Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.4.1
4.4.1 Definitie van beleidsregels
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661314:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II, 1993/1994, 23700, nr. 3, p. 107 en 124. Overigens merkt de Awb-wetgever daarbij direct op dat een bestuursorgaan aan dergelijk beleid wel gebonden kan worden op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Happé e.a. 2013, p. 62.
HR 28 maart 1990, nr. 25 668, BNB 1990/194 (Leidraadarrest), r.o. 4.6. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat beleidsregels als omschreven in dit arrest als ‘recht’ in de zin van art. 99, lid 1, sub 2 (heden art. 79, lid 1) Wet RO kunnen worden aangemerkt. Dat betekent dat de Hoge Raad de uitleg van beleidsregels kan toetsen. Overigens hoeft de rechter niet ambtshalve over te gaan tot toepassing van de beleidsregels, maar oordeelt de rechter slechts over een schending van beleidsregels indien daarover is geklaagd.
NDFR deel Formeel belastingrecht, Vertrouwensbeginsel, par. 3.1.1.1: Poelmann, in: Cursus Belastingrecht FBR.4.3.2.A (actueel t/m 2 februari 2021); Happé 2013, p. 63.
Zie Kamerstukken II, 1993/1994, 23700, nr. 3, p. 107.
Rechtbank Zeeland-West Brabant 8 april 2019, nr. 17/7395, V-N 2019/29.2.2.
Happé, e.a. 2010, p. 53-57; Jansen 2013, par. 3.1.1.1. Vgl. HR 27 april 2012, nr. 10/02587, BNB 2012/217. Zie ook HR 5 februari 1997, nr. 31.312, BNB 1997/160; HR 21 januari 1998, nr. 33.026, BNB 1998/115; HR 18 maart 1998, nr. 31.532, BNB 1998/267.
Zie Happé 1996, p. 133; Douma e.a. 2021, p. 285-286; NDFR deel Formeel belastingrecht, Vertrouwensbeginsel, par. 3.1.1.1.
HR 9 april 2020, nr. 19/03791, BNB 2021/95, r.o. 3.4. Zie ook HR 11 juni 2021, nr 20/00892, V-N 2021/26.21, r.o. 4.2.
Beleidsregels hoeven niet per se te gaan over rechtsvragen, zie de redactie in V-N 2004/47.1.
Zoals dat de inspecteur over de periode dat het geld al bij de Belastingdienst was geen rente zou berekenen, zie BNB 2021/95, r.o. 3.3-3.4 en HR 19 juni 2020, 19/02177, BNB 2020/120, r.o. 2.3.1.
Welke uitingen vallen onder de categorie beleidsregels in het kader van het vertrouwensbeginsel? Oftewel, wat is aan te merken als een beleidsregel? De definitie uit de Awb is relatief duidelijk, de definitie van de Hoge Raad is genuanceerder.
Definitie beleidsregel: Awb
In art. 1:3, lid 4, Awb is een beleidsregel omschreven als: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan (‘Awb-definitie’). De Awb-definitie is relatief duidelijk, omdat deze aansluit bij een formeel criterium. De Awb-definitie verlangt dat een beleidsregel ‘bij besluit’ wordt vastgesteld. Daarmee sluit de Awb-wetgever naar eigen zeggen bepaalde ‘aan beleidsregels verwante verschijnselen’ uit, zoals een niet op schrift gestelde, maar mondeling naar buiten gebrachte gedragslijn, een interne beleidslijn, een vaste uitvoeringspraktijk of slechts mondeling bekend gemaakte beleidsvoornemens.1 Voor dergelijke uitingen en gedragingen is de definitie uit de rechtspraak van de Hoge Raad relevant.
Definitie beleidsregel: Hoge Raad
De Hoge Raad heeft ook een definitie van beleidsregels gegeven (‘Hoge Raad-definitie’). In het zogenoemde Leidraadarrest uit 1990 omschrijft de Hoge Raad beleidsregels als:
‘door een bestuursorgaan binnen zijn bestuursbevoegdheid vastgestelde en behoorlijk bekend gemaakte regels omtrent de uitoefening van zijn beleid, die weliswaar niet kunnen gelden als algemeen verbindende voorschriften omdat zij niet krachtens enige wetgevende bevoegdheid zijn gegeven, maar die het bestuursorgaan wel op grond van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur binden, en die zich naar hun inhoud en strekking ertoe lenen jegens de bij de desbetreffende regeling betrokkenen als rechtsregels te worden toegepast.’2
Deze definitie bevat niet de eis dat de beleidsregel bij besluit moet worden vastgesteld, dus de Hoge Raad-definitie is ruimer dan de Awb-definitie.3 Het brengt mee dat ook uitingen en gedragingen van de Belastingdienst die niet in een besluit zijn neergelegd onder omstandigheden kunnen worden aangemerkt als een beleidsregel.
Voor de Hoge Raad-definitie geldt niet een formeel criterium, maar een materiële benadering. Niet de vorm of de aanduiding, maar de inhoud is beslissend voor de vraag of een uiting als beleidsregel kan worden aangemerkt.4 Dat betekent dat beleidsregels kunnen zijn vervat in bijvoorbeeld een onderschrift van de staatssecretaris van Financiën bij een rechterlijke uitspraak,5 een brief aan de Eerste of Tweede Kamer, in uitingen van de staatssecretaris in een persbericht of andere stukken.6 Ook informatie van de Belastingdienst die na een WOB-verzoek bekend wordt gemaakt kan beleid betreffen.7 Dit is bevestigd door de Hoge Raad in BNB 2021/95.8 Het is dus niet beslissend of er ‘beleidsbesluit’ boven staat of dat de Belastingdienst een en ander zelf aanmerkt als beleid.
Belangrijk is dat de kwalificatie van de categorie beleid, volgens de belastingrechter niet afhangt van het ‘etiket’ of het oogmerk van de Belastingdienst, maar van de inhoud.9 Bevat het een bepaalde gedragslijn, zoals een interne beleidslijn, een vaste uitvoeringspraktijk een voorgenomen uitvoeringslijn? Het gaat erom of sprake is van een uiting (of gedraging) waaruit de burger in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.10 De materiële benadering van beleid lijkt in de (recentere) rechtspraak van de Hoge Raad de drempel voor de kwalificatie van beleid te verlagen.
Overigens is de grens tussen beleid en voorlichting niet altijd helder, zoals in de literatuur is betoogd, terwijl de relevantie groot is voor toepassing van het vertrouwensbeginsel (paragraaf 4.6.1).