De rechtspositie van de sollicitant en van de werknemer tijdens de proeftijd
Einde inhoudsopgave
De rechtspositie van de sollicitant en van de werknemer tijdens de proeftijd (MSR nr. 53) 2010/11.8:11.8 Conclusie
De rechtspositie van de sollicitant en van de werknemer tijdens de proeftijd (MSR nr. 53) 2010/11.8
11.8 Conclusie
Documentgegevens:
mr. R.F. Kötter, datum 30-09-2010
- Datum
30-09-2010
- Auteur
mr. R.F. Kötter
- JCDI
JCDI:ADS383567:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Hoge Raad wil tot op heden niet weten van opschorting en verlenging van de proeftijd en houdt vast aan de door de wetgever bepaalde maximumduur. Door het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 1995 is evenwel een nuancering op de ijzeren proeftijdtheorie toegepast, in die zin dat onder omstandigheden een strikte toepassing van de termijn van het proeftijdbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. Zoals uit het arrest blijkt, stelt de Hoge Raad hoge eisen aan die omstandigheden als uitzondering op de regel.
Ook de mogelijkheid van omzetting (conversie) van een te lange (nietige) proeftijd in een kortere (rechtsgeldige) proeftijd wordt door de Hoge Raad tot op heden verworpen, op grond van overwegingen van rechtszekerheid en doelmatigheid.