Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/5.5.4.5
5.5.4.5 Rangregeling
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186645:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
MvT Inv., Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw, p. 193 en 200.
Art. 482 lid 2 Rv.
Art. 482 lid 2 Rv.
MvT Inv., Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw, p. 199 e.v.
Zie par. 7.3.2.3.
Zie nader par. 7.3.3.
Zie par. 7.3.4.
Vgl. par. 5.5.6 en 7.3.3, i.h.b. par. 7.3.3.3.
Zie daarover par. 7.4.
Zie par. 5.5.2.2 en Fransis 2017, nr. 307.
Zie par. 5.3.3.2.
Zie par. 5.2.3.3 en 5.3.3.
Dat is in faillissement de curator. Bij de verdeling van de executie-opbrengst van onroerende zaken buiten faillissement is het de notaris en bij verdeling van de executie-opbrengst van roerende zaken buiten faillissement is dat de deurwaarder, tenzij een pandhouder heeft geëxecuteerd, dan is dat de pandhouder zelf.
Evenzo naar Belgisch recht: Fransis 2017, nr. 307. Anders: Loesberg 2010, p. 73.
Zie par. 5.2.3.
Zie het geval dat de rangregeling in faillissement plaatsvindt nader par. 7.3.3.
Artt. 483f, 485a en 486 Rv.
Zie par. 5.3.5., i.h.b. par. 5.3.5.4.
Art. 483f Rv is bedoeld als tegenhanger van art. 135 Fw, MvT Inv., Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw, p. 203. Vgl. MvT, Van der Feltz II, p. 91/92 en art. 184 Fw. Zie ook HR 2 oktober 1998, NJ 1999/467 (Alsag AG/ Curatoren Femis), r.o. 3.4 en par. 7.3.2.6.
Art. 3:303 BW.
Zie par. 7.4.2.1 en 7.4.2.4.
Zie par. 5.5.2.4, onder ‘bescherming van de betrokken belangen’.
260. Na de executie van een beslagen goed moet de opbrengst daarvan worden verdeeld. Als de verhaalsgerechtigden die aanspraak maken op de executie-opbrengst en de schuldenaar tot overeenstemming komen over de verdeling van de opbrengst dan wordt die conform die overeenstemming verdeeld. Als zij geen overeenstemming bereiken dan volgt er een rangregeling ten overstaan van de rechter-commissaris.1 De rechter-commissaris verdeelt de executie-opbrengst conform de rang van de verhaalsrechten van de verschillende schuldeisers.
De rangregeling buiten faillissement vertoont sterke gelijkenissen met de verdeling van de executie-opbrengst in faillissement. De wetgever heeft gestreefd naar overeenstemming tussen de twee regelingen.2 Er bestaan enkele praktische verschillen omdat er bij de rangregeling buiten faillissement geen curator optreedt.
De wettelijke bepalingen voor de rangregeling houden geen rekening met eigenlijk achtergestelde vorderingen. De regeling bepaalt bijvoorbeeld niet op welke wijze een eigenlijk achtergestelde vordering moet worden opgenomen in de staat van verdeling. Deze leemte moet worden aangevuld door aan te sluiten bij het wettelijk systeem op basis van de eerder uiteengezette kwalificatie van de eigenlijke achterstelling.
261. De schuldeisers die beslag hebben gelegd op het geëxecuteerde goed of de opbrengst daarvan of wier beperkte recht daarop door de executie is vervallen moeten hun vordering aanmelden bij de rechter-commissaris.3 Daarbij moeten zij ook de rang van hun vordering aangeven.4 Deze plicht de rang van de vordering te melden is ruimer geformuleerd dan de corresponderende bepaling in faillissement, die volgens de tekst van de wet alleen verplicht om eventuele aanspraken op voorrang te melden.5 Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat is bedoeld om hiermee de regelingen inhoudelijk te doen verschillen.6
Ik meen dat een eigenlijk achtergestelde schuldeiser verplicht is bij het aanmelden van zijn vordering in een rangregeling ook melding te maken van de achterstelling. Dit is in lijn met de bewoordingen van de wet. Bovendien maakt een achtergestelde schuldeiser die zijn vordering aanmeldt zonder de achterstelling aanspraak op meer dan waarop hij in verhouding tot de andere schuldeisers recht heeft. Daarmee benadeelt hij de andere schuldeisers. In faillissement geldt hetzelfde.7
Na de indiening van de vorderingen stelt de rechter-commissaris een staat van verdeling op.8 Daarin wordt onder meer vastgesteld welke rang de ingediende verhaalsrechten hebben en voor welk bedrag de schuldeisers verhaal kunnen nemen. In de staat van verdeling moet een eigenlijk achtergestelde vordering voor het volledige bedrag van de vordering worden opgenomen met aantekening van de verlaagde rang.9 De eigenlijke achterstelling betreft immers alleen de rang van het verhaalsrecht, voor het overige blijft de juniorvordering en het daaraan verbonden verhaalsrecht onaangetast. Dit kan anders zijn als aan de juniorvordering ook een oneigenlijke achterstelling is verbonden.10
De staat van verdeling moet niet alleen vermelden dat de rang van de achtergestelde schuldeiser is verlaagd, maar ook ten opzichte van welke andere verhaalsrechten de rang is verlaagd en alle andere beperkingen van de rangverlaging die een rol kunnen spelen bij de verdeling van de executie-opbrengst.11
De staat van verdeling bevat naast de vaststelling van de verhaalsrechten en de daaraan verbonden rang ook de door die rechter-commissaris vastgestelde verdeling van de executie-opbrengst. Bij die verdeling moet op dezelfde manier met de verlaagde rang van het verhaalsrecht van de junior worden omgegaan als bij de verdeling van de executie-opbrengst in faillissement.12
262. Voor de behandeling van de eigenlijk achtergestelde vorderingen in een rangregeling maakt het niet uit of die eigenlijke achterstelling tot stand is gekomen in een overeenkomst waarbij de schuldenaar is betrokken of niet. Beide typen overeenkomsten wijzigen het verhaalsrecht van de junior op dezelfde manier en moeten dus op dezelfde manier uitvoering krijgen in een rangregeling.13 Daaraan staat niet in de weg dat een eigenlijke achterstelling zonder betrokkenheid van de schuldenaar de inhoud van de juniorvordering niet kan wijzigen, omdat een achterstelling waar de schuldenaar wel partij bij is dat ook niet doet.14 Andere rangbepalingen, zoals voorrechten, doen dat overigens ook niet.15
Hieraan kan worden tegengeworpen dat als zuivere intercreditor achterstellingen moeten worden meegenomen in een rangregeling, de uitvoerder16 van de rangregeling en de rechter-commissaris betrokken worden in conflicten tussen schuldeisers terwijl dat niet tot hun taak behoort. Die tegenwerping is niet terecht.17 De rang van verhaalsrechten is immers altijd een kwestie tussen de schuldeisers.18 De uitvoerder van de rangregeling en de rechter-commissaris geven dus altijd effect aan regels die alleen de relatie tussen de schuldeisers onderling bepalen.19 Dat is hetzelfde bij rangbepalingen die zijn opgenomen in een zuivere intercreditor overeenkomst als bij andere rangbepalingen, zoals voorrechten. Daarom kan de senior ook de regeling van de rang in een zuivere intercreditor overeenkomst aan de junior en de uitvoerder van de rangregeling tegenwerpen.
263. Nadat de rechter-commissaris de staat van verdeling heeft voorgesteld kunnen de schuldeisers daartegen bezwaar maken.20 Hoewel de wet alleen bezwaren noemt die zijn gericht tegen de erkenning van een vordering of tegen de voorrang van een vordering, meen ik dat het recht van bezwaar ruimer kan worden uitgeoefend.21 Schuldeisers moeten bezwaar kunnen maken tegen iedere onjuistheid in de staat van verdeling die een of meer schuldeisers benadeelt. Daaronder valt ook een eigenlijk achtergestelde schuldeiser die ten onrechte als concurrent schuldeiser wordt opgenomen of een onjuiste verdeling van de executie-opbrengst naar aanleiding van juist vastgestelde vorderingen en rangorde.22 Dit volgt onder meer uit de regeling voor de verdeling van de executie-opbrengst in faillissement.23
Om bezwaar te kunnen maken tegen de vastgestelde rang van de juniorvordering is wel vereist dat de bezwaar makende schuldeiser daar belang bij heeft.24 Bij een specifieke achterstelling kunnen daarom alleen de seniorschuldeisers bezwaar maken als de achterstelling van de juniorvordering niet wordt meegewogen in de voorgestelde staat van verdeling. De andere schuldeisers hebben geen belang daarbij omdat hun uitkering niet wijzigt door de al of niet erkenning van een specifieke achterstelling waarmee de juniorvordering niet bij hun vordering wordt achtergesteld.25
Het ligt voor de hand dat een eventueel bezwaar van de schuldenaar tegen de erkenning van een zuivere intercreditor achterstelling ook in de rangregeling aan de orde komt. Omdat de medewerking van de schuldenaar niet noodzakelijk is voor de totstandkoming van een geldige eigenlijke achterstelling kan de schuldenaar daar slechts in uitzonderlijke gevallen tegen opkomen, bijvoorbeeld als de senior of junior met de achterstelling misbruik van recht heeft gemaakt.26 Als de schuldenaar daar een beroep op wil doen, ligt het alleen al om redenen van proceseconomie in de rede dat de schuldenaar een dergelijk beroep binnen de rangregeling aan de orde kan stellen, zo nodig bij tussenkomst.
264. Nadat de bezwaren zijn weggenomen en/of de daaruit voortvloeiende renvooiprocedures zijn afgerond sluit de rechter-commissaris het proces-verbaal van de verdeling en beveelt de bewaarder van de executie-opbrengst die conform de opgestelde verdeling uit te keren.27