Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.5.2
2.5.2 Rentefunctie
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264438:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Manigk 1910, p. 55-56; Kupiszewski 1974, p. 233-234; Kaser, Studien III, p. 86.
Kohler 1882, p. 73; Manigk 1910, p. 55-57; Frezza 1963, p. 199; Kaser, Studien III, p. 83.
Zie daarnaast D. 20,1,11,1 (Marcianus); C. 4,26,6 (Gallienus).
Zie ook de hieronder uitgewerkte verhouding tussen het recht van pandgebruik met rentefunctie en rentemaxima.
C. 4,32,14 (Alexander Severus). Si ea Pactione uxor tua mutuam pecuniam dedit, ut vice usurarum inhabitaret, pactoque ita ut convenit usa est, non etiam locando domum pensionem redegit, referri quaestionem, quasi plus domus redigeret, si locaretur, quam usurarum legitimarum ratio colligit, minime oportet licet enim uberiore sorte potuerit contrahi locatio, non ideo tamen illicitum fenus esse contractum, sed villius conducta habitatio videtur.
C. 4,32,17 (Philippus). Si ea lege possessionem mater tua apud creditorem tuum obligavit, ut fructus in vicem usurarum consequeretur, obtentu maioris percepti emolumenti propter incertum fructuum eventum rescindi placita non possunt.
Kaser, Studien III, p. 83.
C. 4,32,26,1 (Justinianus); C. 4,32,26,2 (Justinianus); Zimmermann 1996, p. 168-169.
C. 4,32,26,4 (Justinianus); Zimmermann 1996, p. 169.
Vgl. C. 4,32,26,4 (Justinianus).
Manigk 1910, p. 55-57.
Geciteerd op de vorige pagina.
Kohler 1882, p. 109-110; Manigk 1910, p. 55-57. Vgl. Kaser, Studien III, p. 83.
Geciteerd op de vorige pagina.
Manigk 1910, p. 55-57. Vgl. Kaser, Studien III, p. 86.
Ten tweede kon de gebruiksopbrengst van het recht van pandgebruik in de plaats komen van verschuldigde rente. Partijen lieten de waarde van het gebruik en de vruchten in de plaats van de verschuldigde rentevergoeding komen (rentepandgebruik of in de Duitstalige literatuur: reine Zinnsantichrese).1 Zij kwamen geen rentepercentage overeen, maar spraken af dat de rentevergoeding gelijk was aan de waarde die de schuldeiser periodiek genereerde door het gebruik van het onderpand. De pandgebruiker verkreeg dus een rentevergoeding door het onderpand te gebruiken. De gebruiksopbrengst kwam in de plaats van een vast rentepercentage. Het voordeel van een hoge gebruiksopbrengst kwam toe aan de pandgebruiker. Hij hoefde niets in mindering te brengen op de hoofdsom. De pandgebruiker droeg ook het risico dat de gebruiksopbrengst lager uitviel dan normaal. Hij kon dit nadeel niet afwentelen op de schuldenaar.2
Twee constituties die het recht van pandgebruik met rentefunctie illustreren zijn C. 4,32,14 en C. 4,32,17.3 Ze laten zien dat de rentevergoeding met de gebruiksopbrengst meebewoog. Het recht van pandgebruik met rentefunctie was dus in het bijzonder interessant voor zekerheidsobjecten die een onzekere gebruiksopbrengst hadden, of een gebruiksopbrengst die niet in geld kon worden uitgedrukt.4
C. 4,32,14 (Alexander Severus):
“Indien uw echtgenote u een geldlening heeft verstrekt met de afspraak dat zij in plaats van het [ontvangen van] rente uw huis zou mogen bewonen en zij van deze afspraak zoals deze overeengekomen is gebruik heeft gemaakt, maar zij niet ook door het huis te verhuren huuropbrengst heeft verworven, behoort niet de vraag te worden opgeworpen of het huis, indien het zou worden verhuurd, aan inkomsten meer zou opbrengen dan het bedrag waarop de berekening van de wettelijk toegestane rente uitkomt. Ook al had een huurovereenkomst kunnen worden aangegaan voor een overvloediger bedrag, om die reden wordt er namelijk nog niet van uitgegaan dat er is gecontracteerd voor een ongeoorloofde rente, maar dat de woning voor een nogal laag bedrag is verhuurd.”5
C. 4,32,17 (Philippus):
“Indien uw moeder haar bezittingen jegens haar schuldeiser als pand heeft verbonden met het beding dat hij in plaats van rente de vruchten zou verkrijgen, kunnen deze afspraken niet ongedaan gemaakt worden met het oog op de verkrijging van een al te groot voordeel, wegens de onzekere uitkomst waar het de vruchten betreft.”6
Kaser meende dat de gebruiksopbrengst daarnaast kon functioneren als aflossing op verschenen rente, terwijl de opbrengst nooit in mindering kon komen op de hoofdsom. Was de gegenereerde gebruikswaarde lager dan de verschenen rente, dan bleef het resterende rentebedrag verschuldigd. Oversteeg deze gebruikswaarde de vervallen rente, dan moest de pandgebruiker een vruchtoverschot teruggeven aan de schuldenaar.7 Ik heb echter geen teksten gevonden die de opvatting van Kaser ondersteunen. Kaser baseerde zich op C. 4,32,17, die ik hierboven heb aangehaald. Deze tekst gaat naar mijn mening echter over een recht van pandgebruik met rentefunctie, omdat de vruchten hier in de plaats van de rente kwamen. Een onzekere uitkomst wat de vruchten betreft deed hier niet aan af. Oftewel: de schuldeiser verkreeg de vruchten als rente, of de opbrengst van de vruchten nu mee of tegenviel. Als het recht van rentepandgebruik door betaling van de gesecureerde vordering tenietging, had schuldenaar/pandgever geen recht op afdracht van de overgebleven vruchten. Alle vruchten die de pandgebruiker inde (tot het moment van tenietgaan van het recht van pandgebruik), kwamen hem immers toe als rentevergoeding.
Als sprake was van een rentepandgebruik hadden partijen geen vast rentepercentage afgesproken. De rentevergoeding was gelijk aan de gebruiksopbrengst die de pandgebruiker jaarlijks met het onderpand genereerde. De gebruiksopbrengst kwam in de plaats van een rentepercentage en was daarom onderworpen aan de wettelijk vastgelegde rentemaxima. Naar Justiniaans Romeins recht mochten schuldeisers niet meer dan 6% rente per jaar bedingen over hun vorderingen. Voor kooplui gold een verhoogd percentage van 8%, koopvaardijleningen en leningen in natura hadden een rentemaximum van 12%. Senatoren mochten niet meer rente bedingen dan 4% per jaar.8 Een beding in strijd met deze regeling werd voor niet geschreven gehouden, voorzover het bedongen percentage het maximale rentepercentage oversteeg.9
De pandgebruiker handelde ongeoorloofd als hij een gebruiksopbrengst die hoger was dan het wettelijke rentemaximum in zijn geheel behield als rentevergoeding. Hetgeen het rentemaximum oversteeg, behoorde in mindering te komen op de hoofdsom.10 Op deze regel golden echter twee uitzonderingen. Ten eerste hoefde de pandgebruiker het meerdere niet in mindering te brengen op de hoofdsom als de gebruiksopbrengst van het onderpand naar zijn aard fluctueerde.11 Dit volgde uit C. 4,32,17 (Philippus).12 De moeder (pandgever) had in deze casus kennelijk een recht van rentepandgebruik gevestigd op goederen die een onzekere opbrengst genereerde. De opbrengst kwam boven het wettelijk vastgelegde rentemaximum uit: pandgebruiker had een al te groot voordeel verkregen. Toch hoefde hij hetgeen boven het rentemaximum uitging niet in mindering te brengen op de gesecureerde vordering, omdat onzeker was hoe hoog de gemiddelde jaarlijkse opbrengst zou zijn. Wellicht zou de gebruiksopbrengst het jaar erop lager uitvallen, waardoor de gemiddelde opbrengst over twee jaar gezien niet boven het rentemaximum uitkwam. Vermoedelijk was van deze onzekere gebruiksopbrengst sprake als een recht van pandgebruik was gevestigd op een stuk landbouwgrond. Het ene jaar kon de grond een goede oogst opbrengen waarvan de waarde ruim boven het rentemaximum uitkwam. Het andere jaar zou de oogst echter zomaar kunnen tegenvallen of zelfs geheel mislukken, waardoor de gemiddelde gebruiksopbrengst van het onderpand toch binnen de grenzen van het rentemaximum bleef.13
Daarnaast bestond een uitzondering indien de gebruikswaarde weliswaar constant was, maar niet in geld kon worden uitgedrukt. Dit kwam voor in C. 4,32,14 (Alexander Severus).14 De woning waarop het recht van zelfstandige antichrese in deze casus rustte, kon kennelijk worden verhuurd voor een bedrag dat boven het rentemaximum lag. De gerechtigde tot zelfstandige antichrese oefende zijn recht echter niet uit door de woning te verhuren, maar door haar zelf te bewonen. Deze wijze van gebruik liet zich niet goed in een vast geldelijk bedrag uitdrukken, zodat de schuldeiser het voordeel van de twijfel kreeg. Hij werd verondersteld de woning te huren van de schuldenaar voor een bedrag dat binnen het rentemaximum lag. Hoewel de woning voor een hoger bedrag kon worden verhuurd, handelde de schuldeiser dus niet in strijd met het rentemaximum door haar als rentevergoeding te bewonen. Naar mijn mening was voor deze casus beslissend dat het bewonen van een woning niet een geldelijk voordeel opleverde, maar een voordeel van genot dat zich niet in geld liet uitdrukken. Had de schuldeiser toch gekozen voor verhuur van de woning (en wel tegen een bedrag dat boven het rentemaximum uitging), dan had hij een constant voordeel in geld verkregen. Dit voordeel kwam aantoonbaar boven het rentemaximum uit. In dat geval had de schuldeiser hetgeen boven het rentemaximum uitkwam wel in mindering moeten brengen op de hoofdsom.15