatieverzoek was gevoegd. Er mogen in het machtigingsverzoek geen nieuwe agendapunten worden opgenomen. Als dat wel het geval is, dient de voorzieningenrechter het machtigingsverzoek af te wijzen. Er kan dan immers niet worden volgehouden dat het bestuur en de rvc reeds tevergeefs zijn verzocht om de vergadering bijeen te roepen.3 Het nader concretiseren van een in het convocatieverzoek opgegeven agendapunt geldt in beginsel niet als het toevoegen van een nieuw punt. Wordt in het convocatieverzoek als agendapunt opgegeven ‘de benoeming van een nieuwe bestuurder’, en in het machtigingsverzoek ‘de benoeming van X als nieuwe bestuurder’, dan zal de voorzieningenrechter in beginsel de machtiging niet om deze reden kunnen weigeren.4
Dat de agenda gelijk moet zijn, laat onverlet dat de aan verzochte agendapunten ten grondslag liggende redenen kunnen zijn gewijzigd. Het is niet zo dat kapitaalverschaffers bij elke verandering van de redenen voor hun verzoek steeds eerst opnieuw een convocatieverzoek tot het bestuur en de rvc moeten richten.5
Andersom geldt dat als het bestuur en de rvc in reactie op het convocatieverzoek een algemene vergadering bijeen hebben geroepen met een andere agenda dan de agenda die bij het convocatieverzoek was gevoegd, het convocatieverzoek als niet gehonoreerd geldt. Het gaat er immers om dat de verzochte, en niet een andere, algemene vergadering wordt bijeengeroepen. Ter verduidelijking noem ik het geval waarin kapitaalverschaffers verzoeken om de bijeenroeping van een algemene vergadering om over het ontslag van een bestuurder te besluiten, maar het bestuur en de rvc de vergadering bijeenroepen met de positie van de bestuurder als discussiepunt op de agenda.6 Hoewel hier (in reactie op het verzoek) een algemene vergadering bijeen is geroepen, is het niet de verzochte algemene vergadering. Het convocatieverzoek is niet gehonoreerd.
Ik merk in dit verband nog op dat voor zover de voorzieningenrechter in r.o. 4.8 van Elliott/AkzoNobel de mening mocht zijn toegedaan dat als een kapitaalverschaffer van een beursvennootschap een algemene vergadering bijeen wil doen roepen om te besluiten over het ontslag van een bestuurder of commissaris, daaraan voorafgaand een algemene vergadering dient plaats te vinden waarin de bestuurder verantwoording aflegt, dit berust op een onjuiste rechtsopvatting. Een dergelijk vereiste blijkt niet uit de wet.7