Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/2.1
2.1 Inleiding
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Rechtbank Breda 11 september 2013, ECLI:NL:RBBRE:2012:BX7013. De rechtbank oordeelde op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad dat in dit geval sprake was van een voltooide diefstal, zodat – in de ogen van de rechtbank – moest worden vrijgesproken van de tenlastegelegde poging. Mijns inziens is de rechtbank daarbij uitgegaan van een te strikte lezing van de jurisprudentie van de Hoge Raad. In de jurisprudentie waarop de rechtbank zich baseert oordeelt de Hoge Raad niet dat sprake is van een voltooide diefstal en neemt evenmin een voltooide diefstal aan. De Hoge Raad oordeelt ‘slechts’ of het oordeel van de feitenrechter blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of niet en of dat oordeel al dan niet onbegrijpelijk is. Dat laatste oordeel laat veel ruimte voor de feitenrechter. Het is niet uitgesloten dat de Hoge Raad in de zaken die de rechtbank noemt ook een veroordeling wegens een poging tot diefstal in stand had gelaten.
Inbrekers gaan de woning van Z binnen. Ze halen daar papieren, paspoorten en een groot geldbedrag uit de kluis. Op enig moment komt de politie ter plaatse en slaan de mannen op de vlucht. Een tas met daarin onder meer paspoorten en geld laten ze achter; deze wordt later op het dak van de schuur aangetroffen. Hebben de inbrekers zich schuldig gemaakt aan (een voltooide) diefstal van de paspoorten en het geld? Of is het bij een poging gebleven?1 Zelf zullen de inbrekers het ongetwijfeld geen voltooide diefstal vinden. Juridisch gezien komt het erop aan wat precies strafbaar is gesteld in de diefstalbepaling. Gaat het slechts om de wegnemingshandeling? Of is voor een voltooide diefstal een gevolg vereist, bijvoorbeeld dat de dader ongestoord over het goed kan beschikken?
In het Wetboek van Strafrecht kan een onderscheid worden gemaakt tussen delicten waarin vooral het verrichten van een bepaalde handeling strafbaar is gesteld en delicten waarin het veroorzaken van een bepaald gevolg strafbaar is gesteld. In het eerste geval wordt wel gesproken van formele delicten, in het tweede van materiële delicten. In dit hoofdstuk staat de vraag centraal of de gedifferentieerde strafbaarstelling van de vermogensdelicten – waarmee diefstal, afpersing, verduistering en oplichting worden bedoeld – wordt verklaard door een keuze van de wetgever voor formele delictsomschrijvingen. Dit valt uiteen in een aantal onderwerpen. Eerst komt aan de orde wat formele delictsomschrijvingen zijn en of de vermogensdelicten inderdaad tot de formele delicten kunnen worden gerekend. Die vraag zal in het onderstaande worden beantwoord aan de hand van de literatuur. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de wetgever bij de vormgeving van de vermogensdelicten heeft stilgestaan bij het onderscheid tussen formele en materiële delicten en zich daardoor heeft laten leiden bij de differentiatie in die delicten.