Zoeken naar zekerheid
Einde inhoudsopgave
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/6.1.4:6.1.4 Tussenconclusie
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/6.1.4
6.1.4 Tussenconclusie
Documentgegevens:
R.W.J. Severijns, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
R.W.J. Severijns
- JCDI
JCDI:ADS180218:1
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Veel medewerkers hebben moeite met het vaststellen van innerlijke processen en overtuigingen van asielzoekers. De onzekerheid die zij ervaren over het gewicht dat zij aan informatie moeten toekennen, is relatief groot. Hierdoor voelen zij zich soms gedwongen om een asielaanvraag in te willigen terwijl ze niet overtuigd zijn van de beschermingsbehoefte van de asielzoeker. Hun professionele oordeel verschilt in die gevallen dus van hun persoonlijke oordeel. Zij moeten een oordeel vellen over de geloofwaardigheid van verklaringen over bekeringen en de seksuele gerichtheid van asielzoekers als zij dit aanvoeren als grond voor hun asielaanvraag. Vaak is er weinig tot geen objectieve informatie waarop zij hun oordeel kunnen baseren en zijn medewerkers aangewezen op een beoordeling van de interne consistentie en plausibiliteit van de verklaringen zelf. In het geval van een gestelde bekering worden soms doopakten overgelegd, maar het is afhankelijk van de reputatie van de opsteller hiervan hoeveel gewicht aan die akten wordt toegekend. De IND geeft invulling aan haar verplichting om het besluit zorgvuldig voor te bereiden door vragen te stellen op basis van een gedragslijn, die is ontwikkeld op basis van jurisprudentie. Dit verkleint de actieonzekerheid. Deze voorbeeldvragen worden door de meeste medewerkers gebruikt als leidraad. Hoe vertrouwder de medewerker is met het onderwerp, hoe meer deze geneigd is om zelf vragen te bedenken. Ook formuleren medewerkers vragen in samenwerking met collega’s die in hun ogen veel weten van religie, omdat ze zelf religieus zijn opgevoed. Medewerkers weten echter niet altijd hoe ze de antwoorden op die vragen moeten wegen, waardoor de informatieonzekerheid over de antwoorden blijft bestaan. Er zijn immers geen duidelijke instructies beschikbaar en er zijn geen standaard antwoorden op deze vragen. Hierdoor is er ruimte voor een subjectief oordeel van medewerkers. Dat kan leiden tot verschillen in de besluitvorming. Hoe kritisch zij hun onderzoek uitvoeren, hangt af van de vraag of ze de verklaringen van de asielzoeker op basis van hun eigen aannames, al dan niet geïnformeerd door collega’s, als ‘normaal’ beschouwen voor een bekeringsproces. Voor een deel van de medewerkers is dit moeilijk. Als zij een verhaal niet ‘normaal’ vinden, leidt dit in de beschikking niet automatisch tot het oordeel dat de bekering niet geloofwaardig is. Het kan de medewerker wel aanleiding geven om extra kritisch naar interne consistentie en plausibiliteit van de verklaringen te kijken. Ook als de medewerker de verklaringen persoonlijk eigenlijk niet gelooft, leidt dit er niet altijd toe dat hij de bekering als ongeloofwaardig kan afdoen. Hij moet immers een geobjectiveerd besluit nemen, dat stand houdt voor de rechter.