Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/6.5.1
6.5.1 Doelactiviteiten
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633846:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wijziging van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting, de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 en de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, Stcrt. 2012, 12737, p. 11.
Hof Den Bosch 9 juni 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BT6822, r.o. 4.8.2., 4.8.3 en 4.8.4.
Wijziging van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting, de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 en de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, Stcrt. 2012, 12737, p. 10.
Wijziging van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting, de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 en de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, Stcrt. 2012, 12737, p. 11.
Annotatie Molenaar bij Hof Den Haag 21 oktober 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2875, NTFR 2015/2954.
Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2668 (Katholiek Nieuwsblad) r.o. 2.3.1., 2.3.2 (tijdvak na 2012) en Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2665 (Scientology), r.o. 3.2.2. (tijdvak voor 2012).
Wijziging van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting, de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 en de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, Stcrt. 2012, 12737, p. 11.
Van Bakel & De Wijkerslooth-Lhoëst 2020, par. 3.2.6.1 en 3.5.
Zie ook onder meer Molenaar in zijn annotatie bij HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3565, NTFR 2014/2937; Van Bakel & De Wijkerslooth-Lhoëst 2016, par. 2.3.
Steenvoorde 2017, p. 91.
Annotatie Molenaar bij HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3565, NTFR 2014/2937.
HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3565, r.o. 2.4.5
Annotatie Molenaar bij HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3565, NTFR 2014/2937; zie ook annotatie J.P. Boer bij HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3565, in BNB 2015/59, onderdeel 22, 23 en Hemels, NDFR, commentaar 17.3 bij artikel 5b AWR, laatst geraadpleegd op 29 november 2021.
De doelactiviteiten betreffen alle activiteiten die erop gericht zijn de doelstelling van de anbi te realiseren of te bevorderen (art. 1a, lid 5, eerste zin Uitv.reg. AWR 1994). Artikel 1a, lid 5, tweede zin Uitv.reg. AWR 1994 bepaalt dat er geen sprake is van doelactiviteiten als de instelling het geheel van die activiteiten tegen commerciële tarieven uitvoert. Deze bepaling ziet slechts op de tegenprestatie voor de doelactiviteiten ter financiering van de doelactiviteiten.1 Andere inkomsten van de instelling, zoals inkomsten uit commerciële activiteiten, giften, legaten of subsidies, tellen niet mee voor deze toets.2 Dit zijn immers middelen om het algemeen nuttige doel te realiseren of te bevorderen.
Commerciële tarieven zijn volgens de toelichting op artikel 1a, lid 5 Uitv. Reg. AWR tarieven die de integrale kostprijs van de verrichte diensten of de geleverde goederen overstijgen om een voordeel te behalen.3 Het resultaat van de instelling is leidend bij het bepalen of een specifieke activiteit of het geheel van activiteiten tegen een commerciële prijs plaatsvinden, aldus de toelichting.4 Zijn de doelactiviteiten per saldo structureel winstgevend, dan is volgens de toelichting op artikel 1a, lid 5 Uitv. Reg. AWR het doel daarmee feitelijk niet om het algemeen nut te dienen maar om een positief resultaat te halen, zodat ze diskwalificeren als doelactiviteiten. Een incidentele bate op een algemeen nuttige activiteit daarentegen levert geen problemen op. Molenaar wijst erop dat volgens de toelichting niet moet worden gekeken naar tarieven die andere instellingen hanteren voor soortgelijke diensten of goederen maar uitsluitend naar de situatie van de betreffende instelling: als de kosten van de instelling hoger zijn dan de inkomsten, waarbij giften, donaties, subsidies en legaten niet meetellen voor de inkomsten, is er geen sprake van commerciële tarieven.5
Ondanks de heldere definitie van commerciële tarieven die de toelichting sinds 2012 geeft, verwijst de Hoge Raad daar niet naar in twee zaken die een rsli betroffen. De Hoge Raad hanteert zijn eigen – weliswaar vergelijkbare – definitie. In de ene zaak (SKA) ging het weliswaar om een tijdvak voor 2012 (voor de invoering van de Geefwet), maar de andere zaak (Katholiek Nieuwsblad) betrof het jaar 2013.6 Volgens de Hoge Raad is voor de beoordeling of activiteiten worden verricht tegen een commercieel tarief bepalend of de tariefstelling gericht is op het behalen van exploitatieoverschotten. Uit het feit dat de instelling in de zaak van het Katholiek Nieuwsblad de doelactiviteit had voortgezet ondanks dat de abonnementsprijs voor het nieuwsblad niet kostendekkend was en de exploitatie ieder jaar vanaf het begin verlieslatend was, leidde de Hoge Raad af dat de instelling geen winstoogmerk had. Als een instelling met haar doelactiviteiten naar exploitatieoverschotten streeft, is er geen sprake van algemeen nuttige activiteiten, aldus de Hoge Raad.
Uit artikel 1a, lid 5, tweede zin Uitv.reg. AWR 1994 lijkt af te leiden dat zolang er één doelactiviteit niet tegen commercieel tarief plaatsvindt, de andere doelactiviteiten, die wel tegen commerciële tarieven worden verricht, als algemeen nuttige activiteiten blijven kwalificeren. Immers, pas als een instelling al haar doelactiviteiten tegen commerciële tarieven verricht, kan zij niet als anbi aangemerkt worden. De toelichting merkt hierover op dat bepaalde afzonderlijk te onderscheiden doelactiviteiten tot een positief resultaat mogen leiden, zolang dat maar niet voor het geheel van alle doelactiviteiten geldt.7 Van Bakel & De Wijkerslooth-Lhoëst merken op dat voor elke doelactiviteit afzonderlijk moet worden vastgesteld of deze wordt verricht tegen een commercieel tarief en dus niet mag worden uitgaan van een saldering van het totale resultaat van alle doelactiviteiten.8
Op basis van het hiervoor beschreven wettelijke kader dat vanaf 2012 geldt, zou geredeneerd kunnen worden dat het feit dat een instelling voor bepaalde doelactiviteiten commerciële tarieven vraagt, geen gevaar hoeft te vormen voor verkrijging of behoud van de anbi-status, zolang ze maar één doelactiviteit tegen of onder de kostprijs aanbiedt. In dat geval blijven ook de andere doelactiviteiten, ook al vinden die tegen commerciële tarieven plaats, toch als algemeen nuttige activiteiten kwalificeren. Een instelling die voor bepaalde doelactiviteiten commerciële tarieven vraagt en voor andere niet, zou dan niet hoeven te vrezen voor haar anbi-status. Dit betekent naar mijn mening dat bijvoorbeeld de SKA, die voor de auditing en de trainingen als onderdeel van de religieuze beleving en als middel om het SKA-geloof te verbreiden (een doelactiviteit) commerciële tarieven rekent, maar voor andere doelactiviteiten geen vergoeding vraagt, in aanmerking zou kunnen komen voor de anbi-status.9 Steenvoorde daarentegen ziet ook onder de huidige wet- en regelgeving een belemmering voor SKA om de anbi-status te verkrijgen.10 Hij redeneert als volgt: doelactiviteiten mogen niet leiden tot een structurele winst en dat doen de auditing en trainingen van SKA juist wel; bovendien leiden deze activiteiten tot een groot – niet incidenteel – batig saldo voor het geheel van de doelactiviteiten, waarnaar beleidsmatig, dus bewust wordt gestreefd. Molenaar wijst er echter terecht op dat Hof Amsterdam al eerder had vastgesteld dat kosten bij de SKA in 2008 de inkomsten overtroffen met € 183.308 en dat er in 2009 weliswaar een overschot was van € 5968, maar dat er nauwelijks een buffer was en dat de baten deels bestonden uit donaties, schenkingen en overige giften.11 De Hoge Raad heeft deze feiten echter niet in overweging genomen en is niet ingegaan op de wijzigingen die de Geefwet per 1 januari 2012 heeft gebracht. De Hoge Raad gaf in 2014 – in de SKA-zaak over het jaar 2008 – als regel dat activiteiten die tegen commerciële tarieven worden aangeboden niet het algemeen belang dienen maar primair het particuliere belang, ook als deze activiteiten een onderdeel vormen van de religieuze beleving.12 Met Molenaar en andere auteurs kan ik me dan ook niet aan de indruk onttrekken dat de SKA niet binnen de wettelijke bepalingen is beoordeeld en de staatssecretaris (zoals blijkt uit zijn cassatieberoepschrift) en de Hoge Raad het niet wenselijk vonden dat de SKA de anbi-status zou verkrijgen.13