Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/4.3.3
4.3.3 Bevrijdende werking nakoming en overige wijzen van tenietgaan van hoofdelijke verbintenissen
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931127:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat ligt uiteraard anders indien men, zoals onder het oude recht, ervan uitgaat dat sprake is van één verbintenis. Zie bijvoorbeeld Cohen 1891, p. 128: “Deze regel [dat betaling door de ene schuldenaar ook de andere schuldenaren bevrijdt; DFHS] is steeds als een axioma beschouwd, zoodat geene wetgever het noodig heeft geacht hem afzonderlijk uit te spreken.”
Zie art. 6:127 e.v. BW. Voor een succesvol beroep op deze werking is niet vereist dat de schuldenaar die zich met succes op verrekening beriep, partij is in het geding waarin zijn medeschuldenaar zich op die verrekening beroept. Zie HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1204, NJ 2014/325, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2014/229, m.nt. J. van Bekkum (X/Maas q.q.), r.o. 3.4.6.
Van Boom 1999, p. 29-30; Van Boom 2016a, p. 37-38. Vgl. voorts Cohen 1891,p. 57-58; Schoordijk 1979, p. 83.
Zie hiervoor, nr. 1.
Zie hierover nader par. 4.5.
Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/778.
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 101 (TM). Zie voorts Schoordijk 1979, p. 83; Van Boom 1999, p. 77-80; Van Boom 2016a, p. 88-89.
Zie J.S. Kortmann 2010 voor deze terminologie.
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 125 (MvA II).
Van Leuken, Van de Moosdijk & Tweehuysen 2017/328.
Zie over verhaalsrechten in de verhouding tussen de hoofdelijk schuldenaren par. 4.4.2.
HR 11 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1914, NJ 1988/580, m.nt. W.C.L. van der Grinten (Bron/Bink).
HR 11 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1914, NJ 1988/580, m.nt. W.C.L. van der Grinten (Bron/Bink), r.o. 3.3.
HR 11 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1914, NJ 1988/580, m.nt. W.C.L. van der Grinten (Bron/Bink), r.o. 3.3.
J.S. Kortmann 2010/9 (p. 1172) en Van Boom 2016a, p. 199. Vgl. voorts Van Boom 1999, p. 187.
Vgl. Conclusie A-G Hartkamp (ECLI:NL:PHR:1988:AC1914) voor HR 11 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1914, (Bron/Bink), nr. 5.
Zie bijvoorbeeld Boekraad 2017.
Van Boom 1999, p. 190-191; J.S. Kortmann 2010/15 (p. 1175); Van Kessel 2013, p. 101-102; Van Boom 2016a, p. 202-203; Boekraad 2017/2.3 (p. 78 e.v.); Beenders, Polkerman & De Pree 2019/3.3 (p. 83). Het gaat dus in beginsel om het achterhalen van de partijbedoeling.
Zie in dezelfde zin Van Kessel 2013, p. 101-102; Boekraad 2017/2.4. Anders: Van Boom 1999, p. 190-191; Van Boom 2016a, p. 202-203. J.S. Kortmann 2010/15 (p. 1175) onderschrijft de wenselijkheid van de door Van Boom voorgestane uitlegregel, maar meent terecht dat die niet het geldende recht weergeeft. Vgl. voorts Boekraad 2017/2.4 (p. 83). Zie voor enkele uitzonderingen hierna, nr. 163.
Zie Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 124 (TM); J.S. Kortmann 2010; Van Kessel 2013; Beenders, Polkerman & Hofstee 2017; Boekraad 2017; Beenders, Polkerman & De Pree 2019.
Zie over verhaalsrechten in de verhouding tussen de hoofdelijk schuldenaren par. 4.4.2.
Dit is bijvoorbeeld van belang indien de schuldeiser na het bereiken van een individuele schikking bekend raakt met een tot dan toe nog onbekende hoofdelijk schuldenaar. Om de medeschuldenaren ook een beroep te kunnen laten doen op de verminderingsplicht, kan gebruik worden gemaakt van een (onherroepelijk) derdenbeding (art. 6:253 BW). Zie Van Boom 1999, p. 190; Van Boom 2016a, p. 201, in het bijzonder voetnoot 62; Boekraad 2017/2.3 (p. 78-79); Beenders, Polkerman & De Pree 2019/4.3 (p. 93-95). Vgl. Van Kessel 2013, p. 102, in het bijzonder voetnoot 63.
Van Boom 1999, p. 190-191; J.S. Kortmann 2010/15 (p. 1175); Van Kessel 2013, p. 101-102; Van Boom 2016a, p. 202-203; Boekraad 2017/2.3 (p. 78 e.v.); Beenders, Polkerman & De Pree 2019/3.3 (p. 83).
Anders: Van Boom 1999, p. 190-191; Van Boom 2016a, p. 202-203. J.S. Kortmann 2010/15 (p. 1175) onderschrijft de wenselijkheid van de door Van Boom voorgestane uitlegregel, maar meent terecht dat die niet het geldende recht weergeeft. Vgl. voorts Boekraad 2017/2.4 (p. 83).
Art. 1473 lid 3 BW (oud): “Die [schuldvermenging; DFHS] welke in den persoon van een der hoofdelijke schuldenaren plaats heeft, strekt niet verder tot voordeel zijner hoofdelijke mede-schuldenaren, dan voor het aandeel in de schuld waarvoor hij zelf schuldenaar was.” Vgl. ook HR 19 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5503, NJ 1987/506, m.nt. W.C.L. van der Grinten (Delta Lloyd/Zwolsche Algemeene Schadeverzekering), r.o. 3.2.
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 101 (TM). Zie voorts Schoordijk 1979, p. 83; Van Boom 1999, p. 77-80; Asser/Sieburgh 6-I 2020/119; Van Boom 2016a, p. 88-89; Asser/Sieburgh 6-II 2021/341.
Ook in enkele andere Europese codificaties komt een dergelijke regel voor, zie bijvoorbeeld art. 1349 lid 1 Cc: “Lorsqu’il y a solidarité entre plusieurs débiteurs ou entre plusieurs créanciers, et que la confusion ne concerne que l’un d’eux, l’extinction n’a lieu, à l’égard des autres, que pour sa part.”; art. 5.162 lid 2 Belgisch Burgerlijk Wetboek: “Wanneer een schuldenaar beschikt over een persoonlijke exceptie die zijn aandeel in de schuld uitdooft, het hoofdelijk karakter ervan ontneemt of de opeisbaarheid ervan schorst, kunnen de overige schuldenaars zich erop beroepen teneinde dit aandeel in mindering te brengen van de gehele schuld. Dit is onder meer het geval bij: (…) (3) schuldvermenging.”; art. 1303 Codice civile: “Se nella medesima persona si riuniscono le qualità di creditore e di debitore in solido, l’obbligazione degli altri debitori si estingue per la parte di quel condebitore.” Vgl. voorts art. 10:107 lid 2 PECL en het gelijkluidende art. 4:108 lid 2 DCFR: “Merger of debts between a solidary debtor and the creditor discharges the other debtors only for the share of the debtor concerned.” Zie voor een andersluidende regeling § 425 BGB: “(1) Andere als die in den § 422 bis 424 bezeichneten Tatsachen wirken, soweit sich nicht aus dem Schuldverhältnis ein anderes ergibt, nur für und gegen den Gesamtschuldner, in dessen Person sie eintreten. (2) Dies gilt insbesondere von (…) der Vereinigung der Forderung mit der Schuld (…)”.
Zie hiervoor, nr. 119 en 120.
Asser/Sieburgh 6-I 2020/123; Van Boom 2016a, p. 64. Vgl. Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 109 (TM) en p. 122 (MvA II) bij art. 6:10 BW.
Zie hiervoor, nr. 93 en 94.
119. Bevrijdende werking nakoming en verrekening. Met de keuzevrijheid van de schuldeiser hangt samen dat als een van de schuldenaren de hoofdelijk verschuldigde prestatie voldoet, deze nakoming ook de andere schuldenaren van hun verplichting bevrijdt. Gelet op het hiervoor besproken zelfstandige karakter van hoofdelijke verbintenissen, is dat geen vanzelfsprekendheid.1 Om die reden bepaalt art. 6:7 lid 2 BW dat bij een prestatie door één van de schuldenaren ook de verbintenissen van de overige schuldenaren tenietgaan, of nu sprake is van nakoming door betaling of door verrekening.2 Hier is nog in sterkere mate dan bij de keuzevrijheid sprake van een wezenskenmerk van hoofdelijke verbondenheid. Komt een schuldenaar zijn verplichting na, maar bevrijdt deze nakoming de andere schuldenaren niet, dan is simpelweg geen sprake van hoofdelijke verbondenheid.3 De ratio van de bevrijdende werking is dat de schuldeiser aan de hoofdelijke verbondenheid weliswaar bescherming ontleent tegen het risico op het niet kunnen nemen van verhaal op zijn schuldenaren,4 maar niet dat hij meermaals recht heeft op de verschuldigde prestatie. Zij voorkomt daarmee dat de schuldeiser ongerechtvaardigd zou worden verrijkt doordat hij meermaals recht op de hoofdelijk verschuldigde prestatie.5
Onder de noemer ‘nakoming’ moet ook de delging van de schuld door middel van verhaal na executie worden geschaard. De wet bepaalt dit met zoveel woorden voor verhaal krachtens een executoriale titel (art. 3:297 BW), maar niet valt in te zien waarom verhaal krachtens een recht van parate executie tot andere rechtsgevolgen zou leiden.6 Heeft de schuldeiser een recht van pand of hypotheek dat strekt tot zekerheid van de nakoming van een schuld waarvoor ook andere schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn, dan heeft uitwinning van het pand- of hypotheekrecht tot gevolg dat de gesecureerde vordering afneemt met het deel van de netto-opbrengst dat aan de desbetreffende pand- of hypotheekhouder toekomt.7 In zoverre wordt ook de schuld van de hoofdelijk verbonden medeschuldenaren gedelgd (art. 6:7 lid 2 BW).
120. Overige wijzen van tenietgaan (inbetalinggeving, rechterlijk oordeel, afstand, vermenging). De bevrijdende werking strekt zich soms ook uit tot gevallen waarin de verschuldigde prestatie niet is verricht. Zo leidt ook inbetalinggeving (art. 6:45 BW) tot het tenietgaan van de verbintenissen van de overige schuldenaren, en heeft ook een rechterlijk oordeel dat een van de schuldenaren van zijn verplichtingen is bevrijd wegens schuldeisersverzuim (art. 6:60 BW), bevrijdende werking voor de andere schuldenaren (art. 6:7 lid 2 BW).
Voor andere gevallen bepaalt de wet dit niet met zoveel woorden, maar dit wil niet zeggen dat daarmee van bevrijdende werking geen sprake kan zijn.8 Zo kunnen ook afstand (art. 6:160 BW) en vermenging (art. 6:161 BW) leiden tot het tenietgaan van een hoofdelijke verbintenis, maar bepaalt art. 6:7 lid 2 BW niet dat een dergelijke wijze van tenietgaan bevrijdende werking heeft voor de overige hoofdelijk schuldenaren. Gaat in een dergelijk geval alleen de desbetreffende verbintenis teniet, of ook de verbintenissen van andere hoofdelijk schuldenaren?
Voor afstand bepaalt art. 6:9 BW dat iedere schuldenaar bevoegd is een aanbod van de schuldeiser tot afstand om niet te aanvaarden, “voor zover de afstand ook de andere schuldenaren betreft” (art. 6:9 lid 1 BW). Ook zonder deze bepaling zou iedere schuldenaar daartoe mijns inziens bevoegd zijn, op grond van zaakwaarneming (art. 6:201 BW). Het spreekt vanzelf dat als de schuldeiser afstand doet van zijn vorderingen jegens alle schuldenaren, bijvoorbeeld in het kader van een ‘collectieve schikking’ (daaronder versta ik een schikking tussen de schuldeiser en alle hoofdelijk schuldenaren),9 ook al die schuldenaren zijn bevrijd. Of dit het geval is, is een kwestie van uitleg van de rechtshandeling waarbij afstand wordt gedaan.10 Uiteraard staat het de schuldenaar ook vrij om een aanbod tot afstand om niet te aanvaarden van slechts zijn verbintenis (een ‘individuele schikking’); die verbintenis gaat daardoor teniet (art. 6:160 lid 1 BW). Een dergelijke afstand heeft echter geen bevrijdende werking jegens de andere schuldenaren.11 De afstand door de schuldenaar van zijn vordering op een van de hoofdelijk schuldenaren laat de vorderingen jegens de andere hoofdelijk schuldenaren in beginsel onaangetast, en laat zelfs de eventuele verhaalsrechten jegens de schikkende schuldenaar onverlet (art. 6:14, eerste volzin BW). De schikkende schuldenaar loopt aldus het risico om ‘via de achterdeur’ te worden aangesproken door een medeschuldenaar, terwijl de schuldeiser afstand heeft gedaan van de vordering jegens hem. Om dit te voorkomen, kan de schuldeiser zich tegenover de schikkende schuldenaar verbinden tot het verminderen van zijn vordering op de resterende schuldenaren met “het bedrag dat als bijdrage gevorderd had kunnen worden” van de schikkende schuldenaar (art. 6:14, tweede volzin BW); dat wil zeggen: met diens ‘draagplicht’.12
Onder het oude recht gold een tegenovergesteld wettelijk uitgangspunt (art. 1476 BW (oud)). Een kwijtschelding van de schuld of het ontslag uit de hoofdelijkheid van één van de hoofdelijk schuldenaren, bevrijdde in beginsel wél ook de andere schuldenaren (art. 1476 lid 1 BW (oud)), maar de schuldeiser kon zich de rechten jegens de andere schuldenaren voorbehouden (art. 1476 lid 1, slot BW (oud)). In dat geval kon hij de andere schuldenaren echter slechts aanspreken onder aftrek van het aandeel in de schuld van de schikkende schuldenaar (art. 1476 lid 2 BW (oud)). De Hoge Raad heeft dit wettelijk uitgangspunt sterk genuanceerd in het arrest Bron/Bink.13 Het ging daar om een individuele kwijting van Reuser door Bink, zónder dat Bink zich daarbij zijn rechten jegens andere schuldenaren voorbehield. Nadat Bink zich vervolgens wendde tot Bron, een met Reuser (beweerdelijk) hoofdelijk verbonden schuldenaar, oordeelde de Hoge Raad – met een beroep op het ‘gerechtvaardigd vertrouwen’ van de niet bij de schikking betrokken schuldenaren – “dat een hoofdelijk schuldenaar aan wie zijn schuld wordt kwijtgescholden, in de regel daarvan mededeling doet aan zijn medeschuldenaren, en dat deze mogen aannemen dat een schuldeiser die aan een van zijn hoofdelijke schuldenaren zonder meer kwijting geeft, daarmede in de regel bedoelt ook de anderen te bevrijden, zodat dezen, van een dergelijke kwijting vernemende, in redelijkheid erop mogen vertrouwen dat zij voortaan van rechtsmaatregelen ter zake van hun verbintenis verschoond zullen blijven”.14 Niettemin slaagde het beroep van Bron op art. 1476 BW (oud) niet, omdat “Bink, toen hij Reuser kwijting verleende, niet de bedoeling had daarmede ook af te zien van zijn aanspraken jegens Bron”, omdat het hof uit de vaststelling “dat ‘geen moment aanwijsbaar is, waarop bij Bron een gerechtvaardigd vertrouwen aanwezig is geweest dat Bink (ook) jegens hem zijn recht wilde prijsgeven’, terecht de slotsom [heeft] verbonden dat Bron zich in dit geding niet erop vermag te beroepen dat hij op grond van art. 1476 van de voor hem uit het in 3.1 onder (i) bedoelde beding voortvloeiende verbintenissen is bevrijd”.15 Hiermee verlaat de Hoge Raad dus het criterium of de schikkende schuldeiser zijn rechten jegens andere hoofdelijk schuldenaren heeft voorbehouden, en hanteert hij als toetssteen of de niet-schikkende schuldenaar gerechtvaardigd erop heeft vertrouwd dat de afstand ook zijn verbintenissen betrof. Hiermee nam de Hoge Raad – contra legem16– een voorschot op het huidige art. 6:14 BW, op grond waarvan het uitgangspunt eveneens is dat rechten van de schuldeiser jegens niet-schikkende schuldenaren behouden blijven.17
Bedingen die ertoe strekken de niet-schikkende hoofdelijk schuldenaren te bevrijden van een deel van hun aansprakelijkheid, worden wel aangeduid als ‘6:14-clausules’.18 Of een dergelijke verplichting is aangegaan, is een kwestie van uitleg,19 waarbij in de enkele afstand in beginsel niet reeds besloten ligt dat de schuldeiser zich verbindt tot vermindering van zijn vordering op de overige, niet-schikkende schuldenaren.20 In een enkel geval, zoals bij schikkingen onder de WCAM of de WAMCA geldt wel een vermoeden dat een schikkende schuldeiser zich heeft verbonden tot reductie van zijn vordering jegens niet schikkende schuldenaren ((art. 1018h lid 3 Rv jo.) art. 7:910 lid 1, tweede volzin BW).
Zijn B, C en D hoofdelijk verbonden tot betaling van € 1 miljoen aan A, en zijn zij voor 20% (B), 30% (C) en 50% (D) draagplichtig, dan laat afstand door A van zijn vordering op B de aansprakelijkheid van C en D onverlet; zij blijven hoofdelijk verbonden tot betaling van € 1 miljoen aan A. Een dergelijke afstand bevrijdt B in beginsel niet van zijn verplichting om bij te dragen in de schuld. Schikt B met schuldeiser A, dan kan B dus bedrogen uitkomen, omdat de door hem ongetwijfeld beoogde finaliteit dan niet wordt bereikt omdat hij nog in regres kan worden aangesproken door C en D.21 Is hij zich van dat risico bewust, dan zal dit een negatieve invloed hebben op zijn schikkingsbereidheid.
Wil B het hiervoor besproken risico mitigeren, dan dient A zich tegenover hem te verbinden om zijn vorderingen op C en D te verminderen met “het bedrag dat [van B] als bijdrage gevorderd had kunnen worden” (art. 6:14, tweede volzin BW); kortom: met B’s ‘draagplicht’.22 Het gaat hierbij niet om afstand in de zin van art. 6:160 BW, maar om het aangaan van de verplichting daartoe, zodat de medeschuldenaren reeds van hun verplichtingen zijn bevrijd vóórdat de vordering wordt verminderd.23 Of een dergelijke verplichting is aangegaan, is een kwestie van uitleg.24 In de enkele afstand ligt niet reeds besloten dat de schuldeiser zich verbindt tot vermindering van zijn vordering op de overige, niet-schikkende schuldenaren.25
Komt de verbintenis van een schuldenaar in dezelfde hand als het vorderingsrecht van de schuldeiser, bijvoorbeeld doordat de schuldeiser zijn vordering aan die schuldenaar cedeert, dan gaat de op de schuldenaar rustende verbintenis hierdoor in beginsel26 teniet (art. 6:161 lid 1 BW). Bij hoofdelijke verbintenissen doet zich de bijzonderheid voor dat op iedere hoofdelijk schuldenaar weliswaar een hoofdelijke verbintenis rust, maar de hoofdelijk schuld uiteindelijk tussen hen moet worden verdeeld conform ieders draagplicht. Dit rechtvaardigt dat de vermenging van een hoofdelijke verbintenis in het vermogen van een van de hoofdelijk schuldenaren de verbintenis van die schuldenaar (en het daarmee corresponderende vorderingsrecht) slechts teniet doet gaat tot het beloop van zijn draagplicht. Dit vloeide voor het oude recht met zoveel woorden voort uit art. 1473 lid 3 BW (oud).27 Hoewel een dergelijke wetsbepaling in het huidige recht ontbreekt, is geen wijziging beoogd,28 en geldt mijns inziens dus ook voor het huidige recht dat een hoofdelijke verbintenis slechts door vermenging tenietgaat voor zover de schuldenaar in wiens vermogen de schuld vermengd raakt, draagplichtig is.29 Voor het overige laat de vermenging het vorderingsrecht onaangetast, zodat in zoverre een vordering resteert op zijn (voormalig) medeschuldenaren. Deze rechtsgevolgen brengen mee dat de medeschuldenaren profiteren van de vermenging voor zover de desbetreffende schuldenaar draagplichtig is. Wat dit betreft heeft vermenging dezelfde rechtsgevolgen als afstand door de schuldeiser van zijn vordering jegens de desbetreffende schuldenaar, in combinatie met een 6:14-clausule, zij het dat die rechtsgevolgen bij vermenging van rechtswege intreden.
Zijn B, C en D hoofdelijk verbonden tot betaling van € 1 miljoen aan A, en zijn zij voor 20% (B), 30% (C) en 50% (D) draagplichtig, dan heeft cessie door A aan B van A’s vorderingen op C en D tot gevolg dat die vorderingen gedeeltelijk door vermenging tenietgaan, namelijk voor zover B zelf draagplichtig is. Dit betekent dat B krachtens cessie weliswaar vorderingen verkrijgt jegens C en D van € 1 miljoen, maar dat die op hetzelfde moment gedeeltelijk tenietgaan (art. 6:161 lid 1 BW), zodat jegens hen beiden nog slechts een vordering van € 800.000 resteert. C en D zijn tot dat bedrag hoofdelijk verbonden.
121. Bevrijdende werking bij gedeeltelijk tenietgaan verbintenis. Gaat een hoofdelijke verbintenis niet in haar geheel, maar gedeeltelijk teniet om één van de hiervoor genoemde redenen,30 dan is ook sprake van gedeeltelijk bevrijdende werking; de overige verbintenissen gaan slechts in zoverre teniet.31 Dit is uiteraard alleen mogelijk bij een schuld tot het verrichten van een deelbare prestatie, zoals een geldschuld.32