Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.2.3.4
2.2.3.4 Eis van onherroepelijkheid
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859153:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 90.
Volgens de minister is deze formulering afkomstig uit art. 885 OBW, Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1172. Meijers merkt op dat zijn ontwerpbepaling een samentrekking is van zowel de regeling van onwaardigheid bij versterf als krachtens testament, Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 90. In art. 959 OBW kwam de eis van een onherroepelijke veroordeling evenmin voor.
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1170.
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1172.
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1172, 1174 en 1175.
Crijns, in: T&C Strafvordering, commentaar op titel IVA Sv (inleidende opmerkingen), aant. 3d (online, bijgewerkt tot en met 1 juli 2023), Kessler, in: Handboek strafzaken, 65.8 (online, bijgewerkt 1 januari 2020), Kooijmans, in: WvSv, A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., artikel 257a Sv, aant. 5.7 (online, bijgewerkt tot en met 18 september 2012) en Lindenberg & Wolswijk 2021, p. 413.
De rechter kan de verdachte ook veroordelen of het OM niet-ontvankelijk verklaren. Daar kom ik hieronder nader over te spreken.
Keulen & Knigge 2020, p. 716.
Bijvoorbeeld omdat het OM in strijd heeft gehandeld met beginselen van een behoorlijke procesorde, en dit handelen ook de strafbeschikking raakt, Kooijmans, in: WvSv, A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., artikel 257a Sv, aant. 5.7 (online, bijgewerkt tot en met 18 september 2012).
Kessler, in: Handboek Strafzaken, 65.5.4.3 (online, bijgewerkt 1 januari 2020) en Kooijmans, in: WvSv, A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., artikel 257a Sv, aant. 5.7 (online, bijgewerkt tot en met 18 september 2012).
Kessler, in: Handboek Strafzaken, 65.5.4.3 (online, bijgewerkt 1 januari 2020).
In het Ontwerp-Meijers en enkele gewijzigde ontwerpen die daarop zijn gevolgd, is de eis van een onherroepelijke veroordeling niet expliciet opgenomen.1 De formulering ‘is veroordeeld’ zonder ‘onherroepelijk’ is uit artikel 885 OBW en 959 OBW overgenomen.2 Tijdens een wetgevingsoverleg is de vraag gesteld of het juist is dat het enkele feit van de veroordeling onvoldoende is, maar dat die veroordeling tevens onherroepelijk moet zijn.3 Minister Sorgdrager beantwoordt deze vraag bevestigend. Volgens de minister is geen sprake van onwaardigheid om te erven wanneer bijvoorbeeld een strafrechtelijke veroordeling voor moord op de erflater in hoger beroep geen standhoudt.4 Ter verduidelijk is daarom bij de zevende nota van wijziging het woord ‘onherroepelijk’ in de wettekst opgenomen.5
Een veroordeling is onherroepelijk indien daartegen geen gewoon rechtsmiddel (meer) openstaat. Dat wil zeggen dat geen hoger beroep of beroep in cassatie (meer) kan worden ingesteld.6 Een strafbeschikking is onherroepelijk wanneer daartegen geen verzet meer openstaat.7
Een onherroepelijke strafbeschikking vormt in twee gevallen geen vervolgingsbeletsel. Zo kan de zaak alsnog voor de rechter worden gebracht als de strafbeschikking nog niet, althans niet volledig ten uitvoer is gelegd (art. 255a lid 1 Sv) of als het hof alsnog verdere vervolging door middel van een dagvaarding beveelt nadat een rechtstreeks belanghebbende beklag heeft ingesteld tegen de afdoening door middel van een strafbeschikking (art. 255a lid 1 Sv jo. art. 12i Sv).8 In deze gevallen is het mogelijk dat de rechter de verdachte alsnog vrijspreekt of ontslaat van alle rechtsvervolging (art. 354a lid 1 Sv).9 Wat dat betreft kan hier een parallel worden getrokken met het buitengewone rechtsmiddel herziening ten voordele (art. 457 Sv). Dit buitengewone rechtsmiddel kan er onder meer toe leiden dat de veroordeelde wordt vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging (art. 476 lid 5 Sv).10 De mogelijkheid daartoe staat onwaardigheid niet in de weg. Voor die tijd is er immers sprake van een onherroepelijke veroordeling en dus van onwaardigheid. Het kan er echter wel voor zorgen dat de eerder ingetreden onwaardigheid komt te vervallen. Hetzelfde is naar mijn mening het geval als de rechter een onherroepelijke strafbeschikking vernietigt en de verdachte vrijspreekt. Ontslaat de strafrechter de dader van alle rechtsvervolging dan is op grond van de wet geen sprake (meer) van onwaardigheid. In paragraaf 2.2.3.6 bepleit ik dat een wetswijziging hier op zijn plaats is. In beide situaties geldt uiteraard dat deze uitspraak van de strafrechter onherroepelijk moet zijn geworden.
Onwaardigheid vervalt op grond van de tekst van de wet bovendien indien de rechter het OM niet-ontvankelijk verklaart en daarbij de strafbeschikking vernietigt (art. 354a lid 1, tweede zin Sv).11 Blijft de strafbeschikking ondanks de niet-ontvankelijkheid van het OM in stand, dan blijft de grond voor onwaardigheid bestaan. De strafbeschikking kan bijvoorbeeld in stand blijven als de niet-ontvankelijkheidverklaring zijn grond vindt in omstandigheden die dateren van na het uitvaardingen van de strafbeschikking. Te denken valt aan de situatie dat de vervolgingsverjaringstermijn na het uitvaardigen van de strafbeschikking is verlopen.12 De strafbeschikking blijft in dat geval ook opgenomen in de justitiële documentatie.13
Tot slot de situatie dat de rechter de onherroepelijke strafbeschikking vernietigt en de verdachte veroordeelt (art. 354a lid 1 Sv). Van een onherroepelijke veroordeling is op dat moment geen sprake. Niettemin voel ik er veel voor om in de tussenliggende periode, dat wil zeggen tussen het moment dat de rechter de veroordeling uitspreekt en deze veroordeling onherroepelijk wordt, de fictie aan te nemen van onherroepelijkheid. Dit vindt zijn rechtvaardiging in het feit dat, in tegenstelling tot een ‘gewone’ veroordeling er voorafgaand aan deze veroordeling al een onherroepelijke strafbeschikking ligt. Er was dus al sprake was van onwaardigheid. Mocht de veroordeling in hoger beroep of cassatie geen stand houden, dan vervalt de onwaardigheid alsnog.