Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/III.3.3
III.3.3 Duits en Belgisch recht
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178918:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Busche 2011, p. 54, KK-AktG/Tröger 2017, § 133 AktG Rn. 53-54, MüKoAktG/Arnold 2018, § 133 AktG Rn. 6, MüKoGmbHG/Drescher 2019, § 47 GmbHG Rn. 10a en Spindler/Stilz/Rieckers 2019, § 133 AktG Rn. 5, alle met verwijzingen naar de vaste jurisprudentie van het Bundesgerichtshof.
Busche 2011, p. 54-56 en MüKoGmbHG/Drescher 2019, § 47 GmbHG Rn. 10a.
KK-AktG/Tröger 2017, § 133 AktG Rn. 53.
Busche 2011, p. 55-56 en MüKoGmbHG/Drescher 2019, § 47 GmbHG Rn. 10a.
Van Gerven 2006, p. 97 en Dekkers/Verbeke 2007, p. 64.
Van Gerven 2016, p. 355 en 522, onder verwijzing naar Cass. 14 oktober 1966, Pas. 1967, I, 204, waarin het hof ‘de bedoeling van partijen’ tot maatstaf neemt. Dat besluiten in het algemeen als overeenkomsten moeten worden uitgelegd valt daarin m.i. niet te lezen, althans niet zoveel woorden. De boven het arrest geplaatste redactionele samenvatting is bepaald stelliger dan het bijzinnetje in het arrest zelf.
Van Gerven 2016, p. 355.
Bij gebreke van eenduidig geldend recht ligt de vraag naar de uitleg van besluiten in volle omvang voor. Een blik over de grenzen kan dan inspireren. In Duitsland worden besluiten naar objectieve maatstaven uitgelegd. De uitleg richt zich naar de ‘objectieve verkeersopvatting’, niet naar de werkelijke wil van de stemmers noch naar de wijze waarop zij het besluit redelijkerwijze moesten opvatten. In zoverre vinden § 133 BGB en § 157 BGB geen toepassing: het bijzondere karakter van een besluit maakt dat het objectiever wordt uitgelegd dan andere rechtshandelingen respectievelijk overeenkomsten.1 In de uitleg wordt evenwel niet enkel de tekst van een besluit betrokken, maar ook alle omstandigheden die ‘naar buiten’ kenbaar zijn en aan de besluitvorming ten grondslag hebben gelegen. Te denken valt aan de in de agenda opgenomen toelichting op een voorgesteld besluit.2 Daarnaast kan het doel van een besluit, voor zover objectief kenbaar, aan de uitleg richting geven.3 Alles tezamen lijkt de Duitse lijn sterk op onze cao-norm. De ratio ervan is ook in Duitsland dat een besluit mede werkt jegens personen die aan de totstandkoming daarvan niet hebben meegewerkt.4 Daarnaast wijzen sommige Duitse schrijvers op de aard van het besluit, dat anders dan een overeenkomst niet bestaat uit overeenstemmende wilsverklaringen en derhalve los van die verklaringen (de stemmen) moet worden uitgelegd.5
Hoegenaamd anders luidt het Belgisch recht. Art. 1156 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek gebiedt de uitleggende rechter om de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen op te sporen, die dan prevaleert boven ‘de letterlijke zin van de woorden’. Die bedoeling moet de rechter afleiden uit de verklaringen van partijen en, aanvullend, uit ‘extrinsieke omstandigheden’, zoals voorbereidende documenten en de wijze waarop partijen de gemaakte afspraken hebben uitgevoerd.6 Uit een arrest van het Hof van Cassatie leidt Van Gerven af – zie ik het goed, dan is zijn handboek het enige dat hieraan aandacht schenkt – dat deze voor overeenkomsten bedoelde uitlegmaatstaf voor besluiten evenzo geldt.7 Het achterhalen van de gemeenschappelijke bedoeling van een besluit vergt het vaststellen van de wil van degenen die dat besluit tot stand brachten. Latere toetreders tot de rechtspersoon hebben besluiten te aanvaarden in de zin die de vóórstemmers daaraan gaven. De uitleg van een besluit vindt aldus plaats conform de regels die het Burgerlijk Wetboek voor overeenkomsten geeft (art. 1156-1164).8 Als we Van Gerven moeten geloven, ‘haviltexen’ de Belgen besluiten. Niet de objectieve, voor eenieder kenbare betekenis bepaalt de inhoud van een besluit, maar de zin die de bij de besluitvorming betrokkenen over en weer aan het besluit gaven. Het komt mij voor – Van Gerven zwijgt daarover – dat aldus ook gegevens die niet voor eenieder kenbaar zijn aan de uitleg van een besluit ten grondslag mogen worden gelegd, uiteraard voor zover door partijen gesteld.