Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.5.6.7:5.5.6.7 Conclusie
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.5.6.7
5.5.6.7 Conclusie
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS577531:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De conclusie die valt af te leiden uit bovenstaande jurisprudentie en argumenten, is dat er een verplichting tot ambtshalve toepassing van het mededingingsrecht bestaat (in het bijzonder de artikelen 81 EG en 82 EG) maar dat er geen verplichting tot ambtshalve toepassing van het mededingingsrecht bestaat buiten de rechtsstrijd van partijen om.1 De rechter mag en moet alleen ambtshalve dwingend Eu-recht toepassen buiten de rechtsstrijd van partijen om indien het gaat om Eu-recht van openbare orde. De mededingingsregels zijn dat niet in de context van het Nederlands recht inzake ambtshalve aanvulling van gronden.2 Alleen ingeval aannemelijk is dat de belanghebbende partij een toetsing aan de artikelen 81 of 82 EG wenselijk acht, heeft de rechter de mogelijkheid deze bepalingen ambtshalve in te roepen.3 De nationale regels voor ambtshalve aanvulling van feitelijke gronden en rechtsgronden (zie mijn korte bespreking van de artikelen 24 en 25 Rv in § 5.5.2) zijn, conform de leer Van Schijndel, ook in Europeesrechtelijke zaken en in het bijzonder zaken waarbij de artikelen 81 EG en 82 EG een rol spelen nog steeds van toepassing. De zojuist besproken uitzonderingen op de hoofdregel, dat nationale regels voor ambtshalve aanvulling van gronden in zaken die door Nederlands recht beheerst worden in beginsel ook van toepassing zijn op zaken die beheerst worden door Europees recht, brengen daar geen verandering in. Van Schijndel is dan ook, anders dan door Hartkamp is betoogd in zijn Nijmeegse oratie, niet achterhaald door de latere arresten Manfredi en Vreugdenhil.4