Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/6.3.1:6.3.1 De belangenafweging bij het aanwijzen en vervolgen van klachtdelicten
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/6.3.1
6.3.1 De belangenafweging bij het aanwijzen en vervolgen van klachtdelicten
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946250:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 5, paragraaf 4.2.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 5 is uitgebreid aandacht besteed aan de belangenafweging die plaatsvindt bij het aanwijzen van klachtdelicten en bij het opportuniteitsoordeel dat het openbaar ministerie toekomt in het kader van de vervolgingsbeslissing. Duidelijk is dat het algemeen belang in beide gevallen een centrale rol speelt. Voorts werd geconcludeerd dat dit algemeen belang zich niet precies laat duiden, omdat dit invulling krijgt aan de hand van en moet kunnen meebewegen met de tijdgeest, de wensen vanuit de maatschappij en de heersende ideeën omtrent het nut en de noodzaak van strafoplegging. 1Die conclusie is relevant met het oog op de hiervoor omschreven ontwikkeling van de positie van het slachtoffer binnen de strafrechtspleging. Klachtgerechtigden zijn immers een bijzonder soort slachtoffer en het klachtrecht houdt verband met een weging van hun private belang tegen het algemeen belang. Dit leidt tot de vraag of en in hoeverre de groeiende positie van het slachtoffer in het strafproces van invloed is en kan zijn op het aanwijzen van klachtdelicten door de wetgever en op de beoordeling van de opportuniteit van de vervolging van een klachtdelict door het openbaar ministerie.
6.3.1.1 De moderne positie van het slachtoffer en het aanwijzen van klachtdelicten6.3.1.2 De moderne positie van het slachtoffer en de opportuniteitsbeslissing bij klachtdelicten