Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/6.3.3:6.3.3 Het te gelde kunnen maken van het gegeven klachtrecht
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/6.3.3
6.3.3 Het te gelde kunnen maken van het gegeven klachtrecht
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946083:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor is in paragraaf 2.1 toegelicht dat vanaf de jaren ‘80 de gedachte opkwam dat de emancipatie van slachtoffers via wettelijke regelgeving tot stand dient te komen, omdat zij op die wijze hun rechten te gelde zouden kunnen maken. In hoofdstuk 4 werd desalniettemin vastgesteld dat bij het klachtvereiste sprake is van een discrepantie tussen het gedragsaspect en het geldingsaspect van de norm. 1Uitsluitend in de tegen de verdachte gerichte strafprocedure kan aan de kaak worden gesteld dat een klacht van de klachtgerechtigde ontbreekt. Het overgrote deel van de opsporing en vervolging heeft dan echter al plaatsgehad. De klachtgerechtigde heeft – indien bewust niet is geklaagd – zelf geen juridische middelen om af te dwingen dat (verdere) opsporing en vervolging wordt gestaakt. Een vergelijkbaar probleem doet zich voor bij de hoorrechten die zijn verankerd in art. 165a Sv (als onderdeel van de regeling van klachtdelicten) en in art. 167a Sv (dat is ingevoerd ter vervanging van het klachtvereiste bij een aantal delicten). Indien geen uitvoering wordt gegeven aan die hoorrechten kan ook dit thans slechts aan de orde worden gesteld in de strafzaak jegens de verdachte.
Naar aanleiding van een zaak die zag op het hoorrecht in art. 167a Sv opperde Borgers eerder om aan degene die volgens de wet zou moeten worden gehoord een zelfstandig rechtsmiddel toe te kennen waarmee kan worden afgedwongen dat gevolg wordt gegeven aan dat hoorrecht. 2Groenhuijsen vroeg in breder verband aandacht voor het thema van “geschikte remedies in geval van niet-naleving van slachtofferrechten”. Hij wijst erop dat voor verdachten in de strafprocedure art. 359a Sv ter beschikking staat om vormverzuimen aan de kaak te stellen, maar dat de wet geen equivalent voor slachtoffers kent.3 Eerder in dit hoofdstuk kwam ook de zienswijze van Kooijmans aan bod dat de nieuwe positie van het slachtoffer in het strafproces met zich brengt dat de rechtsbetrekking tussen het openbaar ministerie en het slachtoffer meer substantie moet krijgen. Dit betekent zijns inziens dat ook via de vormgeving van beleid moet worden bereikt dat “het slachtoffer zijn belangen optimaal kan behartigen”.4
Voornoemde ideeën wijzen erop dat een slachtoffer – via de vormgeving van wetgeving en beleid – het zelf in handen zou moeten krijgen om zijn rechten te gelde te maken. Dit past bij de huidige tijdsgeest waarin het slachtoffer steeds meer de mogelijkheid krijgt om concreet de eigen positie in de strafrechtspleging te bepalen. Tegen deze achtergrond is het een reële gedachte dat de wetgever en het openbaar ministerie op enigerlei wijze zullen willen voorzien in mogelijkheden voor klachtgerechtigden en hoorgerechtigden om af te dwingen dat de hen toekomende rechten worden gerespecteerd. In de toelichting op het ontwerp van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is immers nadrukkelijk vermeld dat het strafprocesrecht zo moet zijn ingericht dat het slachtoffer niet nogmaals slachtoffer wordt, ditmaal van het strafproces. 5Het wetsvoorstel bevat vooralsnog echter geen artikelen die voorzien een betere afdwingbaarheid van de hiervoor omschreven rechten. Ook beleidsmatig zijn in dit verband nog geen stappen gezet.
Hierna volgen in hoofdstuk 7 concrete aanbevelingen voor aanpassing van de regeling van klachtdelicten. Daarbij worden in paragraaf 2.6 ook concrete voorstellen gedaan om tegemoet te komen aan het hiervoor omschreven pijnpunt dat een klachtgerechtigde die een klacht achterwege laat geen juridische mogelijkheden heeft ongewenste opsporing en vervolging te beletten.