Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.4.3.6:II.5.4.3.6 Art. 4:130 lid 2 BW en een derde
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.4.3.6
II.5.4.3.6 Art. 4:130 lid 2 BW en een derde
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625087:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 4:130 lid 1 en 2 BW bepaalt dat een last enkel kan worden opgelegd aan de gezamenlijke erfgenamen, aan een of meer bepaalde erfgenamen of legatarissen (lid 1), dan wel aan een executeur (lid 2). Volgens B. Schols kan een erflater met behulp van de last dan ook niet aan ieder willekeurige derde zijn wil delegeren.1 Hierbij merkt hij evenwel op dat in art. 4:130 lid 2 BW het scharnierpunt voor de oplossing van het vraagstuk van de maximaal toegelaten delegatie is te vinden. Volgens hem is, met betrekking tot het invullen van de inhoud van de in de uiterste wil opgenomen verplichting door een derde, een belangrijke rol weggelegd voor de executeur:
‘De aanwijzing van een derde zou onder omstandigheden […] ook geconverteerd kunnen worden in een executeurbenoeming. De enige taak van deze executeur zou dan alleen het uitvoeren van de betreffende last zijn (curs. NB).’2
De (willekeurige) derde die als executeur kan worden aangemerkt, kan zodoende een last opgelegd krijgen waarmee kan worden gedelegeerd. Dit past binnen het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen.3
Het bepaalde in art. 4:130 lid 1 en 2 BW sluit mijns inziens overigens niet uit dat ook een willekeurige derde, die niet als executeur kan worden aangemerkt, de inhoud van een last nader kan bepalen. Bijvoorbeeld: ‘ik legateer aan Johan een geldbedrag van € 100.000,- onder de verplichting de helft van dit bedrag uit te keren aan een van mijn neefjes, die mijn broer zal aanwijzen.’ Dat Johan voor het uitvoeren van deze last de medewerking van ‘mijn broer’ nodig heeft, maakt de last mijns inziens niet ongeldig. De willekeurige derde (mijn broer) maakt dan deel uit van de verplichting, die is opgelegd aan de legataris (Johan).