De rechtspositie van de sollicitant en van de werknemer tijdens de proeftijd
Einde inhoudsopgave
De rechtspositie van de sollicitant en van de werknemer tijdens de proeftijd (MSR nr. 53) 2010/11.1:11.1 Inleiding
De rechtspositie van de sollicitant en van de werknemer tijdens de proeftijd (MSR nr. 53) 2010/11.1
11.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. R.F. Kötter, datum 30-09-2010
- Datum
30-09-2010
- Auteur
mr. R.F. Kötter
- JCDI
JCDI:ADS386030:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wetgever heeft het onwenselijk geacht dat de werknemer, door een proeftijd steeds te laten voortduren, bij herhaling verstoken zou blijven van de bescherming door wettelijke voorschriften over opzeggingstermijnen. Dit blijkt uit de beraadslagingen in de Tweede Kamer die aan de invoering van de Wet op de arbeidsovereenkomst van 13 juli 1907 zijn voorafgegaan. Vanuit deze beschermingsgedachte heeft de wetgever gewenst dat aan de maximumtermijn van twee maanden strikt de hand zou worden gehouden. Vanuit ditzelfde uitgangspunt werd elk beding waarbij tussen dezelfde partijen een nieuwe proeftijd werd aangegaan, door de wetgever van 1907 als nietig aangemerkt.
Decennialang heeft de Hoge Raad zich heel duidelijk uitgelaten over de maximumduur van de proeftijd en de gevolgen van overschrijding van die termijn. Overeenkomstig de bedoelingen van de wetgever werd daarbij strikt de hand gehouden aan de maximumduur van de proeftijd. De Hoge Raad stelde zich, onder verwijzing naar de tekst van de wet, op het standpunt dat het hele beding bij overschrijding van de maximumduur als niet geschreven moest worden beschouwd.
De Hoge Raad wenste, gegeven de ratio van de wettelijke regeling van de proeftijd, evenmin te weten van opschorting of verlenging van de proeftijd als de werknemer het werk niet kon verrichten vanwege ziekte of een andere oorzaak. In dit hoofdstuk zal worden bezien of heden ten dage in de rechtspraak nog steeds consequent aan de maximumduur van de proeftijd wordt vastgehouden en welke ontwikkelingen in het recht daarbij van belang zijn.