Achtergestelde vorderingen (O&R)
Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/8.7.4.3:8.7.4.3 Uitgangspunt
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/8.7.4.3
8.7.4.3 Uitgangspunt
Documentgegevens:
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186565:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
582. De stemming in klassen moet voorkomen dat stemmen tegen elkaar worden gewogen die zijn uitgebracht door schuldeisers met sterk verschillende posities en belangen.1 Daaruit valt af te leiden dat bij een specifieke achterstelling in beginsel aparte klassen moeten worden gevormd voor de senior, de junior en de schuldeisers die niet bij de achterstelling zijn betrokken. Dat blijkt uit een nadere beschouwing van de onderlinge verhoudingen. De uitzonderingen hierop komen in de volgende paragraaf aan bod.
Door het rangverschil tussen de junior en de senior kan de junior bij vereffening geen enkele uitkering verwachten zolang de senior niet volledig is voldaan. De senior kan door dat rangverschil juist verwachten een groter deel van de executie-opbrengst te ontvangen. De posities en belangen van de junior en van de senior verschillen daardoor onderling te veel om hun stemmen tegen elkaar te wegen. Zij moeten daarom in beginsel in verschillende klassen worden geplaatst.2
Het rangverschil tussen de junior en de senior kan bovendien ertoe leiden dat de stem van de senior niet meer gewogen kan worden tegen die van de derde-schuldeiser die niet bij de achterstelling is betrokken. In figuur 8.1 is dat schuldeiser A. Weliswaar verandert de achterstelling de rang van de senior niet en is de senior gelijk in rang met de derde, maar door de achterstelling wordt de vordering van de senior anders behandeld bij de verdeling van de executie-opbrengst.3 Daardoor heeft de senior een andere positie en andere belangen dan de derde-schuldeiser. Dat is voldoende om de senior in beginsel in een andere klasse te plaatsen, ook al is zijn verhaalsrecht in rang gelijk aan het verhaalsrecht van de derde.
Het rangverschil tussen de junior en de senior leidt bovendien ertoe dat de junior en de derde in verschillende klassen moeten worden ingedeeld. Weliswaar hebben hun verhaalsrechten een gelijke rang, maar doordat de junior lager in rang is dan de senior wordt zijn vordering bij de verdeling van de executie-opbrengst anders behandeld dan die van de derde.4 Daardoor moeten ook de junior en de schuldeiser die niet bij de achterstelling is betrokken in beginsel in aparte klassen worden geplaatst.
De conclusie is dat de senior, de junior en de schuldeisers die niet bij de achterstelling zijn betrokken in beginsel in aparte klassen moeten worden geplaatst. Dat voorkomt dat zij worden overstemd door schuldeisers met andere belangen.5