Raad zonder raadgevers?
Einde inhoudsopgave
Raad zonder raadgevers? (SteR nr. 42) 2018/2.3:2.3 1992: Eerste vermelding ambtelijke bijstand in de Gemeentewet
Raad zonder raadgevers? (SteR nr. 42) 2018/2.3
2.3 1992: Eerste vermelding ambtelijke bijstand in de Gemeentewet
Documentgegevens:
drs. J.W.M.M.J. Hessels, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
drs. J.W.M.M.J. Hessels
- JCDI
JCDI:ADS581541:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Aanhangsel Handelingen II 1971/72, 1956.
Kamerstukken II 1989/90, 19403, 16, p. 28.,
Uiteindelijk komt dit artikel in de Gemeentewet als artikel 149 Gemw. 1992: ‘De raad maakt de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt.’
Handelingen II 1990/91 p. 2-48.
Handelingen II 1990/91 p. 4-148.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De discussie over het recht op ‘ambtelijke bijstand’ voor individuele raadsleden keert in de parlementaire geschiedenis van de Gemeentewet terug in het voorlopig verslag van de wijziging van de Gemeentewet, die uiteindelijk in 1992 is aangenomen en per 1 januari 1994 in werking is getreden. In aansluiting op de schriftelijke vragen van hun partijgenoten Voortman en Jans in 19721 stellen de leden van de PvdA-fractie in september 1987 in de Tweede Kamer:
‘Wat de ambtelijke bijstand voor individuele raadsleden betreft, constateerden deze leden dat in het wetsvoorstel een plicht tot bijstand aan de individuele leden gelezen kan worden. Zij waren dan ook voorshands van mening dat een afzonderlijke bepaling, waarin wordt vastgesteld dat de raad de wijze regelt waarop aan individuele raadsleden ambtelijke bijstand wordt verleend, wenselijk is.’2
De minister is een andere mening toegedaan. Niet zozeer wat betreft het principe van het recht op ambtelijke bijstand, maar wel als het gaat om het vastleggen in de wet van de verplichting om de ambtelijke bijstand aan individuele raadsleden te regelen. De opdracht aan de gemeentesecretaris om de raad terzijde te staan, moet – volgens de minister – volstaan.
‘Met de aan de suggestie van de leden van de PvdA-fractie ten grondslag liggende gedachte dat raadsleden recht op ambtelijke bijstand hebben, kunnen wij instemmen. Wij achten het echter niet noodzakelijk een wettelijke bepaling op te nemen, die de raad verplicht tot het treffen van een regeling van ambtelijke bijstand aan individuele raadsleden. In artikel 108 wordt immers uitdrukkelijk gesteld dat de gemeentesecretaris de raad, het college, de burgemeester en de commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde staat. Dat wil zeggen dat de gemeentesecretaris als hoofd van het ambtelijk apparaat gehouden is, met gebruikmaking van het hem ten dienste staande apparaat, deze taak te behartigen. De gemeentelijke organisatie is er voor de gemeentenaren en het gehele gemeentebestuur, dus ook voor individuele raadsleden. Wel zullen er steeds afwegingen moeten worden gemaakt, prioriteiten moeten worden gesteld en taken moeten worden verdeeld. Niet in alle gevallen zal ambtelijke bijstand aan een individueel raadslid de hoogste prioriteit kunnen krijgen. De secretaris zal erop toe moeten zien dat de ambtelijke organisatie de zeer diverse op het apparaat afkomende taken, waaronder verlening van bijstand aan individuele raadsleden, zo goed mogelijk vervult.’3
De vraag van de PvdA-fractie komt niet zozeer voort uit een algemene informatieachterstand van de gemeenteraad. Veeleer is er sprake van een oneerlijke verdeling van de informatie over de raadsleden. Omdat de wethouders nog deel uitmaken van de raad, worden de coalitiefracties qua informatievoorziening en mogelijkheden om gebruik te maken van de inzet, kennis en expertise van de gemeentelijke ambtenarij sterk bevoordeeld. Met hun vraag om een wettelijke regeling, waarin voor ieder individueel raadslid het recht op ambtelijke bijstand is geregeld – ongeacht het feit of dit raadslid deel uitmaakt van een coalitie- of een oppositiefractie – wordt geprobeerd het informatiegat tussen coalitie en oppositie kleiner te maken.
‘In het voorlopig verslag hebben de PvdA-fractieleden gepleit vóór een wettelijke verplichting voor de raad om te regelen op welke wijze aan individuele raadsleden ambtelijke bijstand wordt verleend. De motivering van de afwijzing van deze suggestie door bewindslieden had hen nog niet geheel overtuigd. Het verwijzen naar artikel 108 waarin wordt gesteld dat de gemeentesecretaris de raad, het college, de burgemeester en de commissie bijstaat garandeert allerminst dat het raadslid de ambtelijke bijstand krijgt, die hij of zij redelijkerwijs vraagt. Het is tenslotte de gemeentesecretaris die alle prioriteiten afweegt op de wijze die hem of haar juist voorkomt. Dat hoeft niet te corresponderen met de gerechtvaardigde behoefte aan bijstand van een eventueel lastig, kritisch raadslid. Het lijkt de PvdA-fractieleden beter dat de raad dan regelt hoe de verdere spelregels dan zullen luiden’,4
merkt de PvdA-fractie in het eindverslag op.
De fractie (met woordvoerder Stoffelen) slaat hiermee de spijker op zijn kop. Omdat de gemeentesecretaris – ook in het monistische bestel en binnen zijn taakopdracht conform artikel 108 van de Gemeentewet – steeds verder richting college is opgeschoven, bewijst de toenmalige praktijk dat het overlaten van een beslissing over het recht op ambtelijke bijstand voor een individueel raadslid aan de secretaris allerminst de garantie biedt dat ook raadsleden uit de oppositie kunnen rekenen op ondersteuning vanuit het ambtelijk apparaat van de gemeente.
De minister reageert afhoudend:
‘Wij kunnen de leden van de fractie van de PvdA volgen, daar waar zij aangeven dat het beter zou zijn als de raad zou bepalen hoe de spelregels moeten luiden in het geval er sprake is van ambtelijke bijstandsverlening aan raadsleden. Niets verzet zich daartegen. Dat betekent ook dat de raad, zo hij dit wenselijk en nodig acht, op enigerlei manier kan aangeven hoe die bijstandsverlening moet plaatsvinden. Het komt ons voor dat een wettelijke bepaling in deze zin te ver gaat en ook overbodig is.’5
De raad kan immers krachtens het voorgestelde nieuwe artikel 150 van de Gemeentewet6 zelfstandig de verordeningen maken, die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt. Daar is geen wettelijke regeling voor de ambtelijke bijstand in de Gemeentewet voor nodig, zo oordeelt de regering.
PvdA-Kamerlid Stoffelen laat het er niet bij zitten. Hij dient een amendement7 in dat alsnog een nieuw artikel 32a creëert, dat luidt ‘De raad regelt op welke wijze ambtelijke bijstand wordt verleend aan de leden van de raad.’ Het amendement wordt uiteindelijk medeondertekend door CDA-Kamerlid Van der Burg.
Dat laatste heeft een duidelijke politieke achtergrond, die de uiteindelijke steun voor Stoffelen’s strijd voor een in de wet verankerd recht op ambtelijke bijstand mogelijk maakt. Na de val van het kabinet Lubbers II (evenals Lubbers I samengesteld uit CDA en VVD), werd in 1989 de PvdA de coalitiepartner van het CDA in het kabinet Lubbers III. Het lag daarom – volgens de mores van de Tweede Kamer – voor de hand dat CDA-woordvoerder Van der Burg te hulp schoot om het amendement van coalitiegenoot PvdA, waar het CDA weliswaar niet warm voor liep, maar ook geen grote inhoudelijke bezwaren in zag, aan een meerderheid te helpen. Hij werd medeondertekenaar van het amendement, waardoor het ook zijn naam kreeg.
Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer licht Stoffelen zijn amendement als volgt toe:
‘Wie geen vreemde is in bestuurlijk Nederland weet dat er nogal eens problemen zijn voor deze minderheden in gemeenteraden om de nodige ambtelijke bijstand te krijgen. Wij vinden het daarom wenselijk om voor alle zekerheid nog eens vast te leggen dat de gemeenteraad heeft te regelen hoe – en niet of – ambtelijke bijstand gegeven wordt aan de leden van de raad, dus ook aan minderheden in die gemeenteraad. Ik besef heel goed dat het voor buitengewoon veel gemeenten helemaal niet nodig is om dit vast te leggen. Voor andere daarentegen is het buitengewoon nuttig om dit wel in de wet vast te leggen.’8
Staatssecretaris De Graaff-Nauta gaat – begrijpelijk, gezien de hierboven geschetste politieke duiding – uiteindelijk overstag:
‘Er is een amendement van de heren Stoffelen en Van der Burg op stuk nr. 32, over de ambtelijke bijstand aan raadsleden. De achtergrond daarvan is dat het gewenst is, dat de raad regelt hoe ook aan minderheden in de raad ambtelijke bijstand moet worden verleend. Een eerste reactie op dat amendement is, dat het extra regelgeving is. Toch sta ik er niet onsympathiek tegenover, omdat een argument voor deze extra regelgeving is dat ook minderheden in de raad moeten worden beschermd. Mijnheer de voorzitter, ik laat het oordeel hierover aan de Kamer over.’9
Het amendement Stoffelen-Van der Burg wordt op 30 oktober 1990 met algemene stemmen door de Tweede Kamer aangenomen en uiteindelijk als artikel 33 van de Gemeentewet opgenomen.