Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.4.1.1:12.4.1.1 Voorbereiding van de bewijsvoering door de mededelingsplicht
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.4.1.1
12.4.1.1 Voorbereiding van de bewijsvoering door de mededelingsplicht
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940573:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Anders: Wijsman 2017, p. 337, die de inspecteur toestaat om het bewijs in bezwaar ‘alsnog rond te krijgen’.
Zie paragraaf 12.2.4.
Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 29 december 2022, V-N 2023/25.21, r.o. 4.6, waarin een vergelijkbare eis wordt gesteld in het kader van de aansprakelijkstelling door de ontvanger (gegrond op het zorgvuldigheidsbeginsel).
Zie paragraaf 12.2.6.2.
Vgl. ook de formulering die de Hoge Raad gebruikte in HR 15 juli 1988, BNB 1988/270, r.o. 4.5 en 4.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De inspecteur kan de bewijsvoering ten aanzien van de fiscale bestuurlijke boete niet simpelweg opschorten totdat de boeteling in bezwaar komt tegen de boete.1 In verband met de mededelingsplicht moet hij immers reeds uiterlijk ten tijde van de oplegging van de boete de aard en reden daarvan in bijzonderheden paraat hebben en mededelen aan de boeteling.2 Uit die mededelingsplicht volgt weliswaar niet dat het bewijs ook op dat moment reeds volledig moet zijn vergaard (het gaat immers ‘slechts’ om een mededeling aan de boeteling, opdat hij weet waarvan hij wordt beschuldigd), maar de inhoudelijke vereisten van de mededelingsplicht brengen naar mijn mening mee dat de inspecteur de door hem te bezigen bewijsmiddelen tamelijk definitief moet hebben geïdentificeerd op het moment dat hij de boete oplegt.3 De feitelijke grondslag van de beschuldiging moet immers tijdig worden medegedeeld, terwijl wezenlijke aanpassingen achteraf niet zijn toegestaan.4 Daaruit volgt dat het feitenonderzoek in het kader van de boete ten tijde van de oplegging daarvan grotendeels moet zijn afgerond.5