Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.II.C.4.d
d. Onroerende zaak
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS477371:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005-2006, 30509, nr. 21.
Zie tevens grenspost 1, hfdst. II, onderdeel B.3.
Handelingen II 2005/2006, nr. 101, p. 6248. Zie tevens grenspost 1, hfdst. II, onderdeel A.2.
Zie o.m. B.E Preller, ‘De vrijstelling van artikel 15.1.1 WBR geldt bij kavelruil ook voor opstallen’, p. 12.
Rb Leeuwarden 28 januari 2010, ECLI:NL:RBLEE:2010:BL9962, FutD 2010/14. Zie tevens grenspost 1, hfdst. II, onderdeel B.3.
Hof Leeuwarden 7 december 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:B07504, r.o. 4.21. Zie tevens V-N 2010/ 20.2.5, alsmede FutD 2010/51.
Hof Den Bosch 22 oktober 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:B06870, Notamail 2010/87 en NTFR 2011/24. Zie tevens grenspost 1, hfdst. II, onderdelen B.l.g en B.3.
r.o. 4.13.
Handelingen I 5 december 2006, EK 12-493.
In de hiervoor in onderdeel b gememoreerde brief van 8 september 20061 heeft de minister, ter voorkoming van onduidelijkheid en als reparatie van het onjuiste standpunt uit het besluit van 12 november 2004, duidelijk gemaakt dat onder ‘onroerende zaak’ als bedoeld in artikel 85 WILG tevens opstallen begrepen worden, aangezien teruggegrepen kan worden op de civielrechtelijke definitie als opgenomen in artikel 3:3 BW.2 Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel WILG3 en in de literatuur4 was deze conclusie reeds getrokken en ook de tekst van artikel 85 lid 3 WILG (bedrijfsverplaatsing) bood hiervoor duidelijke aanwijzingen, maar het is goed dat de minister dit met zoveel woorden bevestigt. Hiermee is het in de praktijk veel bekritiseerde standpunt uit het besluit van 12 november 2004, zoals hiervoor in onderdeel 3.c behandeld, expliciet herzien en geldt ook op dit punt (weer) het adagium ‘fiscaal volgt civiel’.
Overigens was ook in de rechtspraak geconstateerd dat er het nodige viel af te dingen op het standpunt van de staatssecretaris uit 2004. Op 28 januari 2010 oordeelde de Rechtbank Leeuwarden dat, ook na inwerkingtreding van het besluit, opstallen nog steeds in de kavelruil kunnen worden betrokken, aangezien het standpunt omtrent de inhoud van het begrip ‘onroerende zaken’, ook na publicatie van het besluit, ongewijzigd is. Artikel 3:3 BW geldt derhalve nog steeds. Gezien de duidelijke tekst van artikel 15, lid 1, onderdeel 1, WBR, kwalificeren deze opstallen tevens voor de fiscale vrijstelling.5 In hoger beroep werd het oordeel van de Rechtbank bevestigd en werd, ten aanzien van het besluit van 12 november 2004, het navolgende (harde) oordeel geveld:
“ln dit Besluit is echter (slechts) een – beperkende – opvatting van de staatssecretaris omtrent de toepassing van de onderhavige vrijstelling weergegeven. Die opvatting is door het Hof (…) onjuist bevonden”6
Hof Den Bosch ging op 22 oktober 2010 nog een stap verder.7
Voorts merkt het Hof op dat het door de Inspecteur ter illustratie aangehaalde Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 12 november 2004, nr. CPP2004-1679M, VN 2004/64.22, hem niet kan baten, nu een uitlating van de Staatssecretaris in een Besluit nimmer de rechten die belanghebbende krachtens de wet heeft, kan beperken.”8
De hiervoor in onderdeel 3.c verdedigde opvatting, dat beperking van de mogelijkheden tot toepassing van de fiscale vrijstelling van overdrachtsbelasting bij kavelruil in de wet zelf dient plaats te vinden, wordt derhalve door het Hof onderschreven. Ondanks de andersluidende inhoud van het Besluit op dit punt, dient volgens het Hof ook na 12 november 2004 te gelden dat krachtens kavelruil verkregen opstallen wel degelijk kunnen delen in de vrijstelling van onderdeel 1.
Tijdens de mondelinge behandeling van de WILG in de Eerste Kamer, op 5 december 2006, herhaalt de minister desgevraagd zijn standpunt ten aanzien van de fiscale behandeling van opstallen:
“Op grond van artikel 107 van de Wilg zal verkrijging van onroerende zaken inclusief opstallen vrijgesteld zijn van overdrachtsbelasting. Artikel 107 Wilg luidt: ‘In artikel 15, eerste lid, onderdeel I, van de Wet op belastingen van rechtsverlieer wordt de zinsnede ‘de Landinrichtingswe’ vervangen door ‘de Landinrichtingswet, de Wet inrichting landelijk gebied’, (onderstreping door mij, JR)’9
Duidelijker kan het niet. Om te voorkomen dat de minister sinds de bewuste 5 december als fiscale kado’s uitdelende Sinterklaas zou kunnen worden betiteld, moet worden opgemerkt dat dit standpunt, net als de regel ‘fiscaal volgt civiel’ en de ‘objectieve verbeteringsfictie’, enkel geldt voor WILG-kavelruilen. Echter, gezien de hiervoor gememoreerde rechtspraak, met name de uitspraak van het Hof Den Bosch van 22 oktober 2010, kan de vraag gesteld worden wat de waarde en reikwijdte van de beperkte opvatting van de staatssecretaris is voor kavelruilen onder de Landinrichtingswet, aangegaan na 12 november 2004. Mijns inziens is de visie van de staatssecretaris waardoor de opstallen en de ondergrond daarvan in beginsel niet in aanmerking zouden komen voor de vrijstelling van overdrachtsbelasting van ‘onderdeel 1’, door de rechtspraak expliciet getorpedeerd, zodat daaraan geen waarde (meer) dient te worden toegekend.
Opstallen kunnen per 1 januari 2007 dus deel uitmaken van een kavelruil, mits deze kavelruil voldoet aan de in grenspost 1, hoofdstuk II, onderdeel B uitgebreid besproken basisvereisten uit de WILG en (sinds 1 januari 2010) aan de aanvullende vereisten uit de BILG. Daarmee bestaat, zoals gezegd, automatisch aanspraak op de vrijstelling van overdrachtsbelasting. Mede hierdoor is kavelruil, zeker voor bedrijfsverplaatsingen, een zeer interessante (fiscale) optie, die het overwegen waard is. Maar ook voor alle andere gebouwen in het buitengebied, die niet vallen onder de ‘verboden categorieën’ van artikel 31a BILG, is overdracht vrij van overdrachtsbelasting door middel van het instrument kavelruil in beginsel mogelijk. Er is geen ruimte meer voor de (fiscale) interpretatie dat dergelijke gebouwen niet in een kavelruil kunnen worden meegenomen.