Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen
Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/5.3.5.8:5.3.5.8 Invorderingsfaciliteiten art. 25, twaalfde en dertiende lid, IW 1990
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/5.3.5.8
5.3.5.8 Invorderingsfaciliteiten art. 25, twaalfde en dertiende lid, IW 1990
Documentgegevens:
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS347949:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 35b, tweede lid, SW 1956 alwaar is bepaald dat de geconserveerde waarde de waarde van het ondernemingsvermogen betreft minus de voorwaardelijke vrijstelling.
Op grond van art. 26, eerste lid, IW 1990 kan in bepaalde situaties kwijtschelding worden verleend. Zie daartoe art. 10-19a Uitv.reg. IW 1990.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag die hier aan de orde is, is of de in art. 25, twaalfde en dertiende lid, IW 1990 opgenomen invorderingsfaciliteiten bijdragen aan het oplossen van een eventueel liquiditeitsprobleem. Een invorderingsfaciliteit is bij uitstek het middel om een uit de belastingclaim voortvloeiend liquiditeitsprobleem op te lossen. Ten aanzien van de invorderingsfaciliteit voor de voortzetter geldt dat deze het sluitstuk vormt van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit. Het rentedragende uitstel wordt verleend over het verschil tussen de belasting over de belaste verkrijging en de belasting over de belaste verkrijging minus de geconserveerde waarde1 (art. 35b, derde lid, SW 1956). Dit betekent dat aan de voortzetter uitstel van betaling wordt verleend voor 17% van het ondernemingsvermogen. Dit betreft het gedeelte van het ondernemingsvermogen dat niet voorwaardelijk is vrijgesteld. Het uitgangspunt dat voor de belastingheffing die ziet op ondernemingsvermogen uitstel van betaling wordt verleend ondersteun ik, maar hieraan moeten wel voorwaarden worden gesteld. De faciliteit moet in ieder geval rentedragend blijven. Dit werk ik uit in paragraaf 6.2.2.2.a. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de in art. 25, twaalfde lid, IW 1990 opgenomen faciliteit doeltreffend is, maar over zijn doel heen kan schieten als er geen liquiditeitsprobleem is.
De in het dertiende lid van art. 25 IW 1990 opgenomen rentedragende invorderingsfaciliteit geldt voor degene die een onderbedelingsvordering krijgt op een medeverkrijger ter zake van door deze medeverkrijger verkregen ondernemingsvermogen, als bedoeld in art. 35c, eerste lid, SW 1956. Er moeten vraagtekens worden gesteld bij de doeltreffendheid van deze invorderingsfaciliteit. Het is afhankelijk van de situatie of de continuïteit van de onderneming in gevaar kan komen als gevolg van het feit dat erfbelasting moet worden voldaan. In paragraaf 5.3.3.3.e heb ik hiertoe een onderscheid gemaakt tussen de situatie waarbij de wettelijke verdeling van toepassing is en de situatie waarin op grond van een testamentaire regeling een onderbedelingsvordering ontstaat. De in paragraaf 5.3.3.3.e gemaakte analyse kan hier worden overgenomen. Op basis van deze analyse is mijn conclusie voor de toetsing in deze paragraaf dat de invorderingsfaciliteit in ieder geval doeltreffend is indien sprake is van een wettelijke verdeling. Het is dan immers de voortzetter, de langstlevende, die de belasting moet voorschieten. Indien er een testament is gemaakt, is het in principe de verkrijger van de onderbedelingsvordering die de erfbelasting moet voldoen. Alsdan wordt de continuïteit van de onderneming niet bedreigd. Dit is anders indien de erflater in het testament heeft bepaald dat de voortzetter de belasting moet voorschieten. In dat geval is de faciliteit ook doeltreffend.
Voor beide invorderingsfaciliteiten geldt een uitsteltermijn van tien jaren. Deze termijn vangt aan op de dag na het einde van het kalenderjaar waarin de verkrijging heeft plaatsgevonden (art. 6a en 6b Uitv.reg. schenk- en erfbelasting). Een termijn van tien jaren acht ik doeltreffend. In deze periode zouden betrokkenen voldoende voorbereid moeten zijn op het feit dat het uitstel vervalt.
Het uitstel wordt bij beide invorderingsfaciliteiten beëindigd in geval van faillissement van de belastingschuldige en ingeval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van de belastingschuldige van toepassing is (zie de onderdelen a en b van art. 25, twaalfde en dertiende lid, IW 1990).2 Aan het voortzettingsvereiste van de verkrijger is hiervoor al aandacht besteed. Het uitstel wordt beëindigd als de verkrijger van ondernemingsvermogen niet voldoet aan de voorwaarden van art. 35e SW 1956. Dit acht ik een logisch gevolg. Voor degene die een vordering krijgt op de voortzetter is het overigens moeilijk te verkroppen dat het uitstel op grond van art. 25, dertiende lid, onderdeel c, IW 1990 wordt beëindigd als de voortzetter niet voldoet aan het voortzettingsvereiste. Ik begrijp de overwegingen van de regering, omdat indien niet aan het in art. 35b, vijfde lid, SW 1956 opgenomen voortzettingsvereiste wordt voldaan er geen reden meer is nog een faciliteit te verlenen. Het voorgaande speelt geen rol indien sprake is van een wettelijke verdeling. Het is dan immers de langstlevende, de voortzetter, die de belasting moet voldoen.
Het uitstel wordt voorts nog beëindigd als de oorspronkelijke voortzetter de vordering (gedeeltelijk) aflost. Met de vrijgekomen middelen kan de belasting worden voldaan. Dat het uitstel wordt beëindigd voor zover de vordering wordt voldaan is geregeld in art. 25, dertiende lid, onderdeel d, IW 1990.