Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.7.4
4.7.4 Levering verhuurd vastgoed: overgang (gedeelte) van een algemeenheid van goederen?
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291180:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 4 februari 1987, nr. 23.945, BNB 1987/147, m.nt. Ploeger, HR 29 september 1999, nr. 34.774, FED 1999/739, m.nt. Braun, r.o. 3.3.2 en HR 25 april 2003, nr. 38.132, BNB 2003/216, m.nt. Bijl, r.o. 3.2.3.
HR 30 november 1989, nr. 24.848, BNB 1989/19, m.nt. Ploeger.
HR 2 december 1987, nr. 23.976, BNB 1988/34.
HR 29 september 1999, nr. 34.774, FED 1999/739, m.nt. Braun.
HR 6 juni 2008, nr. 42.677, BNB 2008/221, m.nt. Van Zadelhoff.
Anders: Van Zadelhoff, noot bij HR 6 juni 2008, nr. 42.677, BNB 2008/221 en B.G. van Zadelhoff, ‘Overdracht vastgoed als algemeenheid van goederen buiten de BTW’, FBN 2008/12-78. In de praktijk past de Nederlandse belastingdienst art. 37d Wet OB ook toe op de overdracht van een (onsplitsbaar) gebouw in verhuurde staat.
Vgl. HvJ EU 30 mei 2013, zaak C-651/11, BNB 2014/113, m.nt. Bijl. r.o. 43 (X BV).
Vgl. R.A. Wolf, ‘Geen btw meer bij overdracht verhuurd vastgoed’, FTV 2008/7/8-30 en J. Rous en K.F.H. van Lierop, ‘Verslag 44e Fiscale Conferentie “Vastgoed”’, WFR 2018/26, p. 154.
In gelijke zin: Van Zadelhoff, noot bij HR 6 juni 2008, nr. 42.677, BNB 2008/221.
In gelijke zin: M.M.W.D. Merkx, ‘Modewereld nu ook verantwoordelijk voor de trend in de BTW’, MBB 2005/2, p. 66.
Hof Arnhem 3 mei 2004, nr. 03/00871, V-N 2004/44.16 en Rb ’s Gravenhage 6 maart 2006, nr. 05/1915, V-N 2006/54.23. Hierbij past de kanttekening dat Hof Arnhem onderkent dat zijn uitleg van het Zita Modes-arrest mogelijk te restrictief is, maar van oordeel is dat belanghebbende zich in dat geval op de voor hem gunstiger strikte uitleg door de Hoge Raad mag beroepen.
Zie bijv. voor Polen: K. Lasinski-Sulecki, ‘No Supply Rule and Real Estate Transactions’, International VAT Monitor September/October 2017, p. 362-367. Uit HvJ EU 26 november 2020, zaak C-787/18, V-N 2020/63.25.9 (Sögård Fastigheter) is af te leiden dat de overdracht van verhuurd vastgoed in Zweden wel een overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen kan zijn.
Anders: conclusie A-G De Wit 13 juli 2006, nr. 42.677, BNB 2008/221.
De Hoge Raad was aanvankelijk het oordeel toegedaan dat het een acte clair was dat de levering van vastgoed in verhuurde staat niet kwalificeert als de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen.1 Dit gold niet alleen bij de overdracht van één onroerend goed in geëxploiteerde staat2, maar ook indien er meerdere verhuurde onroerende goederen werden overgedragen waartussen geen andere samenhang bestond dan dat zij tegelijkertijd en het notariële transport in één akte werd neergelegd.3 Voor de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen was volgens de Hoge Raad nodig dat een economische activiteit overging die meer inhield dan normaal vermogensbeheer, zoals de vestiging van het recht van vruchtgebruik op 102 verhuurde woningen, verdeeld over zes flatgebouwen in combinatie met de overdracht van administratieve, uitvoerende en technische werkzaamheden.4
In het Zita Modes-arrest heeft de Hoge Raad aanleiding gezien om ‘om te gaan’. Naar zijn oordeel is het gelet op dit arrest een acte clair dat een richtlijnconforme uitleg van art. 31 Wet OB (nu: art. 37d Wet OB) met zich brengt ook de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen van dan wel op exploitanten als bedoeld in art. 7 lid 2, onderdeel b Wet OB hieronder valt.5 Omdat in deze zaak in cassatie vaststond dat zowel voor als na de overdracht sprake is van een zaak die wordt dan wel zou worden geëxploiteerd om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen laat de Hoge Raad het oordeel van Hof ’s Hertogenbosch dat sprake is van een overgang van een algemeenheid van goederen in stand. Het bedrijfsverzamelgebouw in deze zaak bestond uit acht volledig zelfstandig te gebruiken units die afzonderlijk werden verhuurd. Aangezien de Hoge Raad in de laatste alinea het oordeel in stand laat dat ‘in het onderhavige geval zowel voor als na de overgang sprake is van een vermogensbestanddeel’ (enkelvoud) is de aanwezigheid van meerdere zelfstandig te gebruiken units kennelijk niet beslissend voor de kwalificatie als (het geheel of een gedeelte van een) algemeenheid van goederen.6 De uitkomst in deze zaak was naar mijn mening dan ook niet anders geweest indien een gebouw was geleverd dat niet bestond uit meerdere volledig zelfstandig te gebruiken units.7
Bij de stelligheid waarmee de Hoge Raad op zijn schreden terugkeert zijn kanttekeningen te plaatsen. Het is juist dat met vastgoed in verhuurde staat een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend. Maar volstaat dit om een overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen aan te nemen? In het Zita Modes-arrest oordeelt het Hof van Justitie dat de overdracht van een handelszaak (lees: bedrijf of onderneming) of van een autonoom bedrijfsonderdeel (…) waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend, kwalificeert als de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen. Uit het Zita Modes-arrest is niet af te leiden of de levering van vastgoed in verhuurde staat als een overdracht van een bedrijf of onderneming (of een gedeelte daarvan) kwalificeert. In deze zaak ging het immers om de overdracht van een handelszaak in confectiekleding. Bovendien is het Hof van Justitie van oordeel dat de speciale behandeling (lees: geen levering) bij de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen met name gerechtvaardigd is omdat het btw-bedrag dat voor de overdracht moet worden (vooruit)betaald zeer aanzienlijk kan zijn in vergelijking met de middelen van de betrokken zaak. Het Hof van Justitie verwijst bij dit oordeel naar punt 39 van de conclusie van A-G Jacobs in deze zaak. Omdat de A-G in dit punt voortborduurt op hetgeen hij in punt 38 schrijft dienen deze punten in samenhang te worden gelezen:
“38. Ook moeten wij niet vergeten dat artikel 5, lid 8, is bedoeld voor situaties waarin de omvang van de BTW buitengewoon bezwarend is voor het betrokken bedrijf. Hoewel het aftrekstelsel bedoeld is om de handelaar volledig te ontheffen van de BTW-last die hij in de loop van al zijn economische activiteiten heeft moeten betalen (…) – het neutraliteitsbeginsel -, werkt het in de praktijk zo, dat handelaren normaliter bedragen (hun in rekening gebracht over hun inkomende leveringen en diensten) moeten voorschieten, die zij naderhand recupereren door een deel van de belasting (over hun uitgaande leveringen en diensten) die door hun klanten wordt betaald, te behouden. Een dergelijke verrekening van voorschotten moge aanvaardbaar worden geacht in de normale loop van een bedrijf, maar het is veel bezwarender voor de nieuwe eigenaar van een bedrijf om in één keer belasting te moeten voorschieten over de totale waarde ervan. 39. Wanneer een belastingplichtige van een andere belastingplichtige losse activa verkrijgt, zeg een handelsmerk of een deel van de handelsvoorraden of zelfs alle handelsvoorraden, kan dat worden gezien als een normale zakelijke transactie of een investering, en kan de BTW-vooruitbetaling worden gezien als een normale verplichting van de handelaar. De overgang van een heel bedrijf is echter een uitzonderlijke gebeurtenis, en een bijzondere behandeling kan gerechtvaardigd zijn omdat het BTW-bedrag dat moet worden voorgeschoten, bijzonder groot kan zijn in verhouding tot de middelen van het betrokken bedrijf.”
Bij de overdracht van een handelszaak, zoals in de zaak Zita Modes, gaat die rechtvaardiging zonder meer op, maar bij de overdracht van verhuurd vastgoed ligt dat anders. De levering van vastgoed is in beginsel vrijgesteld van btw-heffing waardoor (vooruit)betaling van (grote bedragen aan) btw slechts aan de orde is indien hetgeen geleverd wordt een nieuw (gedeelte van een) nieuw gebouw of een bouwterrein is.8 In de zaak waarin de Hoge Raad omging was zonder toepassing van (thans) art. 37d Wet OB sprake geweest van de vrijgestelde levering van het bedrijfsverzamelgebouw waardoor het aspect van de voorfinanciering van de btw in die zaak in het geheel niet speelde. Voorts kan betwijfeld worden of de aankoop van een gebouw (in verhuurde staat) voor een belastingplichtige een uitzonderlijke gebeurtenis is die een uitzondering op het leveringsbegrip rechtvaardigt. In dit teleologisch licht bezien is het daarom maar de vraag of hetgeen het Hof van Justitie in het Zita Modes-arrest overweegt zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat het een acte clair is dat art. 37d Wet OB van toepassing is op de levering van een (bedrijfsverzamel)gebouw in verhuurde staat.9 Dit klemt te meer nu uit de in het begrip ‘overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen’ in art. 19 Btw-richtlijn en de definitie daarvan door het Hof van Justitie (‘lichamelijke en eventuele lichamelijke zaken’) gehanteerde meervoudsvorm afgeleid zou kunnen worden dat de overdracht van één lichamelijke goed niet volstaat10, terwijl de Hoge Raad in zijn oordeel uitgaat van de in cassatie onbestreden vaststelling dat sprake is van een vermogensbestanddeel (enkelvoud).
Ook de richtlijnhistorie geeft hierover geen uitsluitsel. In het Voorstel voor een zesde richtlijn werd de exploitatie van een zaak om er op min of meer duurzame wijze opbrengsten uit te verkrijgen niet gerangschikt onder het begrip ‘economische bedrijvigheid’ (lees: economische activiteit). De woorden ‘bedrijf’ en ‘bedrijvigheid’ in de toelichting op art. 5 lid 4 Voorstel voor een zesde richtlijn kunnen dan ook alleen maar betrekking hebben op de activiteiten van een producent, handelaar of dienstverrichter (lees: ondernemersactiviteiten). De lidstaten hebben er echter voor gekozen om de exploitatie van een zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, een beleggersactiviteit, aan te merken als een economische activiteit (zie paragraaf 4.7.2). In de stukken inzake de totstandkoming van de Zesde Richtlijn heb ik niets gevonden waaruit blijkt dat lidstaten (hiermee) hebben beoogd om (thans) art. 19 Btw-richtlijn open te stellen voor de exploitanten van een zaak, maar hierin is evenmin iets te vinden waaruit blijkt dat deze bepaling niet van toepassing is op de overdracht van de exploitatie van een zaak. In de richtlijnhistorie is daarom geen aanknopingspunt te vinden voor het antwoord op de vraag of de Hoge Raad een richtlijnconform pad bewandelt.
Het voorgaande betekent dat naar mijn mening ook na het Zita Modes-arrest van het Hof van Justitie redelijke twijfel mogelijk is over de vraag of art. 19 Btw-richtlijn van toepassing is op de levering van (oud) vastgoed in verhuurde staat. Van een acte clair is naar mijn mening dan ook geen sprake.11 Dat door lagere rechters ook na het Zita Modes-arrest is geoordeeld dat (thans) art. 37d Wet OB niet van toepassing is op de overdracht van sec de exploitatie van vastgoed onderstreept dit.12 Bovendien wordt het toepassen van art. 19 Btw-richtlijn op de levering van verhuurd vastgoed niet in alle lidstaten vanzelfsprekend geacht.13 De Hoge Raad had als hoogste rechter daarom een prejudiciële vraag moeten stellen aan het Hof van Justitie.14 Die plicht van de Hoge Raad om in voorkomend geval hierover een prejudiciële vraag te stellen geldt naar mijn mening onverkort, aangezien ook de jurisprudentie van het Hof van Justitie na het Zita Modes-arrest geen uitsluitsel geeft. Dat naar mijn mening redelijke twijfel mogelijk is over de vraag of art. 19 Btw-richtlijn van toepassing is op de levering van verhuurd vastgoed, laat onverlet dat de uitleg door de Hoge Raad wel wenselijk kan zijn. Tegen de opvatting van de Hoge Raad pleit dat het beginsel van algemene heffing een strikte uitleg van de niet-leveringsregel eist. Vóór de opvatting van de Hoge Raad pleit echter dat deze levering geen schakel vormt in de productie- en distributieketen die leidt tot verbruik waardoor deze inbreuk op het beginsel van algemene heffing naar mijn mening te rechtvaardigen is op grond van het rechtskarakter van de btw. Op grond van concurrentieneutraliteit kan daarnaast gesteld worden dat als de overgang van een economische activiteit van een producent, handelaar of dienstverrichter onder de reikwijdte van de niet-leveringsregel valt, dit ook zou moeten gelden voor de overgang van een economische activiteit die bestaat in de exploitatie van vastgoed. Dit ‘neutraliteitsargument’ acht ik echter niet zo sterk. Er kan immers net zo goed gesteld worden dat de concurrentieneutraliteit geen steun biedt voor de uitleg van de Hoge Raad, omdat de economische activiteit van een producent, handelaar en dienstverrichter (een ondernemersactiviteit) te veel verschilt met de economische activiteit van een exploitant van een zaak (een beleggersactiviteit) om over één kam te worden geschoren. Hoe dan ook, ik meen dat de uitleg van de Hoge Raad in ieder geval op grond van het rechtskarakter van de btw wenselijk is.