Een Nederlandse personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid: wenselijk?
Einde inhoudsopgave
Een Nederlandse personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid (IVOR nr. 81) 2011/7.5.1.6:7.5.1.6 Afgescheiden winst en de OVBA
Een Nederlandse personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid (IVOR nr. 81) 2011/7.5.1.6
7.5.1.6 Afgescheiden winst en de OVBA
Documentgegevens:
mr.drs. I.S. Wuisman, datum 13-01-2011
- Datum
13-01-2011
- Auteur
mr.drs. I.S. Wuisman
- JCDI
JCDI:ADS394313:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De OVBA zou zelfstandig rechthebbende van het vermogen zijn. Hierdoor zou de OVBA op grond van de bovenstaande redenering van de wetgever een afgescheiden winst hebben en zou de OVBA aansluiten bij de niet-transparante entiteiten. Kijken wij echter wat verder dan blijkt dat iedere vennoot uit hoofde van artikel 7:816 lid 1 Wetsvoorstel Titel 7.13 na de vaststelling van de balans en de staat van baten en lasten, recht op uitkering van zijn deel in de winst zou hebben, tenzij bij of krachtens de overeenkomst van vennootschap anders is bepaald. Een uitdelingsbesluit zou dan niet vereist zijn en er zou geen sprake zijn van een afgescheiden winst. Het laatste gedeelte van artikel 7:816 lid 1 Wetsvoorstel Titel 7.13 leidt er echter toe dat van de regeling kan worden afgeweken in de vennootschapsovereenkomst. Deze overeenkomst kan diverse voorzieningen inhouden, bijvoorbeeld uitkering van een bepaald percentage of, eventueel krachtens de overeenkomst, bepaling van de omvang van de uitkering telkens door de gezamenlijke vennoten of bij meerderheidsbesluit. Indien het aandeel in de winst niet of niet volledig wordt uitgekeerd, zou door bijboeking van het niet uitgekeerde gedeelte op de kapitaalrekening van de betreffende vennoot diens inbreng worden verhoogd.1 Door deze reservering zou de individuele vennoot van een OVBA uit hoofde van artikel 7:807 Wetsvoorstel Titel 7.13 niet kunnen beschikken over dat gereserveerde deel. Een directe beschikkingsmacht zoals de fiscale wetgever bij personenvennootschappen voor ogen stond zou in dat geval dan ook niet aanwezig zijn. De OVBA zou in die situatie weer aansluiten bij het kenmerk van een afgescheiden winst van de vennootschapsbelastingplichtige lichamen. Het is dus niet eenduidig te stellen of de winst wel of niet rechtstreeks zou toevallen aan de vennoten van de OVBA.