Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/9.4
9.4 Enquêterechtelijke beslissingen en de arbeidsrechtelijke kant van dubbele rechtsbetrekkingen; Hoffmann Beheer
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196986:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 3 april 1997; OK 8 oktober 1998, JOR 1998/166 (Hoffmann Beheer).
HR 28 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AD3216 (Hoffmann Beheer), r.o. 3.4.
Witteveen betwijfelt of uit de uitspraak volgt dat de Ondernemingskamer arbeidsrechtelijke beslissingen mag nemen (Witteveen 2010, nt. 12).
Nr. 86.
Maeijer leidt uit de beschikking inzake Hoffmann Beheer af dat het vennootschappelijk ontslag door de Ondernemingskamer op zichzelf geen afbreuk doet aan de rechten en verplichtingen uit hoofde van de arbeidsrechtelijke relatie (J.M.M. Maeijer, annotatie bij HR 28 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AD3216, NJ 2000/556, nr. 2). De hierna te vermelden arresten van de Hoge Raad van 15 april 2005 wijzen in andere richting.
J.M.M. Maeijer, annotatie bij HR 28 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AD3216, NJ 2000/556, nr. 4. Zo ook Van Solinge en Nieuwe Weme in Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/806; zie voorts de door hen genoemde schrijvers.
Van Slooten, SR 2001, p. 277. Tegen arbeidsrechtelijke beslissingen in de tweede fase van de enquêteprocedure lijkt hij minder bezwaren te zien dan tegen arbeidsrechtelijke beslissingen in de eerste fase.
HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2713; HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2030.
Witteveen 2010, p. 469.
Hij leidt uit de arresten af dat bij ontslag van de bestuurder de regels van Boek 2 BW prevaleren boven die van Boek 7 BW (Witteveen 2010, p. 474).
Als een vennootschappelijk ontslagbesluit al het einde van de arbeidsovereenkomst impliceert, is dit onafhankelijke karakter eens te meer reden om aan te nemen dat de arbeidsrechtelijke band geslaakt wordt bij het OK-ontslag.
Witteveen 2010, p. 475.
Holtzer en Boersma, TAO 2017, 2. Zij gaan eveneens in op de vraag of vennootschappelijk ontslag met terugwerkende kracht door de Ondernemingskamer ook beëindiging van de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht meebrengt. Die discussie betreft voorzieningen na wanbeleid en valt buiten het kader van dit onderzoek.
[313] Een beslissing van de Ondernemingskamer over de interne helft van de dubbele rechtsverhouding kan de externe helft beïnvloeden. Is de externe helft van de dubbele rechtsband een arbeidsovereenkomst, dan wordt die beheerst door de (dwingendrechtelijke) regels van het arbeidsrecht. In hoeverre de (dwingende) arbeidsrechtelijke regels grenzen stellen aan enquêterechtelijke beslissingen, is onderwerp geweest van debat.
In de zaak Hoffmann Beheer speelde het onderscheid tussen de twee kanten van de dubbele rechtsbetrekking, de vennootschappelijke rechtsverhouding en – in die zaak – de arbeidsrechtelijke verhouding, een rol. Bij beschikking in de tweede fase heeft de Ondernemingskamer, op de voet van artikel 2:356 sub b BW, de bestuurder ontslagen met ingang van de datum waarop hij in de eerste fase, bij wijze van onmiddellijke voorziening, was geschorst.1 In cassatie werd betoogd dat een arbeidsovereenkomst niet met terugwerkende kracht kan worden ontbonden. De Hoge Raad stelde vast dat de Ondernemingskamer de bestuurder alleen had ontslagen als bestuurder van de vennootschap. Naar zijn oordeel is de Ondernemingskamer wat betreft dat vennootschapsrechtelijke ontslag niet gebonden aan wettelijke of statutaire bepalingen.2 De vennootschapsrechtelijke verhouding kon met terugwerkende kracht worden beëindigd. De uitspraak vermeldt niet expliciet dat de Ondernemingskamer kan beslissen over de arbeidsrechtelijke afwikkeling.3
In cassatie ging het over de bevoegdheid tot het treffen van voorzieningen na wanbeleid. Die voorzieningen zijn, anders dan onmiddellijke voorzieningen, limitatief opgesomd en hebben tot doel het wanbeleid op te heffen.4 Toch worden hier verkort een paar elementen uit het debat dat is gevolgd op de uitspraak weergegeven. Ze illustreren de ontwikkeling van het denken over de manoeuvreerruimte van de Ondernemingskamer in het spanningsveld tussen het vennootschapsrecht en het arbeidsrecht.
[314] De beschikking in cassatie leek te impliceren dat de vennootschapsrechtelijke betrekking en de arbeidsrechtelijke band te scheiden zijn.5 Door onder anderen Maeijer is het standpunt ingenomen dat de artikelen 2:355 en 2:356 BW in verband met artikel 2:357 lid 2 BW de Ondernemingskamer de ruimte bieden om de arbeidsrechtelijke verhouding af te wikkelen, door de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen te ontbinden (zonder terugwerkende kracht).6 Van Slooten plaatst vraagtekens bij arbeidsrechtelijke beslissingen door de Ondernemingskamer. Hij ziet, in verband met het kortgedingachtige karakter van de enquêteprocedure, een principieel bezwaar tegen de bevoegdheid van de Ondernemingskamer in arbeidsrechtelijke beslissingen. Die beslissingen zijn immers niet meer bij de normaal bevoegde rechter aan te tasten, zodat het arbeidsovereenkomstenrecht niet ten volle tot zijn recht komt en beknotting van de rechten van de werknemer dreigt.7
De Hoge Raad heeft in twee arresten van 15 april 2005 kort gezegd bepaald, dat een vennootschapsrechtelijk besluit tot ontslag van een bestuurder het einde van de arbeidsovereenkomst meebrengt.8 Naar aanleiding van die uitspraken stelt Witteveen dat de hoedanigheden van bestuurder en van werknemer bij het ontslag onsplitsbaar zijn.9 Hij concludeert dat (ook) het ontslag van de bestuurder door de Ondernemingskamer in de tweede fase op de voet van artikel 2:356 BW automatisch het einde van de arbeidsovereenkomst betekent. Hij zet uiteen dat die conclusie ook geldt indien een – tot de werkgever gericht – wettelijke opzegverbod van kracht is.10 Ik wijs op een verschil tussen ontslag door een orgaan van de vennootschap en ontslag door de Ondernemingskamer. Het laatste is met waarborgen omgeven: er ligt een onderzoeksverslag en een wanbeleidsoordeel van een onafhankelijke rechter aan ten grondslag.11
Bij ontslag verliest de bestuurder automatisch zijn aanspraak op loon.12 Ik zou de redenering van Witteveen willen volgen en veronderstellen dat tweede fase enquêterechtelijke beslissingen niet alleen het verlies van aanspraak op loon, maar in beginsel ook andere gevolgen kunnen hebben, die binnen het domein van dwingend arbeidsrecht vallen.
De vraag of de Ondernemingskamer ook over niet automatisch intredende gevolgen moet beslissen beantwoordt Witteveen ontkennend, waarbij hij wijst op het limitatieve karakter van de opsomming in artikel 2:356 BW en op het doel van die voorzieningen, te weten het opheffen van wanbeleid. Een beslissing van de Ondernemingskamer over gevolgen van de getroffen voorzieningen na wanbeleid, zoals bedoeld in artikel 2:357 lid 2 BW, moet bijdragen aan verwezenlijking van het doel van zo’n voorziening en niet verder strekken, aldus Witteveen.
In de visie van Holtzer en Boersma kan de (overige) afwikkeling van de arbeidsrechtelijke relatie door de Ondernemingskamer wel onder de bepaling van artikel 2:357 lid 2 BW vallen.13