Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/5.8.1.1
5.8.1.1 De mogelijkheden die de WOR biedt (artt. 26 en 36 WOR)
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS485010:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Bedacht dient te worden dat het voor de ondernemer bij een ontslag van een bestuurder eenvoudiger zal zijn het besluit daartoe te ontkoppelen van een dispuut over een belangrijke wijziging in de organisatie dan wel de verdeling van de bevoegdheden dan bij de benoeming van een bestuurder. Bij het ontslag zou de ondernemer kunnen stellen dat hij zich nog beraadt op de vraag of ‘de stoel’ opnieuw bezet zal worden, en of de organisatie dan wel de verdeling van bevoegdheden wijziging zal ondergaan. Bij benoeming van een extra bestuurder zal moeilijk zijn vol te houden dat niet óók een besluit tot wijziging in de organisatie dan wel de verdeling van de bevoegdheden is genomen.
OK 23 januari 2004, JAR 2004/47 (KLIQ).
Het advies inzake de benoeming van de CEO wordt door de ondernemer gevraagd ex art. 30 WOR, inzake de benoeming van de 2 ‘titulair directeuren’ omdat dienaangaande toezeggingen aan de COR zouden zijn gedaan, en niet omdat ten aanzien van hen sprake zou zijn van een besluit in de zin van art. 30 WOR.
Het ‘ontnemen van statutaire bevoegdheden’ lijkt mij een eufemisme voor ‘ontslaan’.
OK 15 april 1999, JOR 2001/1 m.nt. Vonk en JAR 1999/101 (Noest Beheer).
Tot de ongedaan te maken gevolgen reken ik slechts de benoeming tot bestuurder van de onderneming. Niet derhalve dat de bestuurder in het kader van zijn benoeming wellicht een arbeidsovereenkomst met de ondernemer heeft gesloten of dat, indien hij reeds bij de ondernemer in dienst was, zijn arbeidsvoorwaarden in verband met die benoeming mogelijk zijn verbeterd. Indien men de bestuurder al zou mogen beschouwen als een derde met betrekking tot het besluit de verdeling van de bevoegdheden te wijzigen (naarmate zijn betrokkenheid bij het besluit tot wijziging van de organisatie en de verdeling van de bevoegdheden groter is, zal dat moeilijker zijn vol te houden), het recht bestuurder van de onderneming te zijn beschouw ik niet als een verworven recht in de zin van art. 26 lid 5 slotzin WOR. Die bepaling ziet slechts op aanspraken die, bijvoorbeeld uit hoofde van de arbeidsovereenkomst met de ondernemer, maar die worden niet geraakt door de verplichting de gevolgen van het besluit ongedaan te maken. Bovendien is het zijn van bestuurder van de onderneming een interne aangelegenheid, waar ook de bestuurder zich aan zal hebben te conformeren
Pres. Rb. Arnhem 4 mei 1995, KG 1995, 247. Ook in Pres. Rb Amsterdam 11 mei 2000, KG 2000, 127 komt aan de orde dat het besluit tot beëindiging van de dienstbetrekking van de bestuurder van de onderneming zou hebben te gelden als een besluit in de zin van art. 25 lid 1 en onder e WOR. De president oordeelt echter dat de ondernemingsraad er voorshands niet in is geslaagd dat aannemelijk te maken.
Bemiddeling door de bedrijfscommissie (art. 36 lid 3 WOR) beschouw ik niet als een zelfstandige en reële route om naleving van het adviesrecht te bewerkstelligen. Ik acht uitgesloten dat de ondernemer die geen advies heeft gevraagd en die niet bereid is dat alsnog te doen, zich door de bedrijfscommissie zal laten overtuigen. Een tussenweg zie ik in dit soort gevallen ook niet, veel te bemiddelen valt er dan ook niet. Bemiddeling is een ‘noodzakelijk kwaad’ wil de ondernemingsraad ontvankelijk zijn in zijn verzoek bij de kantonrechter, maar ook niet meer dan dat.
Zie onder meer Van der Grinten (Handboek 1992, nr. 247) en Van der Grinten 1980, p. 884 e.v.; Boontje/Loonstra 2009, p. 463; Rood/Van der Heijden 2004, p. 377; en Inzicht 2012, p. 213.
Kamerstukken II 1975-1976, 13 954,. nr. 3, p. 53 en Kamerstukken I 1978-1979, 14 954, nr. 8d,
Zowel de voorzieningenrechter (art. 254 lid 1 Rv.) als de kantonrechter (art. 254 lid 4 Rv.) is bevoegd van een dergelijke vordering kennis te nemen. Voorbeelden van het eerste zijn Pres. Rb Haarlem 19 november 1992, NJ 1993, 794 en Pres. Rb. Utrecht 22 februari 1996, JAR 1996/64, een voorbeeld van het tweede Ktr. Apeldoorn 20 juni 2008, JOR 2008/226 m.nt. Verburg, JAR 2008/172 en ROR 2008/16 (COR/Wegener). Ik laat de vraag of de ondernemingsraad ontvankelijk is in zijn vordering bij de kantonrechter indien geen voorafgaande bemiddeling door de bedrijfscommissie heeft plaatsgevonden hier verder onbesproken, met de constatering dat in daadwerkelijk spoedeisende zaken de kantonrechter daarvan geen punt pleegt te maken.
Dat die precisering ontbreekt in art. 36 lid 7 WOR mag geen verbazing wekken. Art. 36 bevat een algemene geschillenregeling die betrekking heeft op alle verplichtingen die de WOR de ondernemer oplegt, op veel méér derhalve dan op veronachtzaming van rechten van de ondernemingsraad met betrekking tot besluiten van de ondernemer. Buiten de gevallen waarin het gaat om een besluit van de ondernemer, zou de toevoeging ‘ter uitvoering van het besluit’ een onwenselijke beperking kunnen aanbrengen in de verplichtingen die de kantonrechter de ondernemer op grond van art. 36 lid 7 WOR kan opleggen.
Hetzelfde heeft overigens te gelden indien de ondernemingsraad de vordering om het ontslag ongedaan te maken zou baseren op onrechtmatig handelen van de ondernemer, bestaande in een schending van het adviesrecht van de ondernemingsraad.
Pres. Rb. Zwolle, 30 januari 1995, JAR 1995/47 en ROR 1995, nr. 31.
In afwachting van een besluit dat is genomen met inachtneming van het adviesrecht ex art. 30 WOR, zal een inmiddels benoemde bestuurder van de vennootschap nog niet als bestuurder van de onderneming gaan functioneren. Daarentegen zal een inmiddels ontslagen bestuurder, die daartoe bereid is, dat nog wel doen. De in dit verband misschien niet erg gelukkige kwalificatie ‘schorsen van het besluit’ kwalificeer ik als een verbod het besluit uit te voeren.
We zien dat onder meer ook indien de Ondernemingskamer de ondernemer verplicht een besluit tot wijziging van de statuten van de vennootschap in te trekken, indien dat besluit heeft te gelden als een besluit tot een belangrijke wijziging van de verdeling van de bevoegdheden binnen de onderneming. Vgl. OK 30 december 2003, JOR 2004/102 en JAR 2003/45 (Intergas).
Indien de benoeming of het ontslag van een bestuurder deel uitmaakt van een besluit in de zin van art. 25 lid 1 WOR of indien de benoeming of het ontslag van een bestuurder blijkt geeft van een ‘verborgen’ besluit in de zin van art. 25 lid 1 WOR is, kan de ondernemingsraad overwegen beroep van dat (ene) besluit in te stellen bij de Ondernemingskamer.1 Daarmee is sprake van een beroep dat zich feitelijk mede richt tegen een besluit in de zin van art. 30 WOR. De Ondernemingskamer zou de ondernemer kunnen veroordelen dit (ene) besluit, derhalve ook voor zover dat de benoeming of het ontslag van de bestuurder betreft, in te trekken en de gevolgen ongedaan te maken. Een voorbeeld biedt de OK-beschikking inzake KLIQ.2 In het kader van een herstructurering van de in grote financiële moeilijkheden verkerende KLIQ Groep, ontstaan na de ontvlechting van de voormalige Arbeidsvoorzieningsorganisatie Nederland, geeft de centrale ondernemingsraad (‘COR’) in juli 2003 een positief advies aangaande de oprichting van New KLIQ, waarin onder meer de afgeslankte activiteiten van KLIQ Re-integratie zullen worden ondergebracht. De adviesaanvrage vermeldt dat het topmanagement van New KLIQ zal bestaan uit twee personen, te weten een CEO en een COO. De COR krijgt de toezegging dat hij met betrekking tot beide benoemingen in de gelegenheid gesteld zal worden een advies uit te brengen. In september ontvangt de COR een adviesaanvrage met betrekking tot de benoeming van Van Kleij tot CEO, alsmede met betrekking tot de benoeming van twee ‘titulair directeuren’.3 Het bestuur van KLIQ blijkt uit drie in plaats van uit twee personen te gaan bestaan. Met de COR is de Ondernemingskamer van oordeel dat de adviesaanvrage inzake de benoeming van twee ‘titulair directeuren’ aangemerkt dient te worden als een besluit tot wijziging in de bestuursstructuur en daarmee tot een belangrijke wijziging in de organisatie en de verdeling van de bevoegdheden binnen de onderneming.4 Nu de ondernemer zijn (voorgenomen) besluit onvoldoende heeft gemotiveerd, wordt hij veroordeeld het besluit tot benoeming van twee ‘titulair directeuren’ in te trekken. In de beschikking inzake Noest Beheer zien we dat de Ondernemingskamer de ondernemer verplicht een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders in te trekken om de bestuurder diens statutaire bevoegdheden te ontnemen en hem in een andere functie aan te stellen,5 nu ook dat besluit gepaard gaat met een belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming dan wel de verdeling van de bevoegdheden daarbinnen.6
Het lijkt op het eerste gezicht niet zo vreemd dat de Ondernemingskamer de ondernemer KLIQ veroordeelt een besluit in te trekken dat weliswaar gepresenteerd wordt als een besluit in de zin van art. 30 WOR maar dat in feite of tevens een ‘verborgen’ besluit in de zin van art. 25 lid 1 WOR blijkt te zijn. Toch is enige terughoudendheid op zijn plaats: benoeming van bestuurders behoort nu eenmaal niet tot de in art. 25 lid 1 opgesomde besluiten. Het adviesrecht dat in de KLIQ-zaak is geschonden betreft eigenlijk het ‘verborgen’ besluit tot wijziging van de organisatie en de verdeling van de bevoegdheden. Dat dit besluit tot uiting is gekomen in een besluit tot benoeming van de twee ‘titulair directeuren’, maakt het benoemingsbesluit nog niet adviesplichtig in de zin van art. 25 WOR, noch maakt dat de Ondernemingskamer bevoegd de ondernemer te veroordelen dat besluit in te trekken. Wellicht heeft zich hier gewroken dat de ondernemer bij hoog en bij laag vol hield dat maar van één besluit sprake was, nl. dat tot benoeming van de ‘titulair directeuren’. Het zou voor de hand hebben gelegen, en ook in overeenstemming met het systeem van de artt. 25 en 26 WOR zijn geweest, indien de ondernemingsraad de Ondernemingskamer had verzocht de ondernemer KLIQ te verplichten (1) het ‘verborgen’ besluit in te trekken en (2) de gevolgen daarvan ongedaan te maken. Tot deze gevolgen zou men dan wél de benoeming van twee ‘titulair directeuren’ kunnen rekenen. De Ondernemingskamer blijft met het opleggen van de verplichting de benoeming of het ontslag als een van de gevolgen van het besluit ongedaan te maken binnen de grenzen die art. 26 WOR stelt.7 Op een dogmatisch zuivere wijze bereikt de ondernemingsraad dan een resultaat dat per saldo gelijk is aan dat in de KLIQ-zaak, zonder het risico te lopen dat de Ondernemingskamer de ondernemingsraad niet ontvankelijk verklaart omdat het beroep zich richt tegen een besluit dat niet behoort tot de in art. 25 WOR opgesomde besluiten. Juister in dit opzicht is de overweging van de President van de rechtbank Arnhem, in een kort geding waarin een ontslagen en op non-actief gestelde bestuurder wedertewerkstelling vorderde, dat omstandigheden denkbaar zijn waarin een ontslagbesluit zo onlosmakelijk verbonden is met een reorganisatiebesluit, dat uitvoering van dat ontslag op grond van art. 25 lid 6 WOR gedurende een maand opgeschort dient te worden.8
De meest voor de hand liggende rechtsgang die de WOR de ondernemingsraad biedt als het gaat om de naleving van verplichtingen van de ondernemer uit hoofde van art. 30 WOR, is de algemene geschillenregeling van art. 36 lid 2 WOR.9 Evenzeer als de wetgever dat heeft overwogen met betrekking tot besluiten in de zin van art. 25 WOR,10 staat op grond van art. 36 WOR de gang naar de kantonrechter open, indien de ondernemer nalaat de ondernemingsraad in de gelegenheid te stellen een advies in de zin van art. 30 WOR uit te brengen. In de literatuur bestaat op dat punt in brede kring eenstemmigheid.11 Met een beroep op art. 36 lid 2 WOR blijft de ondernemingsraad uit de buurt van de door de wetgever niet gewenste inhoudelijke toetsing van benoemings- en ontslagbesluiten; de ondernemingsraad kan de kantonrechter slechts verzoeken te bepalen dat de ondernemer gehouden is de in art. 30 WOR neergelegde verplichtingen (alsnog) na te komen.12 In spoedeisende gevallen, bijvoorbeeld indien de ondernemer heeft laten blijken de ondernemingsraad niet te zullen betrekken bij een aanstaande benoeming of bij een dreigend ontslag van een bestuurder, kan de ondernemingsraad bij wege van voorlopige voorziening in kort geding vorderen dat hij voorafgaand aan het nog te nemen besluit in de gelegenheid gesteld dient te worden een advies uit te brengen.13
De kantonrechter kan de ondernemer de verplichting opleggen om ‘bepaalde handelingen’ te verrichten of na te laten (art. 36 lid 7 WOR). Wat moeten we daaronder verstaan? Uitgesloten acht ik dat de kantonrechter de ondernemer kan verplichten een reeds genomen besluit tot benoeming of ontslag van een bestuurder in te trekken. Het opleggen van dusdanig vergaande verplichtingen vereist een specifieke wettelijke basis. Die zien we wel in art. 26 lid 5 WOR, maar die ontbreekt in art. 36 WOR. Toch leidt art. 26 lid 5 WOR ons naar het antwoord dat wij zoeken, nu daarin een onderscheid wordt gemaakt tussen het besluit en ‘handelingen … ter uitvoering van het besluit’. De toevoeging ‘ter uitvoering van het besluit’ moeten we in art. 36 lid 7 WOR inlezen indien de vordering tot nakoming betrekking heeft op een besluit van de ondernemer.14 Met het opleggen van een verplichting bepaalde handelingen ter uitvoering van het benoemings- of het ontslagbesluit na te laten totdat de ondernemingsraad een advies zal hebben uitgebracht blijft de rechter binnen de grenzen van die bepaling. De ondernemer zal uitvoering van het besluit dan hebben op te schorten. Dat met toepassing van art. 36 lid 7 WOR niet ongedaan gemaakt kan worden wat reeds uitgevoerd is, en dus wat het bereik van die bepaling is, blijkt uit de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer bij het wetsvoorstel dat leidde tot de wetswijziging van 1979. De betrokken ministers gaan onder meer in op de vraag of de ondernemingsraad óók beroep bij de Ondernemingskamer kan instellen indien hij géén advies heeft uitgebracht. De vraag heeft weliswaar betrekking op besluiten in de zin van art. 25 WOR, het antwoord van de ministers past naadloos op de situatie waarin het in art. 30 WOR geregelde adviesrecht is veronachtzaamd:
‘In dat geval [dat wil zeggen als de beroepsmogelijkheid enkel zou bestaan indien de ondernemingsraad een advies zou hebben uitgebracht, JvM] zou de ondernemingsraad zich uitsluitend tot de kantonrechter kunnen wenden op grond van artikel 36, tweede lid, met het verzoek de ondernemer alsnog te verplichten het advies van de ondernemingsraad te vragen. Dat zou dan als mosterd na de maaltijd kunnen komen, omdat de ondernemer ondertussen zijn besluit zou kunnen hebben genomen en uitgevoerd.’.15
Dit antwoord geeft er blijk van dat de geschillenregeling het karakter van een zuivere nakomingsprocedure heeft. De rechter kan de ondernemer daarin niet veroordelen besluiten in te trekken en ongedaan te maken wat reeds is uitgevoerd, óók niet met een beroep op art. 36 lid 7 WOR. Nu is dat bij een benoeming van een bestuurder niet zo’n punt; uitvoering is in dat geval namelijk een proces dat in tijd voortduurt. Opschorting komt er dan op neer dat degene die benoemd is (voorlopig) niet of niet meer als bestuurder van de onderneming mag functioneren totdat de ondernemingsraad een advies heeft kunnen uitbrengen. Bij een ontslag kan dat anders liggen, met name indien het besluit inmiddels is geëffectueerd en de (inmiddels gewezen) bestuurder geen bestuurder meer van de onderneming is. In dat geval valt uitvoering niet meer op te schorten, maar zou deze ongedaan gemaakt moeten worden door de gewezen bestuurder opnieuw als bestuurder van de onderneming aan te stellen. Nog daargelaten of die bestuurder daarvoor voelt, gaat dit verder dan opschorting. De ondernemer wordt feitelijk veroordeeld het besluit in te trekken en de gevolgen ongedaan te maken. Daarmee komen we in de sfeer van een beroepsrecht tegen besluiten in de zin van art. 30 WOR dat de wetgever nu juist niet gewild heeft.16 De President van de Rechtbank Zwolle verliest de grenzen die art. 36 lid 7 WOR stelt dan ook uit het oog, waar hij de ondernemer verplicht een opgezegde interim-managementovereenkomst opnieuw in werking te doen treden, althans zo nodig een nieuwe overeenkomst aan te gaan, om daarmee het ontslag van de bestuurder ongedaan te maken.17
Bij het opleggen van de verplichting uitvoering van het besluit tot benoeming van een bestuurder op te schorten, zal de kantonrechter zich hebben te beperken tot uitvoering in de onderneming.18 De bevoegdheden die de Wet op de ondernemingsraden de rechter toekent reiken nu eenmaal niet verder. Voor zover de gevolgen van de benoeming zich buiten die onderneming voltrekken, kan het besluit niet door een voorziening uit hoofde van art. 36 lid 7 WOR worden getroffen. Zo blijft de bestuurder, indien hij dat niet alleen van de onderneming maar ook van de vennootschap is geworden, bevoegd een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen (art. 2:109/219 BW) of de vennootschap naar derden te vertegenwoordigen (art. 2:130/240 lid 1 BW). Hij zal zelfs als bestuurder van een andere door de ondernemer in stand gehouden onderneming kunnen functioneren. Met betrekking tot het opleggen van een verbod een besluit tot benoeming of tot ontslag van een bestuurder te nemen totdat de ondernemingsraad een advies heeft kunnen uitbrengen, zou de kantonrechter onder omstandigheden wél buiten de grenzen van de onderneming kunnen treden. Dat zou zich kunnen voordoen als een en hetzelfde besluit zowel een vennootschapsrechtelijke (benoeming resp. ontslag als bestuurder van de vennootschap) als een medezeggenschapsrechtelijke (benoeming resp. ontslag als bestuurder van de onderneming) component heeft. Dat de voorziening dan verder reikt dan de onderneming, is in dat geval inherent aan het feit dat de ondernemer er voor kiest de beide hoedanigheden van de bestuurder in één benoemings- resp. ontslagbesluit te combineren.19