Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/6.12:6.12 Administratie-eisen
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/6.12
6.12 Administratie-eisen
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633493:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wijziging van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting, de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 en de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, Stcrt. 2012, 12737, p. 9.
Wijziging van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 van 12 juli 2013, Stcrt. 2013, 20451, p. 5.
Van Kooten 2017, p. 471.
Van Kooten 2017, p. 475, 476.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals hiervoor in paragraaf 6.11.8.1 al bleek, moet op grond van artikel 2:10, lid 2 BW het bestuur van een rechtspersoon (met uitzondering van een kerkgenootschap) jaarlijks uiterlijk zes maanden na afloop van het boekjaar de balans en de staat van baten en lasten van de rechtspersoon opmaken en op papier stellen. Voor het opstellen van een staat van baten en lasten is het noodzakelijk een administratie te voeren. De administratie van een anbi moet op grond van de anbi-regeling aan specifieke vereisten voldoen. Zo moet daaruit duidelijk de aard en omvang blijken van (1) de onkostenvergoedingen en vacatiegelden aan de afzonderlijke leden van het beleidsbepalende orgaan; (2) de door de instelling gemaakte kosten voor het beheer van de instelling alsook haar andere uitgaven; (3) haar inkomsten en (4) haar vermogen (art. 1a, lid 1, onderdeel i Uitv.reg. AWR 1994).
Deze gegevens zijn nodig voor de beoordeling of een instelling voldoet aan bepaalde anbi-vereisten: het beloningscriterium, de redelijke verhouding tussen beheerkosten en bestedingen en de anti-oppoteis.1
Op grond van artikel 2:2, lid 2 BW, geldt artikel 2:10 BW echter in beginsel niet voor kerkgenootschappen, hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd. Wel is overeenkomstige toepassing daarvan geoorloofd, voor zover die te verenigen is met hun statuut en met de aard der onderlinge verhoudingen. Zij hoeven dus civielrechtelijk geen balans en staat van baten en lasten op te maken. Voor de anbi-status moeten kerkgenootschappen echter een (verkorte) staat van baten en lasten en een financieel overzicht van de daadwerkelijke bestedingen per rubriek of thema kunnen overleggen.2
Van Kooten stelt de vraag of deze vereisten niet erop neerkomen dat de overheid kerkgenootschappen voorschrijft hoe zij hun organisatie, bestuur en administratie moeten voeren.3 Dit zou in strijd zijn met de institutionele autonomie van kerkgenootschappen, zoals gewaarborgd in de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en het beginsel van de scheiding van kerk en staat. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is naar mijn mening dat deze institutionele autonomie (het recht tot oprichting en inrichting van religieuze en levensbeschouwelijke organisaties), die voor kerkgenootschappen nader is uitgewerkt in artikel 2:2 BW, niet alleen geldt voor geloofsgemeenschappen die voor de rechtsvorm kerkgenootschap hebben gekozen, maar voor alle geestelijke gemeenschappen, zowel religieuze als levensbeschouwelijke, ongeacht hun rechtsvorm. Het scheidingsbeginsel en de organisatievrijheid zoals vervat in de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging beperken zich immers niet tot kerkgenootschappen maar omvatten ook andere religieuze en levensbeschouwelijke organisaties, ongeacht de rechtsvorm. Een ander aandachtspunt is dat rsli’s, evenals andere anbi’s, niet verplicht zijn om de anbi-status aan te vragen. Zij kunnen ook zonder de anbi-status hun algemeen nuttige doelstelling nastreven. In de praktijk hebben diverse goeddoelorganisaties daar bewust voor gekozen. Weliswaar lopen rsli’s – evenals andere instellingen – zonder de anbi-status fiscale voordelen mis, maar dat levert geen strijd op met hun institutionele autonomie.
Van Kooten pleit ervoor dat kerkgenootschappen hun administratie naar eigen inzicht kunnen inrichten terwijl de Belastingdienst in beginsel geen inzage hierin krijgt, maar wel van de kerkgenootschappen een periodieke accountantsverklaring ontvangt waaruit blijkt dat de gevoerde administratie in orde is.4 Hiermee zouden kerkgenootschappen een andere fiscale behandeling krijgen dan geloofsgemeenschappen met een andere rechtsvorm, levensbeschouwelijke instellingen en spirituele organisaties, alsook andere anbi’s. De vraag is of dit geen strijd oplevert met het gelijkheidsbeginsel, want het maken van onderscheid tussen gelijke gevallen vereist een objectieve rechtvaardiging. Betoogd zou kunnen worden dat het niet om gelijke gevallen gaat daar kerkgenootschappen door de geschiedenis heen een bijzondere plaats in de Nederlandse samenleving hebben verworven (zie hoofdstuk 3 Nederlands historisch en maatschappelijk perspectief). Ook hier is de vraag of geloofsgemeenschappen met een andere rechtsvorm en andere genootschappen op geestelijke grondslag in de 21e eeuw nog zoveel verschillen van kerkgenootschappen wat betreft de rol die zij in de Nederlandse samenleving vervullen. Gezien de pluriformiteit van de huidige Nederlandse samenleving is dat naar mijn mening niet het geval.
Zie verder mijn opmerkingen over publicatieplicht financiële gegevens in paragraaf 6.11.8.
6.12.1 Toetsing administratie-eisen