Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/4.3.1
4.3.1 Recht op nakoming voor het geheel en keuzevrijheid
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931083:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van Boom 1999, p. 25-29; Van Boom 2016a, p. 33-37; Asser/Sieburgh 6-I 2020/112. Waar de wet met zoveel woorden bepaalt dat de schuldeiser de keuze heeft welke hoofdelijk schuldenaar hij aanspreekt (zie bijvoorbeeld art. 146 lid 2 en 4 en art. 221 lid 2 en 4 WvK), is dit mijns inziens ten overvloede.
Art. 1319 BW (oud) bepaalde dat de schuldeiser “diengenen der schuldenaren [kan] aanspreken, welken hij verkiest”. Zie voorts Van Boom 1999, p. 25-29, en Van Boom 2016a, p. 33-37, die spreekt van een ‘keuzerecht’. Zie voorts Asser/Sieburgh 6-I 2020/112 en Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/62. Zie voor het oude recht Bloembergen 1965/100.
Conclusie A-G Hartkamp (ECLI:NL:PHR:2001:AB2733) voor HR 19 december 2018, ECLI:NL:HR:2001:AB2733, (Veldkamp/Ontvanger), nr. 7.
Zie in die zin Van Boom 1999, p. 25-29; Van Boom 2016a, p. 33-37; en Hartlief 2021, p. 2.
Vgl. Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 110 (TM).
Uiteraard is denkbaar dat in de overeenkomst van borgtocht is bepaald dat de borg niet ‘spontaan’ bevrijdend kan betalen, maar bijvoorbeeld pas indien hij door de schuldeiser aangemaand is.
Deze subsidiariteit kan contractueel worden uitgesloten, behalve ten aanzien van de particuliere borg (art. 7:862 BW).
Zie Van Boom 1999, p. 27 voor meer voorbeelden.
Zie https://www.internetconsultatie.nl/moderniseringpv2 (laatst geraadpleegd op 1 april 2023), waarover hiervoor, nr. 109.
Krans 1999, p. 227.
Vranken 1999, p. 269-270, onder verwijzing naar HR 19 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2530, NJ 1998/690, m.nt. W.M. Kleijn (Zuidgeest/Furness), r.o. 5.1.
Vranken 1999, p. 269 e.v.
Zie art. 475 lid 1 sub a en art. 475h lid 1, tweede volzin Rv.
Zie art. 475h lid 1, tweede volzin Rv jo. art. 6:33 BW. Zie met name De Greve 2009/Par. 3; Faber 2009/Par. 3 (p. 491-492); Stein 2018, p. 238, met verdere verwijzingen; en Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/446 en 467.
114. Recht op nakoming voor het geheel; keuzevrijheid. Het belangrijkste kenmerk van hoofdelijke verbondenheid in de verhouding tussen schuldeiser en schuldenaren is het recht van de schuldeiser om van iedere hoofdelijk verbonden schuldenaar nakoming te vorderen van de gehele hoofdelijk verschuldigde prestatie (art. 6:7 lid 1 BW).1 In dit kader wordt wel gesproken van keuzevrijheid.2 Zo spreekt Hartkamp van een “aan de hoofdelijkheid in beginsel inherente keuzevrijheid van de schuldeiser”.3 Zijn opmerking drukt kernachtig uit dat keuzevrijheid het uitgangspunt is, maar dat daarop wel uitzonderingen bestaan.
115. Uitzonderingen op de keuzevrijheid. De eerste uitzondering betreft de situatie waarin een hoofdelijk schuldenaar vrijwillig nakomt. Het staat een schuldenaar in algemene zin uiteraard vrij om zijn schuld na te komen zonder dat de schuldeiser hem daartoe aanspoort. Er bestaat immers een plicht tot het verrichten van de desbetreffende prestatie. Om die reden zou ik dan ook niet willen spreken van een keuzerecht van de schuldeiser,4 maar van keuzevrijheid. Die vrijheid wordt onder meer begrensd door de mogelijkheid voor de schuldenaar om vrijwillig na te komen. Dat geldt mijns inziens ook als de verbintenis van de presterende schuldenaar ten tijde van de prestatie nog niet opeisbaar was (vgl. art. 6:39 lid 2 BW). Bepalend is mijns inziens is of de door de schuldenaar verrichte prestatie verschuldigd is verricht of niet.5 Zo ja, dan heeft die prestatie geleid tot het delgen van de schuld en staat het de schuldeiser – voor zover er is gepresteerd – niet meer vrij om een andere schuldenaar aan te spreken (art. 6:7 lid 2 BW). Zo nee, dan heeft de prestatie geen invloed gehad op de hoofdelijke verbintenissen en kan de schuldeiser daarvan onverkort nakoming vorderen. Betaalt de borg vrijwillig vóórdat hij tot nakoming kon worden gedwongen (art. 7:855 lid 1 BW), dan presteert hij verschuldigd en beperkt hij daarmee in beginsel de keuzevrijheid van de schuldeiser.6
In de tweede plaats vloeit soms uit een wettelijke bepaling voort dat de aansprakelijkheid van een hoofdelijk verbonden schuldenaar subsidiair van aard is. Zo is de borg in beginsel pas verplicht tot nakoming indien de hoofdschuldenaar is te kort geschoten in de nakoming van de hoofdverplichting (art. 7:855 lid 1 BW).7 Zolang hiervan géén sprake is, staat het de schuldeiser niet vrij om de borg aan te spreken en ontbreekt in zoverre keuzevrijheid. In de WAM is voorzien in een subsidiaire (hoofdelijke) aansprakelijkheid van het Waarborgfonds Motorverkeer (art. 25 jo. 26 lid 5 WAM), en ook bij hoofdelijke aansprakelijkheid na een juridische splitsing geldt dat de verkrijgende vennootschap slechts subsidiair tot nakoming van haar hoofdelijke verbintenis is gehouden (art. 2:334t lid 4 BW).8
Ook in de tweede consultatieversie van het wetsvoorstel voor een nieuwe regeling van personenvennootschappen9 wordt een dergelijke subsidiaire hoofdelijke verbondenheid voorgesteld. Vennoten in een openbare en ingeschreven personenvennootschap zijn dan weliswaar in privé hoofdelijk verbonden voor schulden van de vennootschap, maar kunnen pas worden aangesproken indien de vennootschap in verzuim is (het voorgestelde art. 7:814 lid 2 BW).10
In de derde plaats kan uit een overeenkomst tussen de schuldeiser en een hoofdelijk schuldenaar voortvloeien dat de schuldeiser zich eerst tot een andere hoofdelijk schuldenaar moet wenden. Een voorwaarde of tijdsbepaling die is verbonden aan de schuld van een van de schuldenaren, brengt mee dat nakoming door één van de schuldenaren mogelijk nog niet kan worden afgedwongen (art. 6:21 en 22 resp. art. 6:39 lid 1 BW), maar staat niet aan hoofdelijke verbondenheid in de weg.11 De schuldeiser heeft tot het intreden van de voorwaarde of tijdsbepaling niet de vrije keuze welke schuldenaar hij aanspreekt. Hetzelfde geldt indien een van de schuldenaren niet meer met succes door de schuldeiser kan worden aangesproken, bijvoorbeeld omdat sprake is van verjaring. Ook dan is (nog steeds) sprake van hoofdelijke verbondenheid,12 zij het dat de keuzevrijheid van de schuldeiser is beperkt.13
Stel dat schuldenaren B en C hoofdelijk verbonden zijn jegens schuldeiser A, en dat de verplichting van B aan een opschortende voorwaarde of tijdsbepaling gebonden, maar de verplichting van C niet. De voorwaarde of tijdsbepaling belet niet dat sprake is van hoofdelijke verbondenheid, maar vóór het intreden van de voorwaarde of tijdsbepaling kan A niet met succes B aanspreken. Dit geldt te meer indien de voorwaarde erin bestaat dat de vordering van A op B pas opeisbaar wordt indien A zonder succes C heeft aangesproken.
Hetzelfde geldt indien een van de schuldenaren niet meer door A kan worden aangesproken, bijvoorbeeld omdat sprake is van verjaring van de rechtsvordering jegens B. De verbintenis van B is een natuurlijke (art. 6:3 lid 2 aanhef en sub a BW), maar C is ook na het intreden van de verjaring met B hoofdelijk aansprakelijk jegens A, zij het dat A niet meer met succes B kan aanspreken.
In de vierde plaats is wel betoogd dat ook andere omstandigheden de keuzevrijheid van de schuldenaar kunnen beperken. Zo meent Vranken op grond van het arrest Zuidgeest/Furness dat indien sprake is van hoofdelijke verbondenheid, waarbij de schuldeiser één van zijn vorderingsrechten openbaar cedeert of met een openbaar pandrecht bezwaart, de schuldeiser zijn keuzevrijheid daarmee beperkt.14 Als gevolg van de openbare cessie of verpanding wordt de cessionaris/pandhouder immers inningsbevoegd,15 met als gevolg dat de hoofdelijk schuldenaar van de vordering waarover is beschikt, de verschuldigde prestatie aan de cessionaris/pandhouder dient te voldoen. Maakt de cedent/pandgever na zijn beschikkingshandeling, maar voordat de cessionaris/pandhouder nakoming vordert van de gecedeerde of verpande vordering, met succes aanspraak op betaling van een andere hoofdelijk schuldenaar, dan bevrijdt die prestatie ook de overige schuldenaren (art. 6:7 lid 2 BW). Ook de gecedeerde of verpande vordering gaat dan in zoverre teniet, zodat de cessionaris/pandhouder met lege handen komt te staan. Vanwege deze rechtsgevolgen meent Vranken dat het de schuldeiser niet langer vrijstaat om zijn keuzevrijheid onbelemmerd uit te oefenen nadat hij over één van de vorderingen heeft beschikt.16 De rechtvaardiging voor deze beperking is volgens hem gelegen in de tegenprestatie die de schuldeiser voor de cessie of verpanding heeft ontvangen, te weten de koopprijs voor de cessie van de vordering respectievelijk het krediet waarvoor het pandrecht is gevestigd. Zou het de schuldeiser nádat hij over een van de vorderingen heeft beschikt vrijstaan om willekeurig welke schuldenaar aan te spreken tot betaling, dan zou hij tweemaal een prestatie ontvangen (namelijk éénmaal een bedrag van de cessionaris of pandhouder en eenmaal de verschuldigde prestatie van de hoofdelijk schuldenaar), terwijl de cessionaris of pandhouder met lege handen staat.
Stel dat schuldeiser A een vordering heeft op schuldenaren B en C ter grootte van € 10 miljoen, waarvoor B en C hoofdelijk zijn verbonden. Als A zijn vordering op B, maar niet zijn vordering op C cedeert aan D, dan heeft A hiermee volgens Vranken niet langer de vrijheid om C aan te spreken tot nakoming van de bij A achtergebleven vordering. Als A dat zou doen, en C de schuld volledig zou voldoen, gaat de vordering die A op B had – en waartoe door de cessie nu D gerechtigd is – immers teniet (art. 6:7 lid 2 BW). Is de vordering niet aan D gecedeerd, maar aan hem verpand, dan geldt bij nakoming van die vordering hetzelfde en gaat het pandrecht door de betaling door C teniet (art. 3:8 jo. 3:81 lid 2 sub a BW).
Hetzelfde probleem doet zich voor indien door een schuldeiser van A beslag wordt gelegd op diens vordering op B. Dit beslag belet B om zijn schuld aan A te voldoen met werking tegenover de beslaglegger.17 Betaalt hij toch, dan belet dit de beslaglegger niet om B te dwingen om het verschuldigde bedrag nogmaals, zij het nu aan hem te betalen.18 Het beslag belet schuldenaar C echter niet om aan A te betalen. Betaalt C aan A, dan gaat daardoor ook het beslagobject teniet (art. 6:7 lid 2 BW).
Hoewel ik de door Vranken beschreven uitkomsten net als hij onbevredigend vind, lees ik in het arrest Zuidgeest/Furness geen aanknopingspunten voor zijn opvatting. Als uitgangspunt zou ik menen dat de hierna (par. 4.3.2) te bespreken zelfstandigheid van de vorderingen op de verschillende hoofdelijk schuldenaren meebrengt dat de schuldeiser vrij is afzonderlijk over de vorderingen te beschikken. Wel kan de cessionaris die erachter komt dat zijn vordering teniet is gegaan doordat er nog een andere (hoofdelijk verbonden) schuldenaar bleek te zijn, die door de cedent met succes is aangesproken (art. 6:7 lid 2 BW), onder omstandigheden een beroep doen op dwaling of schadevergoeding vorderen uit wanprestatie, bijvoorbeeld indien de vordering non-conform is in de zin van art. 7:47 jo. art. 7:17 BW of anderszins sprake is van een tekortkoming. Was de cessionaris of pandhouder zich ten tijde van de vervreemding of bezwaring bewust van de bij de cedent of pandgever achterblijvende vorderingen jegens andere hoofdelijk schuldenaren, dan is het risico op het tenietgaan van de gecedeerde of verpande vordering waarschijnlijk ingecalculeerd, en zie ik geen reden om de schuldeiser te beperken in zijn keuzevrijheid. Een algemene regel op grond waarvan de cedent of pandgever na het cederen respectievelijk verpanden van een vordering op één van meerdere hoofdelijk schuldenaren zich niet zonder meer tot de andere hoofdelijk schuldenaren zou kunnen wenden, bestaat in mijn ogen dan ook niet. Wel deel ik de opvatting van Vranken dat indien partijen zich van deze gevolgen niet bewust zijn geweest, de uitkomst dat de cedent of pandhouder aan ‘double dipping’ zou kunnen doen, onbevredigend zou zijn. Het zal dan echter aankomen op (uitleg van) de rechtsverhouding tussen hem en de cessionaris of pandhouder om te beoordelen of daaruit een contractuele of wettelijke remedie voortvloeit.